- Arrest van 20 april 2012

20/04/2012 - C100103F-C100205F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Werquin.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0103.F

VERHULST EVENTS & PARTNERS nv, voorheen Verhulst nv,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. J. H.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. T. W.,

in aanwezigheid van

1. A. L.,

2. T. V.,

A.R. C.10.0612.F

S. F.,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. G. Z.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het hof van cassatie,

2. G.Z. bvba,

3. R. D.,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

in aanwezigheid van

1. A. L., e.a.

A.R. C.11.0205.F

G. Z.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het hof van cassatie,

tegen

B. D.,

in aanwezigheid van

1. A. L., e.a.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 10 september 2009.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft op 19 maart 2012 een conclusie neergelegd op de griffie.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan tot staving van het cassatieverzoekschrift dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.10.0103.F.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 1121, 1165 en 1615 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de vordering tot vrijwaring van de eiseres tegen de verweerders onontvankelijk.

Het verantwoordt die beslissing om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en in het bijzonder om de volgende redenen.

"De [verweerders], die door de [eiseres] in tussenkomst en vrijwaring zijn gedagvaard, betogen dat die vorderingen niet ontvankelijk zijn om de volgende redenen:

- de [eiseres] had geen enkel persoonlijk, reeds verkregen en dadelijk belang om hen in die hoedanigheid te dagvaarden (op 11 december 1992), terwijl de heer V. destijds geen enkele vordering tegen haar had ingesteld,

- de [eiseres] heeft daarenboven aan laatstgenoemde alle toebehoren van de verkoop overgedragen overeenkomstig artikel 1615 van het Burgerlijk Wetboek en heeft zelf niet meer de hoedanigheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de landmeter en de architect, daar dat vorderingsrecht is overgedragen aan de heer V.

Het hof [van beroep] deelt de mening [van de verweerders] met betrekking tot het eerste punt niet.

In een ingewikkeld geschil, waarbij alle naburige eigenaars, alsook hun verkopers, architecten, landmeters en notarissen betrokken zijn, kan de [eiseres] niet worden verweten dat zij vrijwillig is tussengekomen en dat zij haar medecontractanten bij het geding heeft betrokken, aangezien het vaststaat dat de koper en zijn rechtstreekse buren haar (als verkoper), samen met de beroepsbeoefenaars waarop zij, met het oog op de bouw, een beroep had gedaan, aansprakelijk wilden stellen.

Zij had er dus belang bij om zowel vrijwillig op te treden als om [de verweerders] in gedwongen tussenkomst te dagvaarden.

Het tweede bezwaar is daarentegen gegrond.

Aangezien de [eiseres] het terrein en de daarop gebouwde woning heeft verkocht, heeft zij aan de koper, de heer V., alle toebehoren van de verkoop overgedragen, met inbegrip van de rechtsmiddelen die zij tegen de medecontractanten van de [eiseres] - te dezen de landmeter en de architect [hier: de verweerders] - kan instellen.

Zij had dus niet meer de vereiste hoedanigheid om hen in tussenkomst te dagvaarden teneinde hen contractueel aansprakelijk te stellen.

Uit die redenen volgt dat de door de [eiseres] tegen [de verweerders] ingestelde vordering tot tussenkomst en vrijwaring niet ontvankelijk is".

Grieven

Eerste onderdeel

Uit de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat een rechtsvordering ontvankelijk is indien de eiser aantoont dat hij het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid heeft, in de zin van die bepalingen, om ze in te stellen.

Wanneer de rechtsvordering ingesteld wordt door de persoon die beweert houder te zijn van het substantiële recht, is de hoedanigheid de juridische titel krachtens welke die persoon optreedt voor het gerecht, dat wil zeggen het juridisch verband tussen de persoon en het voorwerp van zijn vordering, met name het subjectief recht waarop hij zich beroept. Het bestaan van het door de eiser aangevoerde recht is daarentegen geen voorwaarde voor de ontvankelijkheid van zijn rechtsvordering maar een voorwaarde voor de gegrondheid ervan. Indien het aangevoerde recht niet bestaat, verklaart de rechter de rechtsvordering om die reden ongegrond.

Uit het arrest volgt enerzijds dat de eiseres belang had, in de zin van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, om tegen haar medecontractanten een vordering tot vrijwaring in te stellen, aangezien het vaststond dat de koper en zijn rechtstreekse buren, in een ingewikkeld geschil waarbij alle naburige eigenaars, alsook hun verkopers, architecten, landmeters en notarissen betrokken waren, haar als verkoper, samen met de beroepsbeoefenaars op wie zij een beroep had gedaan met het oog op de bouw, aansprakelijk wilden stellen.

