- Arrest van 27 maart 2012

27/03/2012 - P.11.1701.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit het arrest nr. 10/2011 van 27 januari 2011 van het Grondwettelijk Hof volgt dat de door de artikelen 197 en 198, § 3, AWDA bedoelde machtiging tot visitatie van huizen, erven en panden van particulieren uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd; aan die vereiste is voldaan indien de machtiging, die door haar aard uitsluitend betrekking kan hebben op douane- en accijnsaangelegenheden en bijgevolg steeds een beperkt karakter heeft, vermeldt in het kader van welk onderzoek, voor welke woning en aan welke persoon of personen ze wordt verleend, evenals op een wijze die beknopt mag zijn de reden waarom ze noodzakelijk is (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1701.N

I

1. EXECUTIVE CONSULTANCY SERVICES nv, met zetel te 2840 Rumst, Monnikenhofstraat 31,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Michiel Beek, advocaat bij de balie te Gent,

2. P. M.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Eric Pringuet, advocaat bij de balie te Gent.

II

1. LIMECO BELGIUM bvba, met zetel te 2070 Zwijndrecht, Verbrandendijk 82G,

beklaagde, civielrechtelijk aansprakelijke partij,

2. M. W. M. D. S.,

beklaagde,

3. L. V.,

beklaagde,

eisers,

alle cassatieberoepen tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1040 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22,

vervolgende partij,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 14 september 2011.

De eisers I voeren in gelijkluidende memories die aan dit arrest zijn gehecht, telkens drie middelen aan.

De eisers II voeren geen middel aan.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft op 1 maart 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middelen van de eisers I

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, de artikelen 15 en 149 Grondwet en de artikelen 197 en 198, § 3, AWDA: het arrest beantwoordt niet het in de appelconclusies van de eisers I opgeworpen verweer dat uit geen enkel element van het dossier kan worden opgemaakt op welke bescheiden en mondelinge toelichtingen de politierechter zich heeft gesteund bij het verlenen van de machtigingen tot huisvisitatie, zodat die bijgevolg aan de tegenspraak zijn onttrokken en controle van de machtiging niet mogelijk is; aan de eisers werden geen bescheiden of toelichtingen meegedeeld en die kunnen evenmin uit het strafdossier worden afgeleid; het arrest kan dan ook niet oordelen dat de eisers I van de desbetreffende stukken kennis hebben kunnen nemen en tegenspraak hebben kunnen voeren.

2. In zoverre het middel aanvoert dat aan de eisers I op geen enkele manier bescheiden en toelichtingen werden meegedeeld en zij die op geen enkele manier uit het strafdossier konden afleiden, komt het middel op tegen een beoordeling in feite door de appelrechters of verplicht het middel het Hof tot een onderzoek van feiten, waartoe het niet bevoegd is.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

3. Het arrest (p. 22) oordeelt niet alleen zoals in het middel aangehaald, maar ook dat:

- de eisers I voor de feitenrechter onder meer omtrent de regelmatigheid van de huisvisitaties tegenspraak hebben kunnen voeren en aldus zowel in rechte als in feite op de regelmatigheid van de beslissingen waarbij de toegang tot de bewoonde lokalen werd toegestaan en van de maatregelen die op grond daarvan zijn genomen, een daadwerkelijke jurisdictionele controle hebben kunnen verkrijgen;

- de eisers I kennis hebben kunnen nemen en tegenspraak voeren met betrekking tot de desbetreffende stukken en van de in het strafdossier opgenomen processen-verbaal, waarin melding wordt gemaakt van de materiële vaststellingen die de bevoegde ambtenaren van douane en accijnzen hebben gedaan naar aanleiding van de desbetreffende visitaties.

Het middel berust aldus op een onvolledige lezing van het arrest en mist in zoverre feitelijke grondslag.

4. Verder verwerpt het arrest (p. 22) het verweer van de eisers I tot wering van het middels de huisvisitaties verkregen onrechtmatig bewijs onder meer op de niet-bekritiseerde grond dat wat betreft de in de machtigingen vermelde mondeling verstrekte toelichtingen, de gebeurlijke beperking van hun tegenspraak op afdoende wijze werd gecompenseerd door het geheel van waarborgen waarmee de procedure is omringd ter voorkoming van misbruik en dat door het geheel van de gevoerde procedure en de in de artikelen 6.1 en 8 EVRM vervatte waarborgen de voorwaarden voor een eerlijk proces in casu niet zijn miskend.

Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eisers I en verantwoordt het zijn beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 10 en 11 Grondwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de visitatiemachtigingen afdoende zijn gemotiveerd; van enige uitdrukkelijke motivering zoals vereist door het Grondwettelijk Hof is geen sprake; de bepaling in de machtiging van de modaliteiten ervan en een loutere verwijzing naar de overgelegde bescheiden en mondelinge toelichtingen zonder vermelding van concrete elementen volstaan niet.

6. Het middel preciseert niet hoe en waardoor het arrest de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt.

Het middel is bij gebrek aan nauwkeurigheid in zoverre niet ontvankelijk.

7. In zoverre het middel ervan uitgaat dat aan de eisers I geen bij de visitatiemachtigingen horende bescheiden werden meegedeeld en zij die op geen enkele manier uit het strafdossier konden afleiden, is het afgeleid uit de vergeefs met het eerste middel aangevoerde onwettigheid en bijgevolg niet ontvankelijk.

