- Arrest van 13 april 2012

13/04/2012 - F.09.0056.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De beslissing is naar recht verantwoord wanneer zij oordeelt dat een btw-plichtige die de nietigverklaring van een proces-verbaal dat geldboetes oplegt vordert zonder dat hij de betekening van een dwangbevel afwacht een reeds verkregen en dadelijk belang heeft van zodra zijn opmerkingen over dat proces-verbaal verworpen zijn en zijn dossier is overgedragen aan de chef van het controlekantoor van de btw opdat deze de verschuldigde geldboetes kan vaststellen (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2012 nr. ***.


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.09.0056.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

tegen

CAMPENAIRE bvba,

Mr. Olivier D'Aout, advocaat bij de balie van Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 3 maart 2006.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 16 maart 2012 ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 2, 8, 9, 17, 18, 569, eerste lid, 32°, en 632 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 59, § 1, 83, § 1, 84, inzonderheid eerste lid, 85, 89, inzonderheid tweede lid, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;

- de artikelen 144, 145 en 172 van de Grondwet;

- artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831;

- algemeen bestuursrechtelijk beginsel van de continuïteit van de diensten dat de erkenning impliceert van het beginsel van de uitvoerbaarheid van de administratieve beslissing;

- de artikelen 1318, 1319 en 1320 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest bevestigt het beroepen vonnis, verklaart de oorspronkelijke vordering die de verweerster bij dagvaarding van 8 oktober 2002 had ingesteld ontvankelijk en ten dele gegrond en slaat de appelkosten om, dit op grond van de onderstaande redenen:

"(Artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek), aangevuld door artikel 632 van dat wetboek, bepaalt dat ieder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet ter kennisneming staat van de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd of, indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen; aangezien de rechtbank zodoende bevoegd is om kennis te nemen van ieder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet, zou (de eiser) die bevoegdheid in btw-zaken ten onrechte willen beperken tot uitsluitend de gevallen waar een dwangbevel werd uitgevaardigd; uit geen enkele tekst kan opgemaakt worden dat de bevoegdheid van de rechtbanken van de rechterlijke orde in dat soort zaken beperkt zou zijn tot de handelingen van de administratie die, vóór de wetten van maart 1999 waarbij de fiscale rechtspleging werd gewijzigd, door de Raad van State nietig verklaard konden worden; (de eiser) voert eveneens ten onrechte aan dat het belang om in rechte op te treden, in de zin van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, volgens de parlementaire voorbereiding van die wetten van maart 1999, ‘een aanslag' impliceert die ‘ten onrechte vastgesteld en uitvoerbaar verklaard werd' door het kohier inzake directe belastingen of door het dwangbevel inzake de btw; wel integendeel, de memorie van toelichting vermeldt, als voorbeeld van de nieuwe bevoegdheden van de rechtbank van eerste aanleg, een reeks geschillen met de belastingadministratie die ontstaan vóór elke inkohiering, zoals de weigering om een bijkomende termijn toe te kennen voor de indiening van de aangifte (...); in deze zaak spreekt het van zelf dat (de verweerster), zodra haar opmerkingen over de processen-verbaal die in boetes voorzagen, waren verworpen en het dossier was overgedragen ‘aan de chef (van het) controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde zodat hij de verschuldigde boetes kon vastleggen', een reeds verkregen en dadelijk belang had om die processen-verbaal nietig te doen verklaren en zij niet hoefde te wachten tot haar een dwangbevel werd betekend".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek, samen gelezen met artikel 632 van dat wetboek kent enkele rechtbanken van eerste aanleg weliswaar de bevoegdheid toe om kennis te nemen van "geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet", met name inzake sommige individuele rechtshandelingen die voordien tot de bevoegdheid van de Raad van Stat behoorden en, voor het overige en inzonderheid, inzake directe belastingen, voor alle beroepen tegen de beslissingen van de gewestelijke directeurs die geen enkele rechtsprekende functie meer uitoefenen.