Uit het arrest volgt anderzijds dat de eiseres aanvoerde dat zij haar rechtsvordering tegen haar medecontractanten, [de verweerders], baseerde op de met hen gesloten overeenkomst, teneinde hen aansprakelijk te stellen voor de fouten die zij hadden begaan en die haar schade hadden berokkend. De eiseres beweerde in feite houder te zijn van een subjectief recht, van contractuele aard, op grond waarvan zij recht had op vergoeding voor de door haar aangevoerde schade.

Omdat de eiseres de vroegere eigenaar was, een hoedanigheid waarop de koper en zijn rechtstreekse buur zich konden beroepen daar het pand op de eigendom van de rechtstreekse buur was gebouwd, had zij dus het vereiste belang om een vordering tot vrijwaring in te stellen tegen de voor de bouw aansprakelijke architect en landmeter, overeenkomstig het contract dat de betrekkingen tussen hen regelt.

Het arrest verklaart die vordering tot vrijwaring onontvankelijk. Het beslist dat de eiseres niet de hoedanigheid heeft om een vordering in te stellen teneinde [de verweerders] contractueel aansprakelijk te stellen. Volgens het arrest was de eiseres immers, sinds de verkoop van het terrein en de bouw van het pand daarop, niet langer de houder van het recht dat zij erkend wil zien, aangezien zij, door die verkoopovereenkomst, aan de koper, de heer V., alle toebehoren van de verkoop heeft overgedragen, met inbegrip van de rechtsmiddelen die ingesteld kunnen worden tegen de medecontractanten van de [eiseres], namelijk de landmeter en de architect [hier: de verweerders]. Het verklaart de vordering onontvankelijk om redenen die verband houden met de grond van de aanspraak van de eiseres. In werkelijkheid heeft degene die beweert houder te zijn van een subjectief recht en ten aanzien van wie de rechter vaststelt dat hij belang heeft om in rechte op te treden, noodzakelijkerwijs de vereiste hoedanigheid hiertoe. De vaststelling dat hij wel degelijk houder van dat recht zou zijn, is een probleem ten gronde en staat los van de vraag of de ingestelde vordering al dan niet ontvankelijk is.

Het arrest, dat een vordering onontvankelijk verklaart op grond dat de eiseres niet de houder zou zijn van het recht waarop ze zich beroept, schendt bijgevolg artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek.

Tweede onderdeel

Artikel 1615 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de verplichting om een zaak te leveren zich uitstrekt tot haar toebehoren en tot alles wat voor haar blijvend gebruik bestemd is. De toebehoren van de zaak zijn alle materiële of juridische elementen die als onsplitsbaar of onscheidbaar van de zaak beschouwd moeten worden.

De koper kan ten aanzien van niemand, met uitzondering van de verkoper, andere rechten doen gelden dan die welke hij afleidt uit zijn eigendomstitel. Die titel verleent hem op zich geen enkel recht om een vordering in te stellen tegen de landmeter of de architect die het verkochte pand op een verkeerde plaats hebben gebouwd.

Het desbetreffende toebehoren is hier het rechtsmiddel dat de eiseres heeft aangewend tegen haar medecontractanten, de verweerders, en dat ertoe strekte hen aansprakelijk te stellen voor de bouw van het verkochte pand op de verkeerde plaats.

Het vorderingsrecht waarop de eiseres zich ten aanzien van haar medecontractanten kan beroepen wegens de fout die zij hebben begaan, is niet onlosmakelijk verbonden met het verkochte goed, maar vloeit voort uit de contractuele betrekkingen tussen die partijen. Een dergelijk vorderingsrecht is bijgevolg geen toebehoren dat door de verkoop is overgedragen.

Uit de verkoopovereenkomst tussen de eiseres en de heer V., koper, vloeit evenmin voort dat een dergelijke rechtsvordering uitdrukkelijk zou zijn overgedragen als toebehoren.

Ook al wordt dat rechtsmiddel, ten slotte, beschouwd als een toebehoren dat bij de verkoop werd overgedragen, dan nog moet worden aangenomen dat de verkoper nog steeds een dergelijke rechtsvordering kan instellen, daar zij voor hem een rechtstreeks en vaststaand belang vertoont.

