- Arrest van 26 april 2012

26/04/2012 - C.10.0530.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter beoordeelt onaantastbaar de modaliteiten van de gevorderde dwangsom (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0530.N

GEMEENTE VLOESBERG, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 7880 Vloesberg, Plein 1,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. MILIEUFRONT OMER WATTEZ vzw, met zetel te 9700 Oudenaarde, Kattestraat 23,

2. NATUURPUNT BEHEER vzw, met zetel 2800 Mechelen, Coxiestraat 11,

verweersters,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweersters woonplaats kiezen,

3. FORT LABIAU nv, met zetel te 7880 Vloesberg, Lumen 3,

4. M.F.,

5. H.V.,

in bindendverklaring opgeroepen partijen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 2 april 2010.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 1 februari 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel gaat geheel ervan uit dat de appelrechters oordelen dat de aan de eiseres ten laste gelegde handelingen een kennelijke inbreuk uitmaken omdat die handelingen strafrechtelijk sanctioneerbare inbreuken op artikel 2 van de wet van 26 maart 1971 zijn.

2. De appelrechters leiden het bestaan van een kennelijke inbreuk niet af uit het feit dat de aan de eiseres ten laste gelegde handelingen strafrechtelijk sanctioneerbaar zouden zijn.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. Artikel 2 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging, zoals te dezen van toepassing, bepaalt:

"Het is verboden voorwerpen of stoffen in de bij artikel 1 bedoelde wateren of in de openbare riolen te werpen of te deponeren, verontreinigde of verontreinigende vloeistoffen erin uit te lozen of er gassen in te brengen, behalve de lozing van afvalwater waarvoor vergunning is verleend overeenkomstig de bepalingen van deze wet alsook behalve voor het lozen van huishoudelijk afvalwater in de openbare riolen, voor zover dit afvalwater afkomstig is van woongelegenheden en de lozing in de openbare riool geschiedt overeenkomstig het in § 1 van artikel 3 bedoelde reglement. Het is eveneens verboden vaste stoffen of vloeistoffen te deponeren op een plaats vanwaar ze door een natuurlijk verschijnsel in die wateren of in de openbare riolen kunnen terechtkomen."

4. Artikel 2 van voormelde wet, zoals gewijzigd bij Decreet van de Vlaamse Raad van 21 november 2008, bepaalt:

"Het is verboden voorwerpen of stoffen in de bij artikel 1 bedoelde wateren of in de openbare riolen te werpen of te deponeren, verontreinigde of verontreinigende vloeistoffen erin uit te lozen of er gassen in te brengen, behalve de lozing van afvalwater waarvoor vergunning is verleend of melding is gedaan overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en zijn uitvoeringsbesluiten alsook behalve voor het lozen van huishoudelijk afvalwater, voor zover de biologisch afbreekbare organische belasting van dit afvalwater niet meer bedraagt dan 20 inwonerequivalenten en de lozing geschiedt overeenkomstig het in § 1 van artikel 3 bedoelde reglement. Het is eveneens verboden vaste stoffen of vloeistoffen te deponeren op een plaats vanwaar ze door een natuurlijk verschijnsel in die wateren of in de openbare riolen kunnen terechtkomen."

5. De eiseres voert aan dat, hoewel het principieel lozingsverbod van verontreinigde of verontreinigende vloeistoffen blijft gelden, artikel 2 van de Wet van 26 maart 1971, zoals gewijzigd bij Decreet van de Vlaamse Raad van 21 november 2008, preciseringen doorvoert aangaande de lozingen van huishoudelijk afvalwater, zodat de appelrechters, door toepassing te maken van het hier niet toepasselijk nieuw artikel 2, de in het onderdeel vermelde wetsbepalingen schenden.

6. De appelrechters stellen vast dat:

- uit de uitleg van partijen, de voorliggende stukken en de bevindingen van de gerechtsdeskundige valt op te maken dat "sedert geruime (...) tijd het huishoudelijk afvalwater en ander afvalwater van zowel de woningen, de horeca-zaken als een tehuis voor minderjarigen in het gehucht D'Hoppe (...) in de gemeente Vloesberg/Flobecq (...) ongezuiverd geloosd werd in het Hoppebos";

- het niet betwistbaar is dat er in de Sassegembeek te Brakel ongezuiverd huis-

houdelijk afvalwater en afvalwater terecht kwam;

- zowel de eiseres als de consorten Fort door hun handelen ervoor gezorgd hebben "dat het totaal ongezuiverd afvalwater (zowel huishoudelijk als afkomstig van o.m. horeca-uitbatingen) rechtstreeks in de Sassegembeek te Brakel terecht kwam (waardoor een ernstige verontreiniging en medegaande milieuschade ontstond)".