Niettemin heeft de wet het begrip "geschil betreffende de toepassing van een belastingwet" uitsluitend gebruikt als "bevoegdheidscriterium"; voor het overige kan een beroep slechts rechtsgeldig bij de rechtbanken van de rechterlijke orde worden ingesteld en tot hun rechtsmacht behoren in zoverre het voor de rechtbank kan worden gebracht en de eiser een reeds verkregen en dadelijk belang heeft om terstond op te treden, wat impliceert dat de aanslag ten onrechte vastgesteld en uitvoerbaar verklaard werd of dat de rechtsvordering strekt tot de teruggave van een onverschuldigd betaalde belasting.

De rechtbank van eerste aanleg kan slechts kennisnemen van een door een belastingplichtige ingestelde vordering, in zoverre zij betrekking heeft op een belastingschuld die blijkt uit een dwangbevel dat aan de belastingschuldige betekend of ter kennis werd gebracht; daarbij moet de belastingschuld die voor de rechtbank van de rechterlijke orde wordt betwist, ten onrechte vastgesteld en uitvoerbaar verklaard zijn. Welnu, inzake btw vormt enkel en alleen het dwangbevel een uitvoerbare administratieve titel die de administratie aan zichzelf kan uitreiken en de eerste akte om de invordering te vervolgen van de belasting, de interest, de fiscale geldboetes en de bijkomende sommen. Het staat gelijk met het kohier inzake directe belastingen.

Hoe dan ook heeft de rechtbank van eerste aanleg bovendien enkel "bevoegdheid", of beter gezegd, rechtsmacht voor geschillen die, inzake btw, betrekking hebben op een uitvoerbaar verklaard dwangbevel, ongeacht of die geschillen gaan over het beginsel zelf van de belasting, de belastbare grondslag, de voorwaarden voor de vaststelling ervan, de geldigheid van de bewijzen over het bestaan en de omvang van de belasting, of de bijkomende sommen, zoals interesten, boetes en kosten.

Daaruit volgt dat het arrest dat, hoewel niet betwist werd dat verweersters rechtsvordering geen betrekking had op een betwisting van een uitvoerbaar verklaard dwangbevel, maar wel op de geldigheid van de voorafgaande processen-verbaal, die geen titel vormen die de belastingschuld vaststelt en uitvoerbaar verklaart, beslist dat de rechtbank van eerste aanleg te Bergen, die bevoegd is inzake geschillen over de toepassing van een belastingwet, rechtsgeldig had kennisgenomen van de door de verweerster ingestelde rechtsvordering, ook al was er toen geen enkel dwangbevel uitgevaardigd op grond van die processen-verbaal, de artikelen 144 en 145 van de Grondwet schendt doordat het de rechtbanken van de gerechtelijke orde een rechtsmacht toekent waarover ze niet beschikken en tevens de artikelen, 8, 9, 569, eerste lid, 32°, en 632 van het Gerechtelijk Wetboek schendt doordat het volstrekte bevoegdheid en de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken met elkaar verwart.

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 59, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, naar luid waarvan iedere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van dat Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie kunnen worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de (bevoegde) ambtenaren, en de processen-verbaal bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen, vormen de door de bevoegde ambtenaren opgestelde processen-verbaal een bewijsmiddel - naast andere - van de belasting of van de geldboetes, maar zijn ze geenszins een titel die een belasting vaststelt waarvan de invordering, zodoende, kan worden vervolgd, aangezien enkel het in artikel 85, § 1, van dat wetboek bedoelde dwangbevel de uitvoerbare administratieve titel, het kohier en de eerste akte van vervolging vormt: het legt de belastingschuld vast en vormt de wettelijke titel voor de inning van de belasting die de administratie aan zichzelf uitreikt krachtens het beginsel van de dwingende kracht van de administratieve rechtshandeling.