Het staat immers vast dat de zakelijke rechten alleen worden overgedragen voor zover de koper er belang bij heeft dat hij schuldeiser wordt in de plaats van de verkoper, en dat binnen de grenzen van dat belang. De verkoper behoudt daarentegen zijn recht in zoverre hij er belang bij heeft om het uit te oefenen.

De vaststelling van het bestaan van een dergelijk belang volgt uit het arrest, dat een vordering tot vrijwaring van de koper V. tegen de verkoper, de eiseres, gegrond verklaart. Aangezien bewezen is dat de eiseres aansprakelijk is omdat zij een huis verkocht heeft dat gedeeltelijk op andermans terrein is gebouwd, heeft zij er onmiskenbaar belang bij om een rechtsvordering in te stellen tegen de landmeter en de architect, die instonden voor de plaatsing en de bouw van het huis, teneinde op haar beurt door hen gevrijwaard te worden.

Het arrest, dat vaststelt dat de [eiseres] er belang bij heeft [de verweerders] te dagvaarden, "aangezien het vaststaat dat de koper en zijn rechtstreekse buren haar (als verkoper), samen met de beroepsbeoefenaars waarop zij, met het oog op de bouw, een beroep had gedaan, aansprakelijk wilden stellen", en dat een dergelijke, door de koper ingestelde aansprakelijkheidsvordering in werkelijkheid gegrond is, beslist vervolgens dat de eiseres, "aangezien [zij] het terrein en de daarop gebouwde woning heeft verkocht, aan de koper, de heer V., alle toebehoren van de verkoop heeft overgedragen, met inbegrip van de rechtsmiddelen die zij tegen de medecontractanten van de [eiseres] - te dezen de landmeter en de architect [hier: de verweerders] - kan instellen".

Het arrest, dat beslist dat de eiseres, hoewel zij er belang bij heeft om een dergelijke vordering tot vrijwaring tegen haar medecontractanten in te stellen, die vordering niet kan instellen omdat zij haar rechtsvordering als toebehoren van het verkochte goed zou hebben overgedragen aan de koper van haar goed, terwijl een dergelijke rechtsvordering niet onlosmakelijk deel uitmaakt van het verkochte voorwerp, die rechtsvordering contractueel niet uitdrukkelijk is overgedragen en de verkoper belang erbij heeft deze in te stellen, schendt zodoende artikel 1615 van het Burgerlijk Wetboek.

Het arrest schendt immers die bepaling, wanneer het beslist dat de eiseres de heer V. moet vrijwaren tegen de schadelijke gevolgen van de bouw, op de verkeerde plaats, van het pand waarop de tussen hen gesloten verkoopovereenkomst betrekking had, maar tegelijkertijd haar recht betwist om de rechtsvordering uit te oefenen tot vrijwaring door degenen die het pand hebben gebouwd en die, volgens haar, aansprakelijk zijn voor die schade.

Derde onderdeel

Artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de overeenkomsten alleen gevolgen teweegbrengen tussen de contracterende partijen, dat zij aan derden geen nadeel toebrengen en hun slechts tot voordeel strekken in het geval voorzien bij artikel 1121, met name het derdenbeding. Overeenkomstig die bepaling kan een derde bij een contractuele verhouding zich niet beroepen op de interne gevolgen van een overeenkomst. Hij kan zich daarentegen wel beroepen op het bestaan van die overeenkomst.

Gelet op de toedracht van de zaak, mag de partij die verweerder is op de vordering wegens de aansprakelijkheid voor de bouw van het pand op de grond van een buur, zich in de regel niet beroepen op het feit dat de eiser niet de hoedanigheid heeft om een rechtsvordering in te stellen, ongeacht of de eiser de verkoper dan wel de koper van het terrein en van het pand is. Hij kan evenmin het gebrek aan belang van de verkoper afleiden uit het feit dat hij niet meer de eigenaar van het goed is.

Zodoende zou hij zich beroepen op de gevolgen van een overeenkomst tussen de verkoper en de koper en artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek schenden, daar de interne gevolgen van de overeenkomst, in tegenstelling tot het bestaan ervan, hem niet aanbelangen. Alleen een medecontractant mag zich op die interne gevolgen beroepen.

Het arrest neemt te dezen uitdrukkelijk een exceptie van onontvankelijkheid aan die is opgeworpen door derden bij de verkoopovereenkomst, met name [de verweerders], en die zij uit die overeenkomst afleiden.

