- Arrest van 3 april 2012

03/04/2012 - P.12.0533.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een officieel bericht in de zin van artikel 7, § 2, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is een bericht waarbij de vreemde overheid een op haar grondgebied gepleegd strafbaar feit bij de Belgische overheid aanklaagt, opdat die in de mogelijkheid zou zijn voor dat feit de strafvervolging in te stellen; met een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf geeft de uitvaardigende rechterlijke autoriteit niet te kennen de strafvervolging te willen overlaten aan de uitvoerende autoriteit, zodat een Europees aanhoudingsbevel dan ook geen officieel bericht is in de zin van artikel 7, § 2, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering (1). (1) Cass. 11 mei 2004, AR P.04.0660.N, AC 2004, nr. 252 met concl. O.M.; Cass. 27 mei 2008, AR P.08.0783.N, AC 2008, nr. 322.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0533.N

P D,

persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd,

eiser,

met als raadsman mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 maart 2012, gewezen na verwijzing bij arrest van het Hof van 2 november 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 7 Voorafgaande Titel Wetboek Strafvordering, artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: bij het onderzoek van de toepassingsvoorwaarde van artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel dat de Belgische gerechten bevoegd moeten zijn, oordeelt het arrest onterecht dat er geen vordering van het openbaar ministerie is en evenmin een voorafgaande klacht van de benadeelde of zijn familie dan wel een officieel bericht door de overheid van het land waar het misdrijf is gepleegd aan België; het arrest interpreteert artikel 7, § 2, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering zodanig dat artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bij een overlevering met het oog op strafuitvoering niet kan worden toegepast; de vordering van het openbaar ministerie van 24 mei 2011 aan de onderzoeksrechter moet worden gezien als een vordering van het openbaar ministerie in de zin van artikel 7, § 2, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; het Europees aanhoudingsbevel zelf moet in het kader van de Wet Europees Aanhoudingsbevel worden beschouwd als een officieel bericht aan de Belgische overheid in de zin van artikel 7, § 2, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; door anders te oordelen, miskent het arrest de bewijskracht van de vordering van het openbaar ministerie van 24 mei 2011 en van het Europees aanhoudingsbevel.

2. Het arrest verwijst bij de beoordeling of voldaan is aan de voorwaarde dat de Belgische gerechten bevoegd zijn niet naar de vordering van het openbaar ministerie van 24 mei 2011. Het kan dan ook de bewijskracht van die vordering niet miskennen.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

3. Artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd ingeval de strafvordering is verjaard en de Belgische gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van de feiten.

4. De beoordeling of de Belgische gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van de feiten, geschiedt ongeacht of het Europees aanhoudingsbevel strekt tot de instelling van de strafvordering dan wel of het strekt tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of veiligheidsmaatregel.

Het middel dat uitgaat van de verkeerde rechtsopvatting dat die beoordeling anders moet gebeuren indien het Europees aanhoudingsbevel strekt tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf, faalt in zoverre naar recht.

5. Artikel 7, § 1, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat iedere Belg of persoon met hoofdverblijfplaats in het Rijk die zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt aan een feit dat door de Belgische wet misdaad of wanbedrijf wordt genoemd, in België kan worden vervolgd indien op het feit straf is gesteld door de wet van het land waar het is gepleegd.

Artikel 7, § 2, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien het misdrijf is gepleegd tegen een vreemdeling, de vervolging slechts kan plaatshebben op vordering van het openbaar ministerie en bovendien moet worden voorafgegaan door een klacht van de benadeelde vreemdeling of van zijn familie ofwel door een officieel bericht, aan de Belgische overheid gegeven door de overheid van het land waar het misdrijf is gepleegd.

6. Een vordering van het openbaar ministerie in de zin van artikel 7, § 2, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is een vordering die strekt tot vervolging voor de Belgische gerechten wegens een buiten het grondgebied van het Rijk tegen een vreemdeling gepleegde misdaad of wanbedrijf.

De vordering aan de onderzoeksrechter door het openbaar ministerie om met betrekking tot een persoon die het voorwerp uitmaakt van een Europees aanhoudingsbevel een door artikel 11 Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde beschikking te verlenen, is niet een dergelijke vordering.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

7. Een officieel bericht in de zin van artikel 7, § 2, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is een bericht waarbij de vreemde overheid een op haar grondgebied gepleegd strafbaar feit bij de Belgische overheid aanklaagt, opdat die in de mogelijkheid zou zijn voor dat feit de strafvervolging in te stellen.

Met een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf geeft de uitvaardigende rechterlijke autoriteit niet te kennen de strafvervolging te willen overlaten aan de uitvoerende autoriteit. Een Europees aanhoudingsbevel is dan ook geen officieel bericht in de zin van artikel 7, § 2, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 82,20 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 3 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Misdrijf in het buitenland gepleegd

  • Misdrijf gepleegd tegen een vreemdeling

  • Voorafgaand officieel bericht