De processen-verbaal die worden opgesteld door de ambtenaren van de opsporingsdirecties stellen de belasting niet vast. Krachtens artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 keuren de minister van Financiën of de personen die hij daartoe machtigt de in artikel 59, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde processen-verbaal goed, stellen zij de belasting vast en beslissen zij of een geldboete wordt opgelegd en eventueel wordt teruggegeven op grond van de in de processen-verbaal vervatte vaststellingen; bovendien kan enkel de wet de teruggave van een belasting, in de ruime zin, toestaan overeenkomstig artikel 172 van de Grondwet.

Die processen-verbaal vormen geen uitvoerbare titel van een ten onrechte vastgestelde heffing waartegen krachtens de artikelen 569, eerste lid, en 632 van het Gerechtelijk Wetboek, beroep kan worden ingesteld voor de bevoegde rechtbank; de ontvankelijkheid van een vordering wordt beoordeeld op de dag waarop de zaak bij de rechtbank wordt ingesteld; inzake btw vormt enkel het dwangbevel een individuele fiscale rechtshandeling waartegen voor de rechtbanken van de rechterlijke orde beroep kan worden ingesteld overeenkomstig artikel 89 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde; de processen-verbaal van vaststelling vormen immers, op zich, geen dergelijke handelingen en ze kunnen geen aanleiding geven tot een geschil over "burgerlijke" zaken in de zin van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, laat staan in belastingzaken wanneer er geen dwangbevel is uitgevaardigd.

Dit geldt zowel voor de processen-verbaal die het aan de belastingplichtige ten laste gelegde misdrijf vaststellen, als voor die waarbij, nadien, de voor die materie bevoegde ambtenaar het bedrag raamt van de belasting of van de geldboetes. Doordat ze vervolgens bij het dwangbevel worden gevoegd, vormen ze daarvan het onontbeerlijke maar niet ervan los staand bijvoegsel, aangezien noch de ene, noch de andere de individuele fiscale rechtshandeling vormen die de belasting vaststellen en ze op zich niet het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep voor de rechtbank.

Daaruit volgt dat het arrest, dat beslist dat de rechtsvordering die strekte tot de nietigverklaring van de voorafgaande processen-verbaal, en die werd ingesteld zonder dat er een dwangbevel ter kennis werd gebracht, niettemin ontvankelijk is en behoort tot de bevoegdheid van de rechtbank in fiscale zaken, de artikelen 59, § 1, 85 en 89, inzonderheid tweede lid, [van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde], 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831, 144, 145 en 172 van de Grondwet, en de artikelen 8, 9, 569, eerste lid, 32°, en 632 van het Gerechtelijk Wetboek schendt.

(...)

Vierde onderdeel

In belastingzaken moet het persoonlijk, reeds verkregen en dadelijk belang dat de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek vereisen opdat de rechtsvordering, die noodzakelijkerwijs door de belastingschuldige moet worden ingesteld, ontvankelijk kan worden verklaard, betrekking hebben op een geschil over een aanslag die ten onrechte vastgesteld en uitvoerbaar is verklaard, wat noodzakelijkerwijs impliceert dat de belasting werd ingekohierd.

Wat meer bepaald de btw betreft, moet de belastingadministratie zo spoedig mogelijk een dwangbevel uitvaardigen, daar de belastingplichtige pas door de betekening of de kennisgeving van dat dwangbevel zijn betwistingen aan de rechter kan voorleggen; zolang het dwangbevel niet uitgevaardigd en ter kennis gebracht (of betekend) werd, kan de belastingschuldige onmogelijk in rechte de eisbaarheid betwisten van de bedragen die hij, volgens de administratie, verschuldigd is; het geschil kan immers enkel strekken tot de nietigverklaring van de uitvoerbare titel van de individuele schuld die uitsluitend door het dwangbevel wordt belichaamd.

