- Arrest van 8 mei 2012

08/05/2012 - P.11.0583.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het rechtsbeginsel dat de bijzondere strafbepaling derogeert aan de algemene strafbepaling is geen algemeen rechtsbeginsel (1). (1) Cass. 8 juni 2000, AR C.98.0345.N, AC 2000, nr. 349.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0583.N

I

R. S. S.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Bart Spriet, advocaat bij de balie te Turnhout,

tegen

1. STAD ANTWERPEN, voor wie optreedt het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Grote Markt 1,

burgerlijke partij,

2. FEESTCOMITE vzw, met zetel te 2000 Antwerpen, Grote Markt 1, met als rechtsopvolger STAD ANTWERPEN, voor wie optreedt het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Grote Markt 1,

burgerlijke partij,

3. EUROPESE COMMISSIE, met kantoren te 1049 Brussel,

burgerlijke partij,

verweersters.

II

1. STAD ANTWERPEN, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. FEESTCOMITE vzw, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

eiseressen,

tegen

R. S. S., reeds vermeld,

beklaagde,

verweerder,

met als raadsman mr. Bart Spriet, advocaat bij de balie te Turnhout.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 17 februari 2011.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan.

De eiseres II.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiseres II.2 voert geen middelen aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel van de eiser I

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 66 en 67 Strafwetboek en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, evenals miskenning van het rechtsbeginsel dat de bijzondere strafbepaling derogeert aan de algemene strafbepaling ("lex specialis derogat generalibus"): de appelrechters verwerpen ten onrechte de toepassing van de lex specialis - lex generalis-regel op de telastleggingen B en D; de appelrechters geven een onjuiste inhoud aan het deelnemingsopzet dat op grond van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek vereist is bij een strafbare deelneming aan de misdrijven bedoeld in de artikelen 194 en 197 Strafwetboek, minstens geven zij een uitlegging van het begrip daderschap die onverenigbaar is met de inhoud en de bewoordingen van de telastlegging B en zijn de redenen van het arrest tegenstrijdig waar de appelrechters enerzijds oordelen dat de eiser als strafbare deelnemer kan vervolgd worden voor valsheids- en gebruiksmisdrijven en anderzijds dat het misdrijf uit de betichting B een bijzonder opzet vereist.

2. Het rechtsbeginsel dat de bijzondere strafbepaling derogeert aan de algemene strafbepaling is geen algemeen rechtsbeginsel.

In zoverre het middel miskenning aanvoert van het betreffende rechtsbeginsel, is het niet ontvankelijk.

3. Anders dan waarvan het middel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat de "lex generalis" van artikel 194 Strafwetboek ook voor het strafbare deelnemen aan dit misdrijf een bijzonder opzet vereist.

Het middel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

4. De appelrechters oordelen dat de telastlegging B (artikel 194 Strafwetboek) als lex generalis een bijzonder opzet vereist, welk opzet verschillend is van het algemeen opzet met name het wetens en willens handelen zoals vereist door artikel 2, § 2, Subsidiefraudebesluit (telastlegging D).

Bijgevolg veroordelen zij wettig de eiser als strafbare deelnemer aan deze beide, onderling verschillende telastleggingen.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

5. Het middel is voor het overige geheel afgeleid uit voormelde onjuiste lezing van het arrest, en is in zoverre niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiser I

6. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters verklaren de eiser schuldig aan de misdrijven van valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken omschreven in de telastlegging B.II; zij geven evenwel een uitlegging van deze geschriften die onverenigbaar is met de inhoud en de bewoordingen ervan.

7. De appelrechters oordelen dat de documenten vermeld in de telastlegging B.II zijn geadresseerd aan de vzw Feestcomité en voegen eraan toe: "Wanneer dan deze documenten werden opgenomen in het "Overzicht van werkelijk gedane uitgaven" bestemd voor de Europese Commissie, mocht zij ervan uitgaan dat deze prestaties effectief werden gepresteerd en werden betaald door de VZW Feestcomité in het kader van het Twinning Congres."

Hiermee verwijzen de appelrechters niet naar de "Overzichten van werkelijk gedane uitgaven" aan de Europese Commissie, maar naar de documenten vermeld onder a) tot en met c) van telastlegging B.II.

8. Het middel dat ervan uitgaat dat de appelrechters oordelen dat de "Overzichten van werkelijk gedane uitgaven" niet geadresseerd zijn aan de Europese Commissie, maar wel aan de vzw Feestcomité, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Derde middel van de eiser I

9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 240 Strafwetboek: de appelrechters verklaren de eiser ten onrechte schuldig als deelnemer aan het misdrijf van verduistering gepleegd door medebeklaagde Cop omschreven in telastlegging C.I.a; door te overwegen dat beklaagde Cop de gelden als stadsfunctionaris onder zijn beheer had, geven de appelrechters een onjuiste inhoud aan het constitutief bestanddeel van "openbare of private gelden uit kracht of uit hoofde van zijn ambt onder zich hebben"; minstens antwoorden zij niet op eisers verweer.

10. Het middel verduidelijkt niet hoe en waardoor de appelrechters een onjuiste inhoud geven aan het "uit hoofde van zijn ambt onder zich hebben" en is mitsdien in zoverre niet ontvankelijk wegens onnauwkeurigheid.

