- Arrest van 17 april 2012

17/04/2012 - P.11.0975.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, vereist slechts dat een verdachte toegang tot een advocaat wordt verleend bij zijn verhoor door de politie, in zoverre hij zich in een kwetsbare positie bevindt (1). (1) Zie: Cass. 28 feb. 2012, AR P.11.1802.N, AC 2012, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0975.N

B X A D,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 7 april 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest ontslaat de eiser van rechtsvervolging voor de feiten van de telastleggingen A, C3, C8, C10, C11, C12, C14, C17, C18, C19, C22, C23, C25, C26, C27, C28, C38, C42, C43, C46, C47, C48, C49, C50, C52, C53, C56, C57, C58, F1, F3, H, I en J1 tot en met J3.

In zoverre het cassatieberoep tegen die beslissing is gericht, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, evenals miskenning van het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces en het recht op bijstand van een advocaat: het arrest dat onterecht oordeelt dat eisers recht van verdediging niet is miskend door het gebrek aan bijstand van een advocaat bij zijn verhoor door de verschillende sociale inspecteurs, op grond dat hij van die bijstand afstand zou hebben gedaan en ook niet van vrijheid was beroofd, besluit tot de gegrondheid van de vervolging door zelfbeschuldigende verklaringen van de eiser in acht te nemen die hij bij gebreke aan bijstand van een raadsman niet correct heeft ingeschat.

3. Het arrest oordeelt niet dat de eiser afstand heeft gedaan van het recht op bijstand van een raadsman. Het stelt alleen vast dat de eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die hij had om bijstand van een advocaat te vragen en een beroep te doen op zijn zwijgrecht.

In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het aldus feitelijke grondslag.

4. Het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, vereist slechts dat een verdachte toegang tot een advocaat wordt verleend bij zijn verhoor door de politie, in zoverre hij zich in een kwetsbare positie bevindt.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

5. Uit de artikelen 3 tot 9 van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie die de bevoegdheden van de sociale inspecteurs bepalen, volgt dat de sociale inspecteurs niet de mogelijkheid hebben de vrijheid te benemen van de aan hun toezicht onderworpen personen of andere dwangmaatregelen tegen hen te gebruiken. De aldus aan de sociale inspecteurs toegekende beperkte bevoegdheid heeft op zich niet tot gevolg dat een werkgever die door een sociale inspecteur wordt verhoord, zich in een kwetsbare positie bevindt.

6. Met de redenen die het arrest bevat (p. 14, ro 25 en 26), stellen de appelrechters vast dat de eiser zich bij de diverse verhoren door de verschillende sociale inspecteurs nooit in een kwetsbare positie heeft bevonden. Zij oordelen op die grond naar recht dat eisers recht van verdediging niet is miskend doordat hij bij het verhoor door de sociale inspectie geen bijstand genoot van een raadsman.

In zoverre het middel aanvoert dat artikel 6 EVRM werd geschonden doordat bij de beoordeling van de schuldvraag rekening werd gehouden met de verklaringen die de eiser zonder bijstand van een raadsman heeft afgelegd, kan het niet worden aangenomen.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest dat stelt dat de eiser in elk proces-verbaal uitdrukkelijk heeft erkend de strafrechtelijk aansprakelijke te zijn van de vennootschap, miskent aldus de bewijskracht van eisers verhoor van 17 mei 2011 waarin hij niet stelt dat hij de strafrechtelijk aansprakelijke is van de vennootschap.

8. Met de redenen die het arrest bevat (p. 15, ro 31; p. 17, ro 43) stellen de appelrechters vast dat de eiser als zaakvoerder die instond voor de organisatie van de vennootschap, de in de telastleggingen bedoelde "aangestelde of lasthebber" van de werkgever is die bekleed is met het gezag of de nodige bevoegdheid om effectief over de naleving van de wet te waken. Zij oordelen op die grond naar recht dat de eiser strafrechtelijk aansprakelijk is voor de binnen de vennootschap begane inbreuken op de sociale wetgeving.

Het middel dat gericht is tegen een overtollige reden, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 107,29 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 17 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Recht op een eerlijk proces

  • Recht op bijstand van advocaat

  • Interpretatie Europees Hof voor de Rechten van de Mens

  • Draagwijdte

  • Beperking