8. Uit het arrest nr. 10/2011 van 27 januari 2011 van het Grondwettelijk Hof volgt dat de door de artikelen 197 en 198, § 3, AWDA bedoelde machtiging tot visitatie van huizen, erven en panden van particulieren uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd.

Aan die vereiste is voldaan indien de machtiging, die door haar aard uitsluitend betrekking kan hebben op douane- en accijnsaangelegenheden en bijgevolg steeds een beperkt karakter heeft, vermeldt in het kader van welk onderzoek, voor welke woning en aan welke persoon of personen ze wordt verleend, evenals op een wijze die beknopt mag zijn de reden waarom ze noodzakelijk is.

9. De rechter in de politierechtbank kan de machtiging tot visitatie motiveren door verwijzing naar en overname van de vermeldingen in de aanvraag tot machtiging of de bijgevoegde stukken.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

10. Na de vaststelling (p. 17) dat de machtigingen van 17 januari 2007 en 2 oktober 2007 onder meer verwijzen naar de overgelegde bescheiden, oordeelt het arrest (p. 19 en 22) dat:

- uit het samenlezen van de vermeldingen van de aanvragen tot machtiging en deze van de machtigingen zelf, waarin uitdrukkelijk naar deze schriftelijke aanvragen wordt verwezen, blijkt dat deze wel degelijk voorzien in een specifieke opdrachtomschrijving aan de ambtenaren aan wie zij worden verstrekt;

- de verleende machtigingen specifiek zijn, een wel bepaald onderzoek betreffen, een bepaalde woning beogen en alleen gelden voor de personen op wier naam de toestemmingen werden verleend en aan wie een specifieke opdrachtomschrijving werd gegeven;

- de eisers I voor de feitenrechter onder meer omtrent de regelmatigheid van de huisvisitaties tegenspraak hebben kunnen voeren en aldus zowel in rechte als in feite op de regelmatigheid van de beslissingen waarbij de toegang tot de bewoonde lokalen werd toegestaan en van de maatregelen die op grond daarvan zijn genomen, een daadwerkelijke jurisdictionele controle hebben kunnen verkrijgen;

- de eisers I kennis hebben kunnen nemen van en tegenspraak voeren met betrekking tot de desbetreffende stukken en van de in het strafdossier opgenomen processen-verbaal waarin melding wordt gemaakt van de materiële vaststellingen die de bevoegde ambtenaren van douane en accijnzen hebben gedaan naar aanleiding van de desbetreffende visitaties.

Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eisers I en verantwoordt het zijn beslissing naar recht dat de betwiste machtigingen voldoen aan alle ter zake gestelde wettelijke vereisten.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

11. In zoverre het middel betrekking heeft op de mondeling verstrekte toelichtingen is het afgeleid uit de vergeefs met het eerste middel aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

Derde middel

12. Het middel voert schending aan van de artikelen 198, § 3, en 281 AWDA: het arrest oordeelt ten onrechte dat de rechter in de politierechtbank bij het verlenen van visitatiemachtigingen over een opportuniteitscontrole beschikt, terwijl de opportuniteitsbeslissing uitsluitend bij de verweerder als onderzoekende en vervolgende instantie berust; de politierechter heeft als rechter van het onderzoek een louter passieve rol.

13. Artikel 281 AWDA heeft betrekking op het vorderen van de onderzoeksrechter voor misdrijven inzake douane en accijnzen en op de vervolging voor de strafgerechten van dergelijke misdrijven. De bepaling heeft geen betrekking op de opsporing van deze misdrijven door of namens de verweerder.

Het middel dat schending van deze bepaling aanvoert, faalt dan ook in zoverre naar recht.

14. Artikel 198, § 3, AWDA bepaalt dat in de gevallen dat machtiging van de rechter in de politierechtbank wordt vereist, de schriftelijke aanvraag moeten worden gedaan door een ambtenaar van ten minste de graad van controleur en dat de rechter de gevraagde machtiging niet mag weigeren, tenzij op gegronde vermoedens dat zij zonder genoegzame redenen mocht worden gevorderd.

Deze bepaling belet de rechter in de politierechtbank die wordt verzocht om een machtiging te verlenen tot visitatie van huizen, erven en panden van particulieren, niet om in het licht van de hem voorgelegde omstandigheden de noodzakelijkheid te beoordelen van de gevraagde aantasting van het grondwettelijk beginsel van de onschendbaarheid van de woning.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

15. Het arrest (p. 19) oordeelt dat:

- artikel 198, § 3, AWDA niet bepaalt dat de politierechter de gevraagde machtiging hoe dan ook niet kan weigeren, maar wel dat die enkel kan worden geweigerd wanneer er gegronde vermoedens zijn dat ze werd gevorderd zonder genoegzame redenen, hetgeen aan de politierechter meer dan een louter passieve rol toekent en een aan de huisvisitatie voorafgaande rechterlijke toetsing impliceert;

- het verlenen van de machtiging impliciet maar zeker een uit de rechterlijke toetsing voortvloeiende beoordeling inhoudt dat er geen gegronde redenen zijn dat machtiging zonder genoegzame redenen werd gevorderd;

- de politierechter aldus niet alleen de rechtmatigheid maar ook, minstens impliciet, de opportuniteit van de gevraagde onderzoeksmaatregel beoordeelt.

Aldus verantwoordt het arrest zijn beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 246,87 euro waarvan de eisers I 123,43 euro verschuldigd zijn en de eisers II 123,44 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 27 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Machtiging tot visitatie

  • Motivering door de rechter in de politierechtbank