Wanneer er geen dwangbevel voorhanden is, heeft de belastingschuldige geen reeds verkregen en dadelijk belang om de processen-verbaal te betwisten die werden opgemaakt krachtens artikel 59, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, omdat die processen-verbaal, die opgesteld zijn door ambtenaren die niet bevoegd zijn om de belastingschuld vast te stellen, deze uitvoerbaar te verklaren, de geldboetes te bepalen en ze te verminderen - enkel de minister van Financiën of degenen die hij daartoe machtigt zijn daartoe bevoegd op grond van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 - de belasting of de geldboetes niet vastleggen en niet de akte zijn waarin de beslissing van de administratie vervat is om een dwangbevel uit te vaardigen bij ontstentenis van vrijwillige betaling, aangezien enkel uit de kennisgeving van het dwangbevel blijkt dat de fiscus werkelijk van plan is om de schuldvordering van de schatkist te recupereren.

In tegenstelling tot het dwangbevel, bevat het voorafgaande proces-verbaal geen enkele ingebrekestelling van de schuldenaar en vormt het geen titel die de fiscus de mogelijkheid biedt bewarende of uitvoerbare maatregelen te nemen ten nadele van de belastingschuldige. Het veroorzaakt dus geen nadeel en de belastingplichtige kan er geen onmiddellijk beroep tegen instellen, omdat hij geen reeds verkregen en dadelijk belang heeft, aangezien de kennisgeving van de processen-verbaal geen "geschil" tussen laatstgenoemde en de administratie kan doet ontstaan. Zolang de aanspraken van de fiscus niet daadwerkelijk in een dwangbevel zijn vastgelegd, kan er immers geen sprake zijn van "moeilijkheden" inzake de heffing van de rechten, geldboetes, interesten en bijkomende sommen in de zin van artikel 84 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde; die moeilijkheden kunnen weliswaar aanleiding geven tot een administratief beroep, maar het zijn geen geschillen over een ten onrechte vastgelegde en uitvoerbaar verklaarde belasting.

Daaruit volgt dat het arrest, dat met bevestiging van het beroepen vonnis en om de in het middel vermelde redenen, zegt dat de verweerster een reeds verkregen en dadelijk belang heeft om nog vóór de kennisgeving van enig dwangbevel de nietigverklaring te vorderen van de voorafgaande processen-verbaal, zodat haar vordering ontvankelijk is, die beslissing niet naar recht verantwoordt en de artikelen 17, 18 van het Gerechtelijk Wetboek, 59, § 1, 83, § 1, 84, 85, 89, inzonderheid tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 schendt.

Vijfde onderdeel

De belastingadministratie geniet het voorrecht van de uitvoerbaarheid van de administratieve beslissing. Krachtens dat beginsel mag zij zichzelf een titel uitreiken die haar de mogelijkheid biedt om, aangezien zij bovendien het voorrecht van de "ambtshalve uitvoering" geniet, de invordering van de belastingschuld te vervolgen. Alleen het dwangbevel kan als een dergelijke titel worden aangemerkt.

De belastingplichtige kan pas vanaf het tijdstip waarop het dwangbevel hem betekend of ter kennis gebracht werd de geldigheid of het bedrag betwisten van de belasting en van de bijkomende sommen die daadwerkelijk blijken uit de titel die de fiscus aan zichzelf heeft uitgereikt.

Als de belastingschuldige zou worden toegestaan dat hij een vordering instelt om een proces-verbaal van vaststelling nietig te doen verklaren, terwijl hem nog geen enkel dwangbevel betekend of ter kennis werd gebracht, zou hij hierdoor het recht krijgen om de administratie te beletten aan zichzelf een uitvoerbare titel uit te reiken die het enige stuk is dat de in artikel 85, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde rechtsgevolgen heeft.

