- Arrest van 4 mei 2012

04/05/2012 - C.09.0519.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Zonder bekendmaking heeft een decreet geen verbindende kracht, ook al werd er terugwerkende kracht aan toegekend, zodat aan een rechter niet kan worden verweten dat hij de artikelen 190 van de Grondwet en 56 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schendt, door ze niet toe te passen, terwijl dat decreet nog niet is bekendgemaakt op de dag waarop hij uitspraak doet.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0519.F

1. INTERCOMMUNALE TUSSENGEMEENTELIJKE MAATSCHAPPIJ DER VLAANDEREN VOOR WATERVOORZIENING cv,

Mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. A. B. en

2. F. T.,

3. WAALS GEWEST,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Bergen van 19 maart 2009.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert drie middelen aan.

(...)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955;

- de artikelen 1315, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 1, § 1, van het decreet van 11 oktober 1985 vóór de opheffing ervan bij artikel 2, 6°, van het decreet van 27 mei 2004 betreffende Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt;

- algemeen beginsel van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis wijst het hoger beroep van de eiseres af en bevestigt het beroepen vonnis dat de eiseres veroordeelt tot betaling aan de eerste verweerders van 65.137 euro, namelijk de waardevermindering van de weilanden, te vermeerderen met moratoire interest vanaf 1 januari 1992 (gemiddelde datum) en met gerechtelijke interest vanaf de datum van het beroepen vonnis, en dit om de onderstaande redenen:

"[De eiseres] verwijt de deskundigen dat zij de vergoeding voor het opbrengstverlies en de waardevermindering van de weilanden hebben berekend op basis van een oppervlakte van 56 hectare 92 are, terwijl zij erop wijst dat [de eerste twee verweerders] de gronden niet ineens hebben aangekocht;

Mevrouw B.-S. vermeldt weliswaar in haar verslag van 23 juli 2000 [...] dat de [eerste twee verweerders] de exploitatie begonnen zijn met een totale oppervlakte van 18 hectare 85 are 70 centiare;

Die oppervlakte wordt eveneens vermeld in de chronologische tabel op pagina 2 van de inleiding [...];

Zij vormt echter wel degelijk het uitgangspunt van de door de deskundige W. gemaakte analyse van de (melk)exploitatie door de [eerste twee verweerders] waaruit blijkt dat het ontwikkelingsplan voor die oppervlakte uitging van veertig melkkoeien;

Bovendien werden de verliezen nog volgens verschillende methodes geraamd en niet alleen volgens die welke op de oppervlakte is gebaseerd;

Zo bijvoorbeeld levert de berekening van het verlies met verwijzing naar de meerprijs per liter geproduceerde melk het resultaat op van 26.370.389 frank (653.704,87 euro) voor de jaren 1983 tot 1999, welk bedrag beduidend hoger is dan de gemiddelde vergoeding die de deskundigen en de eerste rechter in aanmerking hebben genomen;

Op de vergadering van 22 december 2003 heeft deskundige W. naar eigen zeggen uitgelegd hoe de berekening aan de hand van het opbrengstverlies van de weilanden wordt gemaakt en de [de eiseres] heeft daarover geen opmerkingen gemaakt;

Uit de aantekeningen bij de tabellen die bij de inleiding zijn gevoegd, blijkt trouwens dat de veranderingen van die oppervlaktes, jaar na jaar, in aanmerking werden genomen.

De minderwaarde van de gronden werd geraamd volgens de comparatieve methode die op pagina 18 en 19 van het besluit van het deskundigenverslag wordt uiteengezet;

Die methode is geenszins vatbaar voor kritiek;

De ontwaarding heeft wel degelijk betrekking op alle gronden die aan de [eerste twee verweerders] toebehoren, ongeacht de datum en de prijs van de aankoop ervan;

Het bezwaar van [de eiseres] tegen de berekeningswijze van de vergoedingen voor het opbrengstverlies en de waardevermindering van de weilanden komt bijgevolg niet alleen te laat, maar het mist tevens elke grondslag

De bedragen van 274.180 euro voor het opbrengstverlies en van 65.137 euro voor de waardevermindering van de weilanden zijn dus volstrekt verantwoord".

Grieven

Eerste onderdeel

De schadeposten die vergoed kunnen worden op grond van de in artikel 1, § 1, van het decreet van 11 oktober 1985 bedoelde objectieve aansprakelijkheid zijn:

a) de schade aan de oppervlakte die eruit voortvloeit voor de onroerende goederen en voor de machines en installaties geïncorporeerd in deze onroerende goederen;

b) de nadelen veroorzaakt door de niet-bezetting of het niet-gebruik van de geteisterde goederen, indien de niet-bezetting of het niet-gebruik voor oorzaak heeft de schade voortvloeiend uit de daling van de waterlaag;

c) de kosten van herhuisvesting en verhuis van de bewoners van de geteisterde goederen.