Het arrest schendt aldus artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek.

De eiser voert tot staving van het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.10.0612.F, drie middelen aan in het verzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

De eiser voert volgend middel aan tot staving van het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.11.0205.F.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 544 en 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest, dat erop wijst dat de rechtsmiddelen van de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen L. en V., van de verweerder en van de eiser gegrond waren op basis van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek en de theorie van de burenhinder, die ontstaat als de ene buur de grond van de andere betreedt, beslist vervolgens dat die grensoverschrijdingen aanleiding geven tot de volledige vergoeding van de benadeelde buren, om de volgende redenen:

"Het kan immers niet worden betwist dat de opeenvolgende grensoverschrijdingen feitelijkheden zijn die een aanzienlijke bron vormen van burenhinder die de grenzen van het aanvaardbare ver te boven gaat en die voor de benadeelde buren aanleiding geeft tot vergoeding.

Hoewel die wijze van vergoeding die met betrekking tot deze aangelegenheid een specifieke naam heeft - waardoor zij a priori lijkt te verschillen van de volledige vergoeding die verschuldigd is door degene die door een fout schade veroorzaakt -, heeft zij niet de beperking van de aan de benadeelde eigenaar verschuldigde vergoeding tot gevolg.

De billijke compensatie die verschuldigd is aan de eigenaar die het slachtoffer is geworden van burenhinder, is bedoeld om hem geheel te herstellen in zijn benadeelde rechten en belangen.

In tegenstelling tot de gevallen waarin het evenwicht tussen de buren voor de openbare lasten op een buitensporige wijze verstoord wordt door toedoen van de overheid, is er geen reden om, tussen particulieren, het recht van de benadeelde eigenaar op de volledige vergoeding van zijn schade te beperken tot de - gedeeltelijke - vergoeding van alleen die hinder die het aanvaardbare te boven gaat.

Zodra tussen particulieren, de naburige eigenaars, het bestaan van buitensporige hinder is aangetoond, wat te dezen wel degelijk het geval is, moet de schade volledig worden vergoed".

Op die gronden verklaart het arrest "het hoger beroep (van de verweerder) gegrond in de hierna aangegeven mate: verklaart zijn oorspronkelijke vordering (ten aanzien van de eiser) gedeeltelijk gegrond, veroordeelt hem bijgevolg om, door tussenkomst van een door hen aan te wijzen notaris, het onregelmatig ingenomen perceel (van de verweerder) terug te kopen voor een tussen hen overeen te komen prijs of, bij ontstentenis hiervan, voor de huidige prijs van een bouwgrond op die verkaveling, en om daarenboven alle daaruit voortvloeiende kosten te dragen (verkoop en administratieve en stedenbouwkundige regularisaties), veroordeelt haar in de kosten van de twee instanties (van de verweerder), begroot die kosten op 5.000 euro per instantie en op 186 euro (verzoekschrift in hoger beroep)".

Grieven

Artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek kent aan elke eigenaar het recht op een normaal genot van zijn zaak toe.

De eigenaar van een onroerend goed die door een daad, een verzuim of een gedraging het evenwicht tussen de eigendommen verbreekt door een naburige eigenaar te belasten met een hinder die de gewone ongemakken van het nabuurschap te buiten gaat, is hem een billijke en passende compensatie verschuldigd die het verbroken evenwicht herstelt.

Die billijke compensatie heeft tot doel het evenwicht te herstellen dat verbroken werd door een aan een fout te wijten hinder en kan niet worden gelijkgesteld met de volledige vergoeding waarop het slachtoffer van een fout recht heeft, daar de hoedanigheid van de voor de hinder aansprakelijke persoon niet ter zake doet.

Het arrest beslist dat de billijke en passende compensatie "niet de beperking van de aan de benadeelde eigenaar verschuldigde vergoeding tot gevolg heeft" en dat "de billijke vergoeding (...) is bedoeld om hem geheel te herstellen in zijn benadeelde rechten en belangen" en dat "zodra tussen particulieren, de naburige eigenaars, het bestaan van buitensporige hinder is aangetoond (...), de schade volledig moet worden vergoed".

Het arrest, dat beslist dat het slachtoffer van burenhinder recht heeft op de volledige vergoeding van de geleden schade en niet alleen van de schade die de aanvaardbare hinder te buiten gaat, is niet naar recht verantwoord (schending van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zover nodig, van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Er bestaat dus grond tot voeging.