Daaruit volgt dat het arrest, dat beslist dat de belastingplichtige gerechtigd is de nietigverklaring te vorderen van een voorafgaand proces-verbaal inzake btw, ook al werd hem voorafgaandelijk geen enkel dwangbevel betekend of ter kennis gebracht, de artikelen 59, § 1, 84, 85, § 2, 89 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde schendt en het bestuursrechtelijk beginsel van de continuïteit van de diensten miskent dat aan de belastingadministratie het voorrecht van uitvoerbaarheid van haar beslissingen toekent.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1385undecies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 83, § 1, 84, 85 en 89 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;

- de artikelen 202/4, 202/5 en 202/6 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, vóór de opheffing ervan door de wet van 19 december 2006;

- de artikelen 219, eerste en tweede lid, 220 en 221 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten;

- de artikelen 63 en 64 van de wet van 22 frimaire van het jaar VII;

- artikel 9 van het organiek Regentsbesluit van het bestuur van 's lands middelen van 8 [lees: 18] maart 1831;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest bevestigt het beroepen vonnis, verklaart verweersters oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond in zoverre deze strekte tot nietigverklaring van de processen-verbaal van 14 en 16 januari 2002, en slaat de appelkosten om, dit op grond van de onderstaande redenen:

"Tot slot dient geen toepassing gemaakt te worden van artikel 1385undecies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; (...) hoewel artikel 84 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat moeilijkheden inzake de heffing van de belasting die vóór het inleiden van een rechtsgeding kunnen ontstaan, worden opgelost door de Minister van Financiën, gaat het niet om een beroep dat wordt georganiseerd door of krachtens de wet, aangezien met name geen enkele termijn om het in te stellen en geen enkel vormvereiste wordt opgelegd (...); bovendien heeft het geschil geen betrekking op ‘de heffing van de belasting' maar op de gegrondheid van de fiscale geldboetes die de administratie wil opleggen".

Grieven

Eerste onderdeel

Inzake btw bestaat er een voorafgaand administratief beroep dat ingevoerd werd door artikel 84 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en teruggaat op artikel 63 van de wet van 22 frimaire jaar VII, die niet uitdrukkelijk is opgeheven. Artikel 84 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde gaat bovendien terug op artikel 202/4 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen: het organiseert dus een voorafgaand administratief beroep inzake btw.

In het publiek recht echter, en in tegenstelling tot wat het arrest staande houdt, is het voldoende dat de wet voorziet in een administratief beroep om te spreken van een door of krachtens de wet "georganiseerd beroep"; daarbij maakt het niet uit of dat beroep verplicht dan wel facultatief is; een beroep wordt immers "door of krachtens de wet" georganiseerd, zodra het in de wet, zonder andere voorwaarden, is vastgelegd.

In tegenstelling tot wat het arrest staande houdt, organiseert artikel 84 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde een voorafgaand administratief beroep zolang er geen dwangbevel werd uitgevaardigd en aan de belastingplichtige ter kennis werd gebracht.

Voor het overige verleent dezelfde bepaling de fiscus het recht om de moeilijkheden inzake de heffing van de belasting te beslechten. Dat volgt noodzakelijkerwijs uit artikel 202/4 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen dat doelt op de "administratieve gedingen". Volgens laatstgenoemde bepaling wordt de invordering van de taksen vervolgd en worden de rechtsvorderingen ingesteld en berecht zoals in registratiezaken, dit wil zeggen overeenkomstig artikel 219, eerste en tweede lid, van het Wetboek van registratie , hypotheek- en griffierechten.

Hoewel voorts, krachtens artikel 172, tweede lid, van de Grondwet, geen vermindering van belasting kan worden toegekend behalve indien de wet daarin voorziet, is dat uiteraard niet het geval met betrekking tot fiscale geldboetes die kunnen worden opgelegd en eventueel verminderd door de minister van Financiën, en door hem alleen, ofwel door de ambtenaren die hij daartoe uitdrukkelijk machtigt, en zulks krachtens artikel 9 van het Regentsbesluit nr. 78 van 8 maart 1831. Artikel 84 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in samenhang gelezen met dat artikel, vormt een bepaling inzake de heffing van de belasting.

In tegenstelling tot wat het arrest beslist, organiseert artikel 84 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in samenhang gelezen met de artikelen 83, § 1, 85 en 89 van dat wetboek een administratief beroep voor alles wat aan het dwangbevel voorafgaat. De belastingplichtige moet daarvoor dat beroep instellen zonder dat hij een rechtsvordering bij de rechterlijke macht mag instellen, zolang er geen dwangbevel in de zin van artikel 85 van dat wetboek werd uitgevaardigd en hem werd betekend; aangezien de belastingplichtige, voor alle andere akten dan het dwangbevel, die procedure moet volgen, moet hij, hoe dan ook, op straffe van niet-ontvankelijkheid, zijn beroep instellen binnen de termijn van drie maanden, als bedoeld in artikel 1385undecies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Zoals het arrest toegeeft, heeft de verweerster dat niet gedaan.

Anderzijds heeft het arrest evenmin naar recht kunnen beslissen dat het beroep van de verweerster ontvankelijk was, aangezien die vordering was ingesteld tegen processen-verbaal die, doordat ze enkel het bestaan van misdrijven vaststellen en de belasting of de geldboetes berekenen, geen aanleiding hadden gegeven tot enig dwangbevel, dat de enige akte is die vatbaar is voor een beroep voor de rechtbanken van de rechterlijke orde, overeenkomstig de artikelen 85 en 89 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, die verwijzen naar de artikelen 202/5 en 202/6 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen naar luid waarvan "de eerste akte van vervolging ter invordering van fiscale rechten of boeten en bijkomende sommen een dwangschrift is" en "de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding".

Die bepalingen zijn ingegeven door de artikelen 219, 220 en 221 van het Wetboek der registratierechten waarnaar ze uitdrukkelijk verwezen vóór de wijziging ervan bij artikel 8 van de wet van 13 juni 1951 tot wijziging van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, die zelf hun oorsprong vonden in artikel 64, eerste lid, van de wet op de registratie van 22 frimaire jaar VII, die niet uitdrukkelijk opgeheven is, en op grond waarvan de schuldenaar het recht niet had zijn geschil voor de rechtbanken te brengen zolang er geen dwangbevel was uitgevaardigd en betekend.

Dat geldt thans ook voor de betwistingen van de belastingen en de fiscale geldboetes die inzake btw betaald moeten worden, wat impliceert dat de schuldenaar zijn vordering slechts tegen een betekend of ter kennis gebracht dwangbevel kan instellen.

Het arrest dat, met bevestiging van het beroepen vonnis, en om de in het middel weergegeven redenen het tegenovergestelde beslist en verweersters vordering ontvankelijk verklaart, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht en schendt alle in het middel vermelde bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet.

Tweede onderdeel

In zijn appelconclusie had de eiser het volgende aangevoerd:

"Een meerderheid van de commentatoren over de wetten van maart 1999 tot hervorming van de fiscale rechtspleging is van mening dat, wanneer een fiscale bepaling een facultatief administratief beroep invoert, zonder dat het daarom formeel is georganiseerd door of krachtens de bewuste bepaling (er wordt geen enkele beroepstermijn bepaald, geen enkel vormvereiste wordt opgelegd, enz.), de geschillen over die fiscale bepaling voor de rechtbank van eerste aanleg vereisen dat de eiser op grond van die bepaling zijn administratief beroep vooraf heeft ingesteld, met inachtneming van de in het nieuwe artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde procedure en dat uitsluitend in de gevallen waarin geen administratief beroep door of krachtens een bepaling van de belastingwet is ingevoerd, een rechtsvordering rechtstreeks voor de rechtbank van eerste aanleg zou kunnen worden ingesteld.

Het facultatief beroep inzake btw waarin artikel 85 [lees 84] van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde voorziet, is een beroep dat wordt georganiseerd door een fiscale bepaling zonder dat het daarom formeel door of krachtens die bepaling is georganiseerd.

