- Arrest van 18 april 2012

18/04/2012 - P.11.2039.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het beroep voor de rechtbank, dat krachtens artikel D.164 van het decreet van het Waals Gewest van 5 juni 2008 is ingesteld in het kader van de administratieve sanctieregeling, heeft niet tot gevolg dat de strafvordering herleeft als die vervallen is door de beslissing van de procureur des Konings om niet te vervolgen of door het feit dat hij geen beslissing heeft genomen binnen de voorgeschreven termijn.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.2039.F

IMETAM, nv,

Mrs. Jean-Louis David en Pierre Van Renterghem, advocaten bij de balie te Na-men,

tegen

WAALSE OVERHEIDSDIENST, operationeel directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke hulpbronnen en Leefmilieu,

Mrs. Catherine Roelants en Etienne Orban de Xivry, advocaten bij de balie te Marche-en-Famenne.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van 26 oktober 2011 van de correc-tionele rechtbank te Namen, die in eerste en laatste aanleg uitspraak doet over een verzoek van de eiseres tot betwisting van een administratieve geldboete, opgelegd door de sanctionerend ambtenaar van de Waalse overheidsdienst.

De eiseres voert in een verzoekschrift waarvan een afschrift aan dit arrest is ge-hecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Krachtens artikel D.164 van het decreet van het Waals Gewest van 5 juni 2008 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de beteugeling van mi-lieuovertredingen en de herstelmaatregelen inzake leefmilieu, kan de overtreder, wanneer een administratieve geldboete werd opgelegd wegens een overtreding van de tweede categorie in de zin van artikel D.151, beroep instellen bij de correc-tionele rechtbank waar de procedure geregeld wordt door de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering. De beslissing van die rechtbank is niet vatbaar voor hoger beroep.

Eerste onderdeel

Het voormelde artikel D.164 bepaalt dat het verzoekschrift met name de redenen bevat waarom de administratieve geldboete wordt aangevochten. De eiseres was in casu van mening dat de activiteit die haar ten laste werd gelegd, geen uitstaans had met een quad- "omloop".

Op de conclusie waarin drie bestanddelen van de overtreding worden betwist, met name dat een "inrichting" van klasse 2 werd "geëxploiteerd", te dezen een quad-"omloop", antwoordt het vonnis dat de grondslag van de vervolging niet kan wor-den betwist, gezien de nauwkeurigheid van de lijst die door de Waalse regering is opgemaakt van de geklasseerde installaties, en dat het gebruik van motorvoertui-gen met inwendige verbrandingsmotor daarin uitdrukkelijk vermeld staat "wan-neer de omlopen of terreinen niet geheel op de openbare weg zijn gelegen."

Het feit dat het aldus door de rechtbank gegeven antwoord onduidelijk of ontoe-reikend zou zijn, kan geen schending uitmaken van artikel 149 Grondwet dat de rechter alleen verplicht een vormvereiste in acht te nemen en dat bijgevolg geen verband houdt met de waarde van dat antwoord.

Het eerste onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede, derde en vierde onderdeel

Het beroep bij de rechtbank, dat is ingesteld in het kader van de administratieve sanctieregeling, heeft niet tot gevolg dat de strafvordering herleeft, als die verval-len is door de beslissing van de procureur des Konings om niet te vervolgen of als hij geen beslissing heeft genomen binnen de voorgeschreven termijn.

Wanneer de correctionele rechtbank, die zoals te dezen het beroep afwijst, de ad-ministratieve geldboete bevestigt, spreekt zij geen strafrechtelijke veroordeling uit en behoudt die geldboete haar oorspronkelijke aard, zonder een straf te zijn in de zin van het interne recht.

Daaruit volgt dat de rechter niet gehouden is elk van de bestanddelen van de overtreding die aanleiding heeft gegeven tot de administratieve boete, bewezen te verklaren. Hij dient bovendien in het vonnis noch de wetsbepalingen te vermelden die het feit strafbaar stellen en de straf erop bepalen, noch de keuze van de straf en de strafmaat met redenen te omkleden.

Het middel dat het tegendeel aanvoert in de onderdelen ervan die achtereenvol-gens de schending aanvoeren van artikel 149 Grondwet en artikel 195, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering, faalt naar recht.

(...)

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, als voorzitter, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 18 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Administratieve geldboete

  • Beroep

  • Correctionele rechtbank

  • Draagwijdte van het beroep

  • Strafvordering