De vergoedbare schadeposten, nadelen en kosten zonder bewijs van een door de exploitant begane fout en zonder bewijs van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de waterwinningen en de geleden schade staan op limitatieve wijze opgesomd in artikel 1, § 1, van het decreet van 11 oktober 1985.

Die schadeposten omvatten niet de minderwaarden, die, bijgevolg, slechts op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek kunnen worden vergoed, voor zover, uiteraard, voldaan is aan de toepassingvoorwaarden ervan.

Het bestreden vonnis, dat het beroepen vonnis bevestigt, kent echter aan de eerste verweerders een bedrag toe van 65.137 euro wegens de waardevermindering van de weilanden, te vermeerderen met moratoire interest vanaf 1 januari 1992 (gemiddelde datum) en met gerechtelijke interest vanaf de datum van het beroepen vonnis.

Indien het bestreden vonnis niettemin in die zin moet worden begrepen dat het toepassing maakt van de beginselen van de objectieve aansprakelijkheid van artikel 1, § 1, van het decreet van 11 oktober 1985 en niet van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, kent het vergoedingen toe waarin voornoemd artikel niet voorziet en schendt het, aldus, de draagwijdte ervan (schending van artikel 1, § 1, van het decreet van 11 oktober 1985).

(...)

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 144 van de Grondwet;

- artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikelen 149 en 150 van het decreet van 18 december 2008 houdende de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2009.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis wijst het hoger beroep van de eiseres af en bevestigt het beroepen vonnis dat de eiseres veroordeelt tot betaling aan de tweede verweerster van 115.614,51 euro, te vermeerderen met moratoire interest vanaf 28 december 1993 en met gerechtelijke interest vanaf de datum van het beroepen vonnis, en dit om de onderstaande redenen:

"Wat ten slotte de vordering [van de derde verweerder] betreft, heeft het enige daadwerkelijke bezwaar van [de eiseres] betrekking op een bedrag van 1.160.565 frank dat overeenstemt met de aankoop van nieuwe landbouwmachines, die, volgens haar, niet in oorzakelijk verband staat met de gelaakte pompingen;

In tegenstelling met wat [de eiseres] betoogt, staat de aankoop van landbouwmaterieel in oorzakelijk verband met de schade ten gevolge van de pompingen;

De deskundigen vermelden op pagina 15 van hun besluit de exploitatieproblemen die veroorzaakt zijn door de braak van het landbouwmaterieel en door de exploitatiekosten die hoger waren dan normaal;

Voor de raming van de kosten [...] verwijzen de deskundigen naar de expliciete cijfergegevens in de inleiding II - landbouwkundig gedeelte, die uitdrukkelijk de meerprijs vermelden die voortvloeide uit een hoger gebruik van landbouwwerktuigen;

Hoe dan ook bestaat de opdracht van [de derde verweerder], zoals hij opmerkt, erin een billijk voorschot toe te kennen op de komende schade;

Het deskundigenverslag heeft getoond dat de schade van de [eerste twee verweerders] beduidend hoger was dan het toegekende voorschot;

De secretaris van het Fonds heeft in zijn administratieve contacten met de getroffenen gewild dat het voorschot enkel op grond van facturen zou worden uitbetaald waaruit zou blijken dat het voorschot in de landbouwexploitatie wordt geïnvesteerd, maar daaruit volgt niet dat het Fonds slechts in de rechten en rechtsvorderingen van de benadeelde personen die voorschotten ontvangen, gesubrogeerd zou zijn in zoverre de factuur zou overeenstemmen met honderd procent van de schade;

Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 26 oktober 2007, waarnaar [de derde verweerder] verwijst, voor recht gezegd: ‘Luidens § 3 van [artikel 9 van het decreet van 11 oktober 1985] wordt het Fonds [van voorschotten] in de rechten en rechtsvorderingen van de benadeelde persoon gesubrogeerd ten belope van het volledige voorschot. Uit die bepaling volgt dat de subrogatie door het Fonds slechts onderworpen is aan de voorwaarde dat de benadeelde persoon de dagvaarding heeft ingesteld waarin artikel 3 van het decreet voorziet';

Dat is wel degelijk het geval in deze zaak".

Grieven

Krachtens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te stellen. Artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek preciseert dat het belang een reeds verkregen en dadelijk belang moet zijn.

Die artikelen impliceren dat de eiser, bovendien, de vereiste bekwaamheid moet hebben om voor de rechtbanken op te treden.

Voor rechtspersonen houdt die bekwaamheid in dat enkel de constructies met rechtspersoonlijkheid de vereiste hoedanigheid hebben om voor de rechtbanken op te treden. Zij alleen kunnen subjectieve rechten aanvoeren waarvan de miskenning een voorwaarde is om krachtens artikel 144 van de Grondwet voor de hoven en rechtbanken op te treden en het door de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek vereiste belang oplevert om in rechte op te treden.

