- Arrest van 27 maart 2012

27/03/2012 - P.11.1661.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 29 van het koninklijk besluit van 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen heft het koninklijk besluit van 18 februari 1991 betreffende de ademanalysetoestellen voor de meting van de alcoholconcentratie in de uitgeademde alveolaire lucht, met inbegrip van de bijlage, op; dit geldt ook met betrekking tot de toestellen die bij de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 21 april 2007, waren goedgekeurd krachtens het opgeheven koninklijk besluit, en waarvan deze modelgoedkeuring geldig blijft tot 31 december 2012; het is niet tegenstrijdig eensdeels te oordelen dat de beoordeling van de foutenmarges dient te gebeuren op basis van het koninklijk besluit van 21 april 2007 en anderdeels vast te stellen dat omtrent de afronding van het analyseresultaat het opgeheven koninklijk besluit van 18 februari 1991 daaromtrent wel een specifieke bepaling bevat (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1661.N

PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE DENDERMONDE,

eiser,

tegen

W. P. D'H.,

beklaagde,

verweerder,

met als raadsman mr. Wouter Van Impe, advocaat bij de balie te Dendermonde.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Dendermonde van 20 september 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft op 20 februari 2012 een schriftelijke conclusie ter griffie neergelegd.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, artikel 59, § 3, Wegverkeerswet, de artikelen 1, 5 en 31 van het koninklijk besluit van 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen, artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 februari 1991 betreffende de ademanalysetoestellen voor de meting van de alcoholconcentratie in de uitgeademde alveolaire lucht, artikel 4.2.2 (lees: artikel 4.2.1) van de bijlage 1 bij het voormelde koninklijk besluit van 18 februari 1991.

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert aan dat het koninklijk besluit van 18 februari 1991 werd opgeheven door het artikel 29 van het koninklijk besluit van 21 april 2007, dat in werking trad op 12 mei 2007, en dat de modelgoedkeuringen die afgeleverd werden voor de inwerkingtreding van dit besluit geldig blijven tot 31 december 2012; hieruit volgt dat de toestellen die een geldige modelgoedkeuring hadden op het ogenblik van de inwerkingtreding van het genoemde koninklijk besluit van 21 april 2007, verder konden worden gebruikt onder de dekking van de oude modelgoedkeuring en de ijking conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 18 februari 1991; het vonnis oordeelt dan ook onterecht dat de beoordeling van de foutmarges dient te gebeuren op basis van het koninklijk besluit van 21 april 2007 en dat dus een derde ademanalyse diende te worden afgenomen.

3. Artikel 29 van het koninklijk besluit van 21 april 2007 betreffende de ademtesttoestellen en de ademanalysetoestellen heft het koninklijk besluit 18 februari 1991 betreffende de ademanalysetoestellen voor de meting van de alcoholconcentratie in de uitgeademde alveolaire lucht, met inbegrip van de bijlage, op. Dit geldt ook met betrekking tot de toestellen die bij de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 21 april 2007, waren goedgekeurd krachtens het opgeheven koninklijk besluit, en waarvan deze modelgoedkeuring geldig blijft tot 31 december 2012.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert een tegenstrijdigheid aan in de motivering doordat het bestreden vonnis enerzijds oordeelt dat "de beoordeling van de foutmarges dient te gebeuren op basis van het KB van 21 april 2007" terwijl het anderzijds stelt dat met betrekking tot de afronding van het analyseresultaat "het opgeheven KB van 18 februari 1991 daaromtrent wel een specifieke bepaling" bevat en het dus deze bepaling toepast; het bestreden vonnis had toepassing moeten maken van de algemeen gangbare principes inzake afronding, en met name dat afgerond wordt naar een hoger decimaal indien het af te ronden getal vijf is of hoger is dan vijf en naar een lager decimaal indien het af te ronden getal kleiner is dan vijf.

5. Het is niet tegenstrijdig eensdeels te oordelen dat de beoordeling van de foutenmarges dient te gebeuren op basis van het KB van 21 april 2007 en anderdeels vast te stellen dat omtrent de afronding van het analyseresultaat het opgeheven KB van 18 februari 1991 daaromtrent wel een specifieke bepaling bevat.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Bepaalt de kosten op 64,71 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 27 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Artikel 59, § 4

  • Toestellen gebruikt voor ademtest en ademanalyse

  • Bepalingen vastgesteld door de Koning

  • Vaststelling van de bijzondere gebruiksmodaliteiten

  • Koninklijke besluiten van 18 februari en 21 april 2007

  • Toepassing