7. De appelrechters steunen derhalve hun oordeel dat de aan de eiseres ten laste gelegde handelingen kennelijke inbreuken uitmaken op de wet van 26 maart 1971 niet enkel op de vastgestelde lozing van huishoudelijk afvalwater, maar ook op de vastgestelde lozing van ander afvalwater.

8. De omstandigheid dat de appelrechters de door het nieuw artikel 2 van de Wet van 26 maart 1971 doorgevoerde preciseringen aangaande de lozingen van huishoudelijk afvalwater in aanmerking zouden hebben genomen, kan in deze omstandigheden niet leiden tot cassatie.

Het onderdeel is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Derde, vierde en vijfde onderdeel

9. De appelrechters stellen, zoals aangehaald onder ro 7 en 8, vast dat de eiseres niet enkel huishoudelijk afvalwater, maar ook ander afvalwater loosde.

10. De onderdelen die geheel ervan uitgaan dat de eiseres enkel huishoudelijk afvalwater loosde conform het zuiveringsbeleid van het Waalse Gewest, zonder op te komen tegen de beslissing van de appelrechters dat de eiseres ook ander afvalwater loosde, kunnen niet leiden tot cassatie en zijn mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede, derde en vierde middel

11. De in het eerste middel vergeefs bekritiseerde redenen schragen de bestreden beslissing.

12. De middelen die opkomen tegen ten overvloede gegeven redenen, zijn niet-ontvankelijk.

Vijfde middel

13. De appelrechters stellen vast dat:

- de gerechtsdeskundige na een grondige evaluatie van de geplaatste microstations tot het formeel besluit komt dat individuele zuiveringsstations een grondige nazuivering vergen indien ze in een kwetsbaar natuurgebied lozen en dat de waterkwaliteit van de voorziene microstations niet voldoet aan de vereiste viswaterkwaliteit;

- de gerechtsdeskundige aanvullend stelde dat microstations zeer gevoelig zijn voor vervuiling door restaurants; dat de voorschakeltoestellen in de praktijk dikwijls ondergedimensioneerd blijken te zijn of onvoldoende worden geledigd; dat het gevolg daarvan een stijging van de vuilvracht met het viervoudige kan zijn; dat het gebruik van detergenten en ontsmettingsmiddelen op basis van o.a. chloor de bacterieflora vernietigt, waardoor de zuivering niet kan worden bekomen; dat de slechte resultaten van de huidige geplaatste microstations aantoont dat de zuiveringsresultaten ondermaats zijn en dat uit ervaring is geweten dat deze resultaten verslechteren naarmate de stations ouder worden.

14. De appelrechters oordelen dat de eiseres de vaststellingen uit het deskundigenverslag dat de IBA's niet voldoende zijn ter voorkoming van schade aan het leefmilieu niet weerlegt en het zelfs niet in enige mate aannemelijk maakt dat door het plaatsen van de IBA's de schade aan het leefmilieu afdoende zou worden voorkomen.

Zij oordelen voorts dat enkel maatregelen kunnen worden opgelegd noodzakelijk ter voorkoming van verdere schade aan het leefmilieu ingevolge de kennelijke inbreuken op de milieuwetgeving door de eiseres en de consorten Fort en gaan bij de keuze van de opgelegde maatregelen ervan uit dat de zuivering door de intussen geplaatste IBA's onvoldoende is om schade aan het leefmilieu te voorkomen.

15. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat de opgelegde maatregelen ertoe strekken de vóór de milieuinbreuken bestaande toestand te verbeteren, vraagt een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het middel is niet ontvankelijk.

Zesde middel

16. Krachtens artikel 1385bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, kan de rechter op vordering van één der partijen de wederpartij veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan, onverminderd het recht op schadevergoeding indien daartoe gronden zijn.

Krachtens artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, kan de rechter bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren.

17. Deze bepalingen laten de beoordeling van de modaliteiten van de gevorderde dwangsom over aan de onaantastbare beoordeling van de rechter.

18. De appelrechters vermochten derhalve zonder schending van het beschikkingsbeginsel de door de verweersters gevorderde dwangsom te laten ingaan vanaf de betekening van de beslissing, ook al verzochten de verweersters deze te laten ingaan veertien dagen na de betekening van de beslissing.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vordering tot bindendverklaring

19. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vordering tot bindendverklaring die de eiseres heeft ingesteld.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1081,56 euro en voor de verweersters op 312,54 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 26 april 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Modaliteiten

  • Beoordeling

  • Taak van de rechter