Het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.11.0205.F :

Artikel 544 Burgerlijk Wetboek kent aan elke eigenaar het recht op een normaal genot van zijn zaak toe.

De eigenaar van een onroerend goed die door een daad, een verzuim of een gedraging het evenwicht tussen de eigendommen verbreekt door een naburige eigenaar te belasten met een hinder die de gewone ongemakken van het nabuurschap te buiten gaat, is hem een billijke en passende compensatie verschuldigd die het verbroken evenwicht herstelt.

Aangezien die wetsbepaling bedoeld is om een verbroken evenwicht te herstellen, biedt zij alleen de mogelijkheid om de hinder te vergoeden die de grenzen van de normale ongemakken te buiten gaat.

Het arrest veroordeelt de eiser om het onregelmatig ingenomen perceel van de verweerder te kopen, op grond dat "de billijke vergoeding die verschuldigd is aan de eigenaar die het slachtoffer is geworden van burenhinder" "niet de beperking van de aan de benadeelde eigenaar verschuldigde vergoeding" tot gevolg heeft, dat zij "is bedoeld om hem geheel te herstellen in zijn benadeelde rechten en belangen, dat in tegenstelling tot de gevallen waarin het evenwicht tussen de buren voor de openbare lasten op een buitensporige wijze verstoord wordt door toedoen van de overheid, er geen reden is om, tussen particulieren, het recht van de benadeelde eigenaar op de volledige vergoeding van zijn schade te beperken tot de - gedeeltelijke - vergoeding van alleen die hinder die het aanvaardbare te boven gaat en dat, zodra tussen particulieren, de naburige eigenaars, het bestaan van buitensporige hinder is aangetoond [...], de schade volledig moet worden vergoed".

Het arrest schendt aldus het voormelde artikel 544.

Het middel is gegrond.

Omvang van de cassatie

Het arrest beslist dat "de gronden en de panden die de partijen Z. [eiser] (of eerder F., [de sub 9 tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij], D. [verweerder] (P. en S., [de sub 6 en 7 tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen]), [en] V. (naamloze vennootschap Verhulst) [de sub 2 en 4 tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen] zich hebben toegeëigend, niet overeenstemmen met de vermeldingen in de notariële akten die zijn opgemaakt bij de aankoop van de verschillende gronden; dat hetzelfde geldt voor de kadastrale verwijzingen en de voorschriften van de verkaveling, waarvan de percelen deel uitmaakten en nog steeds deel uitmaken; dat er grond bestaat om de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met de vigerende administratieve en stedenbouwkundige normen en met de documenten die ze vaststellen, door middel van authentieke akten van verkoop van de betrokken percelen".

Het arrest leidt hieruit af dat "nieuwe verkoopakten ter bevestiging van de overdracht van de eigendom van de onroerende goederen zal moeten worden opgemaakt en overgeschreven, dat er tevens een nieuw verkavelingsplan zal moeten worden opgemaakt dat aan de gemeente zal moeten worden voorgelegd, dat de vereiste regularisatievergunningen verkregen zullen moeten worden en dat ook zal moeten worden nagegaan of de afbakening overeenstemt met de nieuwe opdeling van de gronden en dat die gronden opnieuw afgebakend zullen moeten worden overeenkomstig de nieuwe grenzen die zullen worden vastgelegd in de op te maken verkoopakten en in de aangepaste verkavelingsvergunning".

Hieruit volgt dat het geschil tussen de eiser, de verweerder en de sub 1 en 2 tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen V. en L. onsplitsbaar is, zodat de vernietiging van de beslissing betreffende de door de verweerder tegen de eiser ingestelde vordering zich moet uitstrekken tot de beslissingen betreffende de vorderingen die door de partij V. tegen de verweerder en door de partij L. tegen eerstgenoemde zijn ingesteld.

De vernietiging strekt zich daarenboven uit tot de beslissingen betreffende de incidentele vorderingen en de vorderingen tot vrijwaring die zijn ingesteld tegen de sub, 4, 6, 7 en 9 tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen, welke voortvloeien uit de eerstgenoemde beslissingen.

Het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.10.0103.F

Eerste middel

Tweede onderdeel

Artikel 1615 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de verplichting om een zaak te leveren zich uitstrekt tot haar toebehoren en tot alles wat voor haar blijvend gebruik bestemd is.

Hoewel de nauw met het verkochte goed verbonden rechten overgedragen worden wegens het belang dat zij voor de verkoper vertonen, sluit die bepaling niet uit dat de verkoper die rechten kan uitoefenen wanneer hij nog steeds belang erbij heeft om die rechten uit te oefenen.