11. Met de overwegingen die het arrest vermeldt, beantwoorden de appelrechters het verweer van de eiser met betrekking tot de telastlegging C.I.a in hoofde van medebeklaagde Cop.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Vierde middel van de eiser I

12. Het middel voert schending aan van artikel 1 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 130 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, evenals miskenning van de rechtsbeginselen inzake de saisine van het vonnisgerecht: de raadkamer heeft de eiser verwezen wegens deelneming aan verduistering van drie subsidiebedragen gepleegd op 15 april 2002 (telastlegging C.II.a), 14 juni 2002 (telastlegging C.II.b) en 17 juni 2002 (telastlegging C.II.c); de appelrechters geven aan deze telastlegging een uitlegging die onverenigbaar is met de inhoud en de bewoordingen ervan; met de veroordeling van de eiser wegens de in de telastlegging C.II.a-b-c omschreven feiten doen de appelrechters uitspraak over andere feiten dan deze die het voorwerp uitmaken van de verwijzingsbeschikking.

13. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite welke strafbare gedraging de akte die de zaak bij hem aanhangig maakt, bedoelt. Het Hof gaat niettemin na of de rechter van de akte van aanhangigmaking geen uitlegging geeft die met de bewoording ervan onverenigbaar is.

14. De uitlegging die de appelrechters geven aan telastlegging C.II.a-b-c is niet onverenigbaar met de inhoud en de bewoordingen ervan zodat de appelrechters de bewijskracht ervan niet miskennen..

Het middel mist feitelijke grondslag.

15. De aangevoerde schending van artikel 1 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 130 Wetboek van Strafvordering en de aangevoerde miskenning van de rechtsbeginselen inzake de saisine van het vonnisgerecht, zijn geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgelijk Wetboek en mitsdien niet ontvankelijk.

Vijfde middel van de eiser I

16. Het middel voert schending aan van artikel 1 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 130 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de rechtsbeginselen inzake de saisine van het vonnisgerecht: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiser ook vervolgd wordt wegens het behouden van de subsidies ingevolge latere onjuiste en onvolledige verklaringen; zij doen hiermee uitspraak over andere feiten dan deze die het voorwerp uitmaken van de beslissing tot verwijzing naar het vonnisgerecht.

17. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser werd verwezen naar het vonnisgerecht wegens het feit van wetens en willens een onjuiste of onvolledige verklaring te hebben afgelegd in verband met een aanvraag tot het bekomen of behouden van een subsidie en ten gevolge van een dergelijke verklaring een subsidie te hebben ontvangen of behouden.

18. Het middel dat ervan uitgaat dat enkel het voorafgaand ontvangen van de subsidies als aflopend misdrijf het voorwerp uitmaakte van de beslissing tot verwijzing naar het vonnisgerecht, mist feitelijke grondslag.

Zesde middel van de eiser I

19. Het middel voert schending aan van de artikelen 63 en 203 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters verklaren het incidenteel beroep van de verweerster I.1 in zoverre gesteund op de telastleggingen C.II.a), b) en c) en D.I, D.II en D.III ten onrechte ontvankelijk.

20. De appelrechters verklaren het incidenteel beroep van de verweerster I.1 ongegrond in zoverre het gesteund is op de telastleggingen C.II.a-b-c en D.I-II-III.

Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Zevende middel van de eiser I

21. Het middel voert schending aan van artikel 43bis Strafwetboek: de appelrechters geven ten onrechte de verbeurdverklaarde geldsom van 9.075,00 euro terug aan de verweerster I.1 die hierom niet verzocht heeft.

22. Artikel 43bis Strafwetboek vereist niet dat de burgerlijke partij uitdrukkelijk verzoekt om de teruggave.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Eerste middel van de eiseres II.1

23. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters laten na uitspraak te doen over de gevorderde interest (schending van artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek), kennen geen volledige schadeloosstelling toe (schending van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek) zonder opgave van redenen waarom zij die gevraagde interest niet toekennen (schending van artikel 149 Grondwet).

24. Het arrest doet geen uitspraak over de door de eiseres II.1 gevorderde interest.

Het middel is gegrond.

Tweede middel van de eiseres II.1

25. Het middel voert schending aan van de artikelen 1251, 3°, 1319, 1320, 1321, 1322, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 3 Subsidiefraudebesluit, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging en het beschikkingsbeginsel: de appelrechters passen ambtshalve een niet door de partijen aangevoerde rechtsgrond toe voor de afwijzing van de vordering van de eiseres II.1 en ontzeggen haar het recht zich hieromtrent te verdedigen; zij miskennen hierbij tevens de bewijskracht van haar nota van burgerlijkepartijstelling.

26. De appelrechters oordelen: "De (eiseres II.1) was weliswaar subsidiecontractant maar de subsidiebegunstigde was de VZW Feestcomité. Het is derhalve de VZW Feestcomité die benadeelde is zodat de vordering namens (eiseres II.1) ongegrond is." Zij wijzen hiermee de vordering van de eiseres II.1 af omdat zij geen subsidiebegunstigde was, en dus geen benadeelde is.

27. Het middel dat ervan uitgaat dat de appelrechters de vordering van de eiseres II.1 afwijzen omdat zij het bedrag heeft terugbetaald op grond van artikel 3 Subsidiefraudebesluit, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering jegens eiser I

28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het geen uitspraak doet over de door de eiseres II.1 gevorderde interest.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eisers I en II.2 in de kosten van hun cassatieberoep.

Veroordeelt de verweerder II in de helft van de kosten van de eiseres II.1 en laat de andere helft ten laste van de eiseres II.1.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Bepaalt de kosten in het geheel op 445,77 euro waarvan de eiser I 222,82 euro verschuldigd is en de eiseressen II 192,95 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Etienne Goethals, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 8 mei 2012 uitgesproken door eerste voorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Rechtsspreuk

  • "Lex specialis derogat generalibus"

  • Waarde