Een bepaalde strekking in de rechtspraak is van mening dat het administratief beroep inzake btw onderworpen is aan de termijn van drie maanden waarin artikel 1385undecies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet.

Wanneer de belastingplichtige gebruikt heeft gemaakt van de mogelijkheid om administratief beroep in te stellen, alvorens een rechtsgeding in te leiden, valt hij door dat gebruik, volgens de rechtsleer en de rechtspraak, onder de termijn van drie maanden, als bedoeld in artikel 1385undecies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

(De verweerster) heeft op 27 februari 2002 een verzoekschrift gericht aan de opsporingsdienst te Bergen; de hoofdinspecteur, hoofd van dienst, heeft dat verzoek verworpen in zijn met redenen omkleed antwoord van 11 maart 2002 en (de verweerster) heeft die ambtenaar op 8 oktober 2002 voor de eerste rechter gedagvaard.

Hoewel moet worden gesteld dat die rechtsvordering niet ontvankelijk is omdat zij niet is ingesteld tegen een dwangbevel, had (de verweerster) haar rechtsvordering, volgens de rechtspraak en rechtsleer, moeten instellen binnen drie maanden na het versturen van de brief die haar beroep verwierp, zulks op straffe van verval.

(Verweersters) dagvaarding werd ruim buiten de voormelde termijn van drie maanden betekend.

De bewuste termijn van drie maanden is een vooraf bepaalde termijn die door de partijen niet kan worden ingekort of verlengd, hij verstrijkt van rechtswege zelfs tegen de wil van de partijen in en hunnerzijde kunnen zij van die termijn geen afstand doen omdat hij van openbare orde is.

Wanneer de in artikel 1385undecies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijn van drie maanden niet in acht wordt genomen, wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Uitgaande van deze studie in rechtspraak en rechtsleer, moet worden aangenomen dat verweersters vordering die buiten de wettelijke termijn van drie maanden werd ingesteld, dus niet-ontvankelijk verklaard moet worden".

Het arrest antwoordt met geen enkele overweging, inzonderheid de in het middel weergegeven redenen, noch met de overwegingen naar luid waarvan het de op artikel 1385undecies, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek gebaseerde exceptie van nietigheid van de gedinginleidende dagvaarding verwierp, op het omstandige verweer van de eiser dat gebaseerd is op artikel 1385undecies, tweede lid, van dat wetboek en waarin hij aanvoerde dat de rechtsvordering van de verweerster laattijdig was omdat ze was ingesteld buiten de in die bepaling bedoelde termijn.

Het arrest is dus niet regelmatig met redenen omkleed en schendt artikel 149 van de Grondwet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste middel

Eerste en tweede onderdeel samen

Artikel 59, § 1, Btw-wetboek bepaalt dat iedere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van dat wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie kunnen worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de Federale Overheidsdienst Financiën, en dat de processen-verbaal bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen.

Wanneer een belastingschuldige een op grond van die bepaling door de administratie opgesteld proces-verbaal betwist, ontstaat er tussen eerstgenoemde en die administratie een geschil over de toepassing Btw-wetboek.

Krachtens artikel 569, eerste lid, 32°, Gerechtelijk Wetboek, luidens hetwelk de rechtbank van eerste aanleg kennisneemt van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, valt dat geschil onder de materiële bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg en, bijgevolg, onder de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken.

De onderdelen die staande houden dat die rechtbank slechts mag kennisnemen van geschillen over uitvoerbaar verklaarde dwangbevelen of van vorderingen tot teruggave van een onverschuldigd betaalde belasting, faalt naar recht.

(...)

Vierde onderdeel

Krachtens artikel 17 Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

Volgens artikel 18 van dat wetboek moet het belang een reeds verkregen en dadelijk belang zijn en kan de rechtsvordering worden toegelaten, indien zij, zelfs tot verkrijging van een verklaring van recht, is ingesteld om schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen.

Het arrest overweegt dat "de memorie van toelichting [van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken die de artikelen 569, eerste lid, en 632 van het Gerechtelijk Wetboek heeft gewijzigd] vermeldt, als voorbeeld van de nieuwe bevoegdheden van de rechtbank van eerste aanleg, een reeks geschillen met de belastingadministratie die ontstaan zijn vóór elke inkohiering, zoals de weigering om een bijkomende termijn toe te kennen voor de indiening van de aangifte", en dat het "in deze zaak (...) van zelf spreekt dat (de verweerster), zodra haar opmerkingen op de processen-verbaal die in boetes voorzagen, waren verworpen en het dossier was overgedragen ‘aan de chef van het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde zodat hij de verschuldigde boetes kon vastleggen', een reeds verkregen en dadelijk belang had om die processen-verbaal nietig te doen verklaren en zij niet hoefde te wachten tot haar een dwangbevel werd betekend".

Aldus schendt het arrest noch de voormelde artikelen 17 en 18 noch enige andere in dit onderdeel vermelde wettelijke bepaling.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vijfde onderdeel

Het arrest overweegt dat, door het feit dat de eerste rechter verweersters vordering ontvankelijk heeft verklaard, "het voorrecht dat de administratie geniet, niet werd belemmerd" en dat "zij voor het overige de procedure heeft voortgezet door ten laste van [de verweerster] twee dwangbevelen uit te vaardigen, met de daaraan verbonden rechtsgevolgen".

Met die overwegingen schendt het arrest niet de in het onderdeel vermelde wettelijke bepalingen en miskent het evenmin het daarin vermelde algemeen rechtsbeginsel betreffende de continuïteit van de openbare dienst.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

Artikel 1385undecies Gerechtelijk Wetboek bepaalt, in het eerste lid, dat, tegen de belastingadministratie de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts wordt toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld, en, in het tweede lid, dat de vordering ingesteld wordt ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dit beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal.

Overeenkomstig artikel 84, eerste en tweede lid, Btw-wetboek worden moeilijkheden inzake de heffing van de belasting die vóór het inleiden van een rechtsgeding ontstaan, opgelost door de minister van Financiën en treft hij met de belastingschuldigen dadingen, voor zover deze niet leiden tot vrijstelling of vermindering van belasting.

Laatstgenoemde bepaling verplicht de belastingschuldige die de toepassing van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betwist, niet de daarin bedoelde moeilijkheden aan de minister van Financiën voor te leggen en het legt hem geen enkel vormvereiste noch termijn op om dat te doen. Bijgevolg organiseert zij geen voorafgaand administratief beroep in de zin van het voormelde artikel 1385undecies.

Een dergelijk beroep wordt evenmin krachtens artikel 84 georganiseerd.

Het onderdeel dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

Het arrest vermeldt dat "er hier geen toepassing dient te worden gemaakt van artikel 1385undecies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek", aangezien het in artikel 84 Btw-wetboek bedoelde beroep geen beroep is dat door of krachtens de wet wordt georganiseerd en dat "het geschil (bovendien) geen betrekking (heeft) op ‘de heffing van de belasting' maar op de gegrondheid van de fiscale geldboetes die de administratie wil opleggen".

Het arrest diende niet te antwoorden op de conclusie van de eiser die staande hield dat verweersters vordering niet ontvankelijk was omdat ze overeenkomstig artikel 1385undecies, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek te laat was ingesteld; het middel had immers niet langer belang wegens de beslissing van het arrest om geen toepassing te maken van artikel 1385undecies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu,

Martine Regout en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 13 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De

Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Rechtsvordering

  • Belastingzaken

  • B.T.W.

  • Geldboetes

  • Proces-verbaal

  • Vordering tot nietigverklaring

  • Reeds verkregen en dadelijk belang

  • Ontvankelijkheid