Het arrest stelt vast dat "de vordering van de heer V. [ertoe strekt] hem te vrijwaren tegen alle beslissingen die hem ten aanzien van de heer L. veroordelen".

Het arrest wijst erop dat "de [verweerders], die door de [eiseres] zijn gedagvaard in tussenkomst en vrijwaring, zich beroepen op de niet-ontvankelijkheid van die vorderingen, op grond [...] dat [...] de [eiseres] aan [de heer V.] alle toebehoren van de verkoop heeft overgedragen overeenkomstig artikel 1615 Burgerlijk Wetboek en zelf niet meer de hoedanigheid heeft om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de landmeter en de architect, daar dat vorderingsrecht is overgedragen aan de heer V."

Hoewel het arrest beslist dat de eiseres "belang erbij [...] had [de verweerders] in tussenkomst te dagvaarden" teneinde hen contractueel aansprakelijk te stellen, aangezien "in een ingewikkeld geschil, waarbij alle naburige eigenaars, alsook hun verkopers, architecten, landmeters en notarissen betrokken zijn, [...] het vaststaat dat de koper en zijn rechtstreekse buren [de eiseres] (als verkoper), samen met de beroepsbeoefenaars waarop zij, met het oog op de bouw, een beroep had gedaan, aansprakelijk wilden stellen", oordeelt het niettemin dat "aangezien de [eiseres] het terrein en de daarop gebouwde woning heeft verkocht, zij aan de koper [...] alle toebehoren van de verkoop heeft overgedragen, met inbegrip van de rechtsmiddelen die zij tegen de medecontractanten van de [eiseres] - te dezen de landmeter en de architect [...] - kan instellen", zodat "zij [...] niet meer de vereiste hoedanigheid had om hen in tussenkomst te dagvaarden teneinde hen contractueel aansprakelijk te stellen". Het arrest verantwoordt zodoende niet naar recht zijn beslissing dat "de door de [eiseres tegen [de landmeter] en [de architect] ingestelde vordering tot tussenkomst en vrijwaring niet ontvankelijk is".

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Overige grieven

Er bestaat geen grond tot onderzoek van de andere onderdelen van het middel, die niet kunnen leiden tot ruimere vernietiging.

Het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.10.0612.F :

Derde middel

De door de derde verweerder tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel is nieuw:

Het middel is in beginsel niet nieuw wanneer het een reden bekritiseert die de bestreden beslissing van haar beslissing geeft.

Het middel bekritiseert de reden op grond waarvan het arrest eisers vordering tot vrijwaring tegen de derde verweerder ongegrond verklaart. Die reden luidt dat "het enige wat [deze verweerder] verweten zou [...] kunnen worden, [...] niet rechtmatig kan worden aangevoerd door [de eiser]".

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het middel

Het arrest beslist dat "het enige wat [de derde verweerder] verweten zou [...] kunnen worden, is dat hij [de eiser] niet heeft gewezen op het feit dat de voorlopige koopakte andere afmetingen vermeldde dan de authentieke akte van 10 november 1989" en dat "[de eiser] niet het recht heeft dat op te werpen, daar hij wel degelijk op de hoogte was van dat verschil".

Het arrest, dat uitsluit dat de derde verweerder een fout heeft begaan en hem buiten het geding stelt op grond dat de eiser zelf een fout heeft begaan, schendt de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

De vernietiging van de beslissing die de vordering tot vrijwaring ongegrond verklaart, strekt zich uit tot die waarbij het arrest die vordering ontvankelijk en niet verjaard verklaart.

Dictum

Het Hof,

Voegt de cassatieberoepen die op de algemene rol zijn ingeschreven onder de nummers C.10.0103.F, C.10.0612.F en C.11.0205.F.

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het de hoofdberoepen van de partijen L., H., P., van de naamloze vennootschap Sogescam en van de partij D. en de incidentele beroepen van de partijen W. en V. ontvankelijk verklaart en in zoverre het uitspraak doet over de vordering tot vrijwaring van G.Z. tegen R.D. en over de kosten van die vordering.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Alain Simon en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 20 april 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Vernietiging van de beslissingen over de hoofdvorderingen

  • Beslissingen over de incidentele vorderingen en vorderingen tot vrijwaring die het gevolg zijn van de eerstgenoemde beslissingen

  • Gevolg