- Arrest van 10 mei 2012

10/05/2012 - C.08.0596.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De voorwaarden voor de opening van een zelfstandige territoriale procedure moeten restrictief worden opgevat; het openbaar ministerie heeft tot taak in het kader van de insolventieprocedures in het algemeen belang te handelen en treedt op die wijze ook op om de belangen van het geheel van de schuldeisers te vrijwaren, zonder echter op te treden in naam en voor rekening van die schuldeisers; daar het geen eigen vordering heeft die te verhalen is op de boedel van de schuldenaar, is het aldus geen schuldeiser die de opening van een territoriale insolventieprocedure kan aanvragen (1). (1) HvJEU, 17 november 2011, zaak C-112/10, http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.08.0596.N

PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN,

eiser,

tegen

ZAZA RETAIL bv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 1059CJ Amsterdam (Nederland), Pilotenstraat 32,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 9 oktober 2008.

Op 4 februari 2010 heeft het Hof van Cassatie een arrest uitgesproken waarbij het iedere nadere uitspraak aanhoudt tot het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) zal hebben geantwoord op de daarin gestelde prejudiciële vragen.

Het Hof van Justitie heeft op 17 november 2011 de prejudiciële vragen beantwoord.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft op de rechtszitting van 10 mei 2012 een bijkomend verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft aanvullend geconcludeerd op dezelfde zitting.

II. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Uit het bestreden arrest blijkt het volgende:

1. Op 14 november 2006 heeft de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren de faillietverklaring gevorderd van de vestiging in België van Zaza Retail bv, een vennootschap naar Nederlands recht, met Amsterdam als centrum van haar voornaamste belangen.

2. Op dat moment was nog geen insolventieprocedure geopend in Nederland.

3. De faillietverklaring is gevorderd ingevolge een onderzoek van ambtswege naar de toestand van de schuldenaar, krachtens artikel 10 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, waaruit bleek dat deze zich in staat van faillissement bevond.

4. De rechtbank van koophandel te Tongeren besloot bij vonnis van 4 februari 2008 tot de faillietverklaring van Zaza Retail bv.

5. Bij arrest van 9 oktober 2008 hervormde het hof van beroep te Antwerpen het vonnis van de rechtbank van koophandel en oordeelde het dat noch de rechtbank, noch het hof van beroep, ter zake internationale bevoegdheid heeft om te oordelen over de gegrondheid van de gevorderde opening van een zelfstandige territoriale faillissementsprocedure voor de vestiging van Zaza Retail bv in België.

6. Zaza Retail bv is bij beslissing van de rechtbank te Amsterdam van 8 juli 2008 failliet verklaard.

III. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift drie middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 3 en 6 Faillissementswet van 8 augustus 1997;

- artikel 631 Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 118 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht;

- de artikelen 3 en 4 van de verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 (in werking getreden op 31 mei 2002), hierna genoemd "de Europese Insolventieverordening".

Aangevochten beslissingen

Doordat in het bestreden arrest het (hof van beroep) zich zonder internationale bevoegdheid verklaart om te oordelen over de gegrondheid van de gevorderde opening van een zelfstandige territoriale faillissementsprocedure voor de vestiging(en) van Zaza Retail bv in België op grond van volgende overwegingen

"IV. ‘De internationale bevoegdheid van de Belgische rechters inzake internationale (grensoverschrijdende) faillissementen wordt bepaald door artikel 3 van de Europese Insolventieverordening en dit artikel dient, ter bepaling van de draagwijdte ervan, niet samen gelezen te worden met artikel 4 van de Europese Insolventieverordening.

V. Op grond van de duidelijke tekst van de artikelen 3.4.a) en 3.4.b) van de Europese Insolventieverordening kan een zelfstandige territoriale faillissementsprocedure (dus een vóór een hoofdprocedure geopende territoriale procedure) - er bestaat geen betwisting over het feit dat zulke procedure ook gevoerd werd voor de eerste rechter, hoewel het bestreden vonnis daarover niets zegt - enkel in twee gevallen geopend worden, met name:

1° wanneer een faillissement niet uitgesproken kan worden in het land van het centrum van de voornaamste belangen, bijvoorbeeld omdat de schuldenaar de vereiste hoedanigheid niet bezit om failliet verklaard te worden. Als voorbeeld noemt het toelichtend rapport de niet-handelaar of een overheidsbