- Arrest van 17 april 2012

17/04/2012 - P.11.2059.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Conclusie van advocaat-generaal Duinslaeger.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.2059.N

I

D R L V P,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel.

II

1. J M M G,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Jan Van Eeckhaut, advocaat bij de balie te Gent,

2. M J M F

inverdenkinggestelde,

eiser.

III

1. B A F C V U,

inverdenkinggestelde,

2. ERNST & YOUNG BEDRIJFSREVISOREN cvba, met zetel te 1831 Diegem, De Kleetlaan 2,

inverdenkinggestelde,

3. ERNST & YOUNG FIDUCIAIRE cvba, met zetel te1831 Diegem, De Kleetlaan 2,

inverdenkinggestelde,

4. ERNST & YOUNG TAX CONSULTANTS cvba, met zetel te 1831 Diegem, De Kleetlaan 2,

inverdenkinggestelde,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eisers woonplaats kiezen.

IV

R B,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadslieden mr. Joke Bleys en mr. Johan Vangenechten, beiden advocaat bij de balie te Antwerpen,

V

1. M P M,

inverdenkinggestelde,

2. CREDIT EUROPEEN sa, thans ING LUXEMBOURG sa, met zetel te 2965 Luxemburg (Groot-Hertogdom Luxemburg), Route d'Esch 52,

inverdenkinggestelde,

eisers,

alle cassatieberoepen tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Nationale Cel Invordering, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 233-245,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 november 2011.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiser II.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser II.2 voert geen middel aan.

De eiser III.1 en de eisers III.2 tot en met III.4 voeren in gelijkluidende memories die aan dit arrest zijn gehecht, telkens drie middelen aan.

De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

De eisers V voeren geen middel aan.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft op 15 maart 2012 een schriftelijke conclusie ter griffie neergelegd.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

Op 20 maart 2007 vordert de procureur des Konings de verwijzing van onder meer de eisers naar de correctionele rechtbank.

De raadkamer oordeelt bij beschikking van 11 juni 2009 dat de zaak niet in staat van wijzen is, zonder daartoe concrete elementen op te geven.

Met kantschrift van 11 juni 2009 vordert de procureur des Konings de onderzoeksrechter de regeling van de rechtspleging te doen voortzetten, waarna partijen terug worden opgeroepen voor de rechtszitting van 16 september 2009.

De raadkamer neemt de zaak op 16 september 2009 in beraad en beveelt bij beschikking van 14 oktober 2009 de heropening van het debat. Tegen die beschikking wordt door onder meer de eisers I, II, III en V hoger beroep aangetekend.

De procureur-generaal vordert op 30 oktober 2009 de kamer van inbeschuldigingstelling om overeenkomstig artikel 136bis Wetboek van Strafvordering de regelmatigheid van de procedure te onderzoeken.

De kamer van inbeschuldigingstelling vernietigt bij arrest van 8 april 2010 de beschikking van de raadkamer van 14 oktober 2009 omdat na de beschikking van 11 juni 2009 de zaak bij afwezigheid van een beschikking tot mededeling door de onderzoeksrechter onregelmatig was aanhangig gemaakt. Het arrest maakt de zaak over aan de procureur des Konings om te handelen als naar recht.

De procureur des Konings maakt bij kantschrift van 18 mei 2010 het dossier terug over aan de onderzoeksrechter. De onderzoeksrechter deelt met een beschikking van 19 mei 2010 het dossier terug mee aan de procureur des Konings, die zijn vordering tot regeling van de rechtspleging van 20 maart 2007 bevestigt en vordert de regeling der rechtspleging te hernemen.

De raadkamer verwijst bij beschikking van 29 juni 2011 onder meer de eisers naar de correctionele rechtbank. Tegen die beschikking komen de eisers in hoger beroep.

Het bestreden arrest verklaart de hogere beroepen onontvankelijk voor zover ze middelen bevatten betreffende de al dan niet aanwezigheid van bezwaren en betreffende het al dan niet in staat zijn als onderdeel van de beoordeling van de bezwaren. Het verklaart de hogere beroepen voor het overige ongegrond en stelt onder meer vast dat de raadkamer wat betreft de beschikking van 29 juni 2011 regelmatig werd gevat en over de rechtsmacht beschikte om de bezwaren te beoordelen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel van de eiser I

1. Het middel voert schending aan van artikel 19 Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de raadkamer met betrekking tot de beroepen beschikking regelmatig werd gevat en zij over de rechtsmacht beschikte om over de bezwaren te oordelen; het weigert dan ook ten onrechte de beroepen beschikking nietig te verklaren; de raadkamer oordeelde op 11 juni 2009 dat de zaak niet in staat van wijzen was, wat geen voorlopige maatregel is in de zin van artikel 19, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, maar de definitieve beslechting van een geschilpunt, namelijk de vaststelling dat het onderzoek niet volledig was, zodat de rechtsmacht van de raadkamer omtrent dit punt was uitgeput; bij afwezigheid van aanvullende onderzoekshandelingen kon de beroepen beschikking van 29 juni 2011 niet terugkomen op de beslissing van 11 juni 2009 omtrent het niet in staat zijn van de zaak; de door het arrest aangehaalde omstandigheden dat een beslissing van het onderzoeksgerecht geen gezag van gewijsde heeft, dat de vaststelling van het niet in staat zijn van de zaak geen definitief einde stelt aan de rechtspleging en dat het openbaar ministerie zijn vordering tot regeling van de rechtspleging heeft gehandhaafd, doen daaraan niets af; evenmin kon het arrest oordelen dat de strafvordering zou kunnen worden belemmerd, aangezien het openbaar ministerie hoger beroep had kunnen aantekenen tegen de beschikking van 11 juni 2009.

2. Artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een vonnis een eindvonnis is in zoverre daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald.

De rechter die door de definitieve beslissing over een geschilpunt zijn rechtsmacht heeft uitgeput en opnieuw over dit geschilpunt beslist, begaat machtsoverschrijding.

Niet het gezag van gewijsde maar de reeds volledig uitgeoefende rechtsmacht belet de rechter opnieuw uitspraak te doen.

3. Wanneer de raadkamer met een niet-bestreden beschikking heeft geoordeeld dat de zaak niet in staat van wijzen is om de rechtspleging te regelen, heeft zij haar rechtsmacht over dit geschilpunt uitgeput. Zij kan op die beslissing niet terugkomen, behoudens het onderzoek werd vervolledigd of ingeval van gewijzigde omstandigheden.

Het enkele gegeven dat het openbaar ministerie zijn initiële vordering tot regeling van de rechtspleging bevestigt of dat de onderzoeksrechter weigert verder te onderzoeken, vormt geen gewijzigde omstandigheid.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan waaronder het arrest, blijkt dat de raadkamer bij beschikking van 11 juni 2009 heeft geoordeeld dat de zaak niet in staat van wijzen was en dat zij bij beschikking van 29 juni 2011 de eisers heeft verwezen naar de correctionele rechtbank zonder dat het dossier vervolledigd was of dat het bestaan van gewijzigde omstandigheden werd vastgesteld.

5. Het arrest oordeelt dat:

- de beschikkingen van de onderzoeksgerechten, wanneer zij oordelen over de regeling van de rechtspleging en a fortiori wanneer zij vaststellen dat de zaak niet in staat van wijzen is, geen gezag van gewijsde hebben;

- een dergelijke beschikking, die in de rechtsleer wordt gecatalogeerd als een voorbereidende beschikking, geen definitief einde maakt aan de rechtspleging en de raadkamer na een nieuwe beschikking tot mededeling opnieuw moet worden gevat voor de definitieve regeling van de rechtspleging en opnieuw uitspraak zal moeten doen over de zaak en zo de mogelijkheid heeft de zaak niet in staat te verklaren hetzij de rechtspleging effectief te regelen;

- na de beschikking van 11 juni 2009 waarbij de zaak niet in staat werd verklaard aan het dossier een nieuw stuk werd toegevoegd, namelijk de schriftelijke vordering van de procureur des Konings waarbij die zijn vordering van 20 maart 2007 integraal heeft bevestigd;

- anders beslissen zou inhouden dat wanneer de procureur des Konings geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de beschikking van niet in staat zijn en de onderzoeksrechter oordeelt geen bijkomende onderzoeksdaden te moeten stellen, de strafvordering definitief geen voortgang zou kunnen vinden;

- de raadkamer geen injuncties of instructies kan geven aan de onderzoeksrechter die niet haar ondergeschikte is;

- door de beschikking tot verwijzing het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces in zijn geheel genomen niet zijn miskend, de eiser zijn middelen heeft kunnen laten gelden bij de regeling van de rechtspleging en er geen redenen zijn om aan te nemen dat hij dat niet meer zou kunnen in de verdere procedure.

Op die gronden kon het arrest niet wettig oordelen dat de raadkamer wat betreft de beroepen beschikking regelmatig werd gevat en over rechtsmacht beschikte om de bezwaren te beoordelen.

Het middel is gegrond.

Eerste middel van de eisers III

6. Dit middel heeft dezelfde strekking als het enig middel van de eiser I.

Het is om de hierboven vermelde redenen eveneens gegrond.

Ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek.

7. Hoewel de beschikking van de raadkamer van 11 juni 2009 de zaak niet in staat van wijzen heeft verklaard, bevestigt het arrest de beroepen beschikking die de eisers II, IV en V naar de correctionele rechtbank verwijst.

8. Om de redenen vermeld als antwoord op het enig middel van de eiser I, is die beslissing niet naar recht verantwoord.

Overige grieven

9. De overige grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Omvang van de cassatie

10. De vernietiging dient bij toepassing van artikel 408, eerste lid, Wetboek van Strafvordering te worden uitgebreid tot de oudste nietige akte, dit is de beroepen beschikking van de raadkamer van 29 juni 2011.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het arrest, evenals de beroepen beschikking van 29 juni 2011 in zoverre die beschikking op de eisers betrekking heeft.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest en van de gedeeltelijk vernietigde beroepen beschikking van 29 juni 2011.

Laat de kosten van de cassatieberoepen ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar de procureur des Konings te Antwerpen.

Bepaalt de kosten in het geheel op 1129,20 euro waarvan op de cassatieberoepen I, II, III, IV en V elk 225,84 euro is verschuldigd.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 17 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Raadkamer

  • Beschikking waarbij geoordeeld wordt dat de zaak niet in staat van wijzen is

  • Beschikking die rechtsmacht over dit geschilpunt uitput

  • Geen hoger beroep

  • Gevolg

  • Mogelijkheid om opnieuw uitspraak te doen over het zelfde geschilpunt