- Arrest van 22 maart 2012

22/03/2012 - C.10.0155.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 70, § 2, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, voorziet in een bijzondere procedureregeling waardoor, ingeval het onteigeningsbesluit tegelijk met het uitvoeringsplan wordt opgemaakt, niet de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, maar de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, bevoegd voor het goedkeuren van het plan van aanleg, de bevoegdheid heeft het onteigeningsplan goed te keuren en de daarmee verbonden bevoegdheid tot het verlenen van de onteigeningsmachtiging (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0155.N

1. M.B.,

2. H.B.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

PROVINCIALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ ANTWERPEN (POM ANTWERPEN), met zetel te 2018 Antwerpen, Koningin Elisabethlei 22,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 1 december 2009.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 27 januari 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 1 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemenen nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen, is de gemeenschapsminister, bevoegd voor de Binnenlandse Aangelegenheden, behoudens in de gevallen bepaald in de wet, bevoegd om de gemeenten, provincies, intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen te machtigen over te gaan tot onteigeningen ten algemenen nutte, met instemming van de functioneel bevoegde gemeenschapsminister.

Krachtens artikel 11, eerste lid, van het Besluit van de Vlaamse regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, (hierna Delegatiebesluit), heeft de Vlaamse minister, bevoegd voor de Binnenlandse Aangelegenheden, behoudens in de gevallen bepaald in de wet, delegatie om onteigeningsmachtigingen te verlenen ten algemenen nutte aan de gemeenten, de provincies, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en de erkende provinciale ontwikkelingsmaatschappijen, overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Executieve van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemenen nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen.

2. Krachtens artikel 3, § 6, 5°, Delegatiebesluit, zoals te dezen van toepassing, is de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bevoegd voor de ruimtelijke ordening, vermeld in artikel 6, § 1, I, 1°, 2°, 4°, 5°, 6° en 7° van de bijzondere wet: a) de stedenbouw en de ruimtelijke ordening; b) de rooiplannen van de gemeentewegen; c) de stadsvernieuwing; d) de vernieuwing van afgedankte bedrijfsruimten; e) het grondbeleid; f) de monumenten en de landschappen, alsook het archeologisch patrimonium en het varend erfgoed.

Krachtens artikel 5 Delegatiebesluit, zoals te dezen van toepassing, zijn de leden van de Vlaamse regering, ieder wat hem of haar betreft, inzake de aangelegenheden die hen krachtens artikel 3 zijn toegewezen, bevoegd voor: 8° het verlenen van onteigeningsmachtigingen, onverminderd de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Executieve van 19 december 1991 inzake onteigeningen ten algemenen nutte ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen.

3. Krachtens artikel 70, § 2, eerste lid, van het Decreet van het Vlaamse Parlement van 18 mei 1999 betreffende de ruimtelijke ordening (hierna Stedenbouwdecreet 1999), wordt het onteigeningsplan dat ter uitvoering van dit decreet tegelijkertijd met het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt opgemaakt, tegelijk met het ruimtelijk uitvoeringsplan onderworpen aan de procedureregels bepaald voor het opmaken van dat ruimtelijk uitvoeringsplan. Evenwel wordt een uitvoeringsplan dat gekoppeld is aan een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dat ter goedkeuring aan de bestendige deputatie wordt voorgelegd, niet aan die bestendige deputatie maar aan de Vlaamse regering ter goedkeuring voorgelegd, na de goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan door de bestendige deputatie. De Vlaamse regering beslist over het onteigeningsplan en verleent een onteigeningsmachtiging conform de wetgeving inzake onteigeningen.

4. Uit deze bepalingen volgt dat artikel 70, § 2, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, voorziet in een bijzondere procedureregeling, waardoor, ingeval het onteigeningsplan tegelijk met het uitvoeringsplan wordt opgemaakt, niet de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, maar de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, bevoegd voor het goedkeuren van het plan van aanleg, de bevoegdheid heeft het onteigeningsplan goed te keuren en de daarmee verbonden bevoegdheid tot het verlenen van de onteigeningsmachtiging.

5. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

6. Artikel 70, § 2, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, dat de regel herneemt van artikel 28, eerste lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, is een door de wet bepaalde uitzondering in de zin van artikel 1 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 19 december 1991 en van artikel 11 Delegatiebesluit.