Het Waals Fonds van voorschotten werd opgericht ingevolge artikel 8 van het decreet van 11 oktober 1985, dat preciseert dat het Fonds rechtspersoonlijkheid heeft en behoort tot de instellingen van openbaar nut van categorie A in de zin van artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.

Het Waals Fonds van voorschotten werd opgeheven bij artikel 149 van het decreet van 18 december 2008. Dat artikel preciseert dat de derde verweerder de rechten, verplichtingen en opdrachten van het Fonds overneemt.

Krachtens artikel 150 van het decreet van 18 december 2008 treedt het in werking op 1 januari 2009. Dat decreet werd echter pas op 9 april 2009, dus na de inwerkingtreding ervan, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. In zoverre het echter op 1 januari 2009 in werking treedt, krijgt het een retroactieve verbindende kracht.

Daaruit volgt dat het Waals Fonds van voorschotten, toen het op de terechtzitting van 19 februari 2009 van de rechtbank van eerste aanleg te Bergen verscheen, geen rechtspersoonlijkheid meer had, bijgevolg, niet langer bestond en dus niet langer de vereiste bekwaamheid had om in rechte op te treden.

Die toestand bleef ongewijzigd tot het bestreden vonnis werd uitgesproken.

De omstandigheid dat de derde verweerder de rechten, verplichtingen en opdrachten van het Waals Fonds van voorschotten overnam, neemt niet weg dat laatstgenoemde, doordat het niet langer bestond, niet meer bekwaam was om voor de rechtbanken op te treden en niet tegenwoordig was en dat ook niet rechtsgeldig kon zijn op de terechtzitting van 19 februari 2009.

Daaruit volgt eveneens dat de eiseres zich op de terechtzitting van 19 februari 2009 niet mocht beroepen op verbindende kracht van de artikelen 149 en 150 van het decreet van 18 december 2008 en evenmin een heropening van het debat over dat punt mocht vorderen, aangezien het bestreden vonnis was gewezen op 19 maart 2009, dus vóór de bekendmaking van die artikelen in het Belgisch Staatsblad en zij bijgevolg niets anders kan dan dat middel, dat van openbare orde is, voor het eerst voor het Hof aanvoeren.

Het bestreden vonnis dat het beroepen vonnis bevestigt in zoverre dat de eiseres veroordeelt om aan het Waals Fonds van voorschotten het bedrag van 115.614,51 euro te betalen, te vermeerden met moratoire interest vanaf 28 december 1993 en met gerechtelijke interest vanaf de datum van het beroepen vonnis, hoewel dat Fonds geen rechtspersoonlijkheid meer had, bijgevolg, geen subjectieve rechten meer kon aanvoeren en dus niet langer de vereiste bekwaamheid had om in rechte op te treden, schendt de artikelen 144 van de Grondwet, 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, 149 en 150 van het decreet van 18 december 2008.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 1, § 1, a), van het decreet van het Waals Gewest van 11 oktober 1985 houdende het herstel van schade veroorzaakt door grondwaterwinningen en pompingen zijn de uitbater van een grondwaterwinning en de bouwheer van de publieke of private werken die door hun activiteit een daling van de grondwaterlaag veroorzaken, objectief aansprakelijk voor de schade aan de oppervlakte die eruit voortvloeit voor de onroerende goederen en voor de machines en installaties geïncorporeerd in deze onroerende goederen.

De waardevermindering van een in die bepaling bedoeld goed is begrepen in de schade waarvoor het decreet een specifieke vergoedingsregeling uitwerkt.

Het onderdeel dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

(...)

Derde middel

Krachtens artikel 190 Grondwet is geen wet, geen besluit of verordening van algemeen, provinciaal of gemeentelijk bestuur verbindend dan na te zijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald.

Artikel 56 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt dat de decreten verbindend zijn de tiende dag na die van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, tenzij ze een andere termijn bepalen.

Uit de bepalingen volgt dat een decreet, ook al werd er terugwerkende kracht aan toegekend, geen verbindende kracht heeft wanneer het niet werd bekendgemaakt, zodat aan een rechter niet kan worden verweten dat hij die bepalingen schendt, door ze niet toe te passen, terwijl dat decreet nog niet was bekendgemaakt op de dag waarop hij uitspraak deed.

Het middel kan niet worden aangenomen in zoverre het de schending aanvoert van de artikelen 149 en 150 van het decreet van 8 december 2008 houdende de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2009, dat in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt op 9 april 2009, dus na het bestreden vonnis van 19 maart 2009.

In zoverre het de schending aanvoert van de overige vermelde bepalingen die uitsluitend zou voortvloeien uit de tevergeefs aangevoerde schending van de voormelde artikelen 149 en 150, is het niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille

Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 4 mei 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Decreet

  • Verbindende kracht