7. In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

8. Voormeld artikel bepaalt dat het onteigeningsplan dat ter uitvoering van het Stedenbouwdecreet 1999 tegelijkertijd met het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt opgemaakt, tegelijk met het uitvoeringsplan onderworpen is aan de procedureregels bepaald voor het opmaken van dat ruimtelijk uitvoeringsplan.

De eigenlijke toewijzing van bevoegdheid volgt evenwel uit de bepalingen van het Delegatiebesluit.

9. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de toewijzing van bevoegdheid ter zake niet geschiedde door de Vlaamse regering, mist het feitelijke grondslag.

Tweede middel

10. Krachtens artikel 72, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, wordt bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, voor zover de onteigening wordt gevorderd met het oog op de verwezenlijking van dat ruimtelijk uitvoeringsplan.

11. De regel dat bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, geldt slechts voor zover de onteigening wordt gevorderd met het oog op de verwezenlijking van dat ruimtelijk uitvoeringsplan.

Die regel belet niet dat bij de waardering van het onteigende perceel rekening wordt gehouden met de planologische bestemming van het onteigende perceel vóór de bestemmingswijziging door het ruimtelijk uitvoeringsplan ter verwezenlijking waarvan de onteigening wordt doorgevoerd.

12. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Derde middel

13. Artikel 16 Grondwet bepaalt dat iemand slechts tegen een billijke en voorafgaande schadeloosstelling ten algemenen nutte van zijn eigendom kan worden ontzet.

Die schadeloosstelling moet alle schadeposten omvatten die de onteigende heeft geleden en die in oorzakelijk verband staan met de onteigening, hierin begrepen de kosten van juridische bijstand die in noodzakelijk oorzakelijk verband staan met de onteigening.

14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de vrederechter van het kanton Willebroek overeenkomstig artikel 14 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte, voorlopig het bedrag bepaalde van de vergoeding die voor de onteigening verschuldigd is en hierbij aan de eisers onder meer een bedrag toekende van 1 euro provisioneel voor kosten van juridische bijstand;

- de verweerster de herziening vorderde van de door de vrederechter toegekende voorlopige vergoeding, met inbegrip van de voor kosten van juridische bijstand toegekende provisie.

15. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de toekenning door de vrederechter bij het bepalen van de voorlopige vergoeding van een bedrag van 1 euro provisioneel voor kosten van juridische bijstand niet het voorwerp uitmaakte van de vordering tot herziening, kan het niet worden aangenomen.

16. Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, verwijst ieder eindvonnis, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, zelfs ambtshalve de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens artikel 1022, eerste lid, van dit wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Krachtens artikel 1022, laatste lid, van dit wetboek, kan geen partij boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van een andere partij.

17. De voormelde wet van 26 juli 1962 is in beginsel een bijzondere wettelijke bepaling krachtens welke de kosten ten laste kunnen worden gelegd van de partij door wie zij zijn veroorzaakt, zelfs indien de andere partij in het ongelijk is gesteld, als dit nodig is om de onteigende te vergoeden voor de gedwongen afstand van zijn goed.

Dit houdt niet in dat de vordering in herziening, die volgens artikel 16, tweede lid, van deze wet behandeld wordt overeenkomstig de regels van het Gerechtelijk Wetboek en geen noodzakelijk gevolg is van de beslissing te onteigenen, wordt onttrokken aan de kostenregeling van het Gerechtelijk Wetboek.

De omstandigheid dat de partij die in het kader van de vordering in herziening in het ongelijk wordt gesteld, dient te worden verwezen in de kosten van die procedure, houdt evenwel niet in dat over de kosten van juridische bijstand van de onteigende in de procedure voor de vrederechter mag worden beslist op grond dat de onteigende in het kader van de procedure in herziening de in het ongelijk gestelde partij is.

18. De appelrechters wijzen de door de eisers gevorderde provisionele vergoeding van 1 euro voor kosten van verdediging en bijstand door een raadsman volledig af op grond dat de eisers in het kader van procedure tot herziening als de in het ongelijk gestelde partijen dienen te worden aangezien.

Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de vordering van de eisers in betaling van een provisionele vergoeding van 1 euro voor kosten van verdediging en bijstand door een raadsman en over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eisers in twee derden van de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 509,84 euro en voor de verweerster op 223,72 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 22 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Onteigening ten algemenen nutte

  • Onteigeningsbesluit

  • Uitvoeringsplan

  • Tegelijk opgemaakt

  • Goedkeuring van het onteigeningsplan

  • Onteigeningsmachtiging

  • Vlaams Gewest

  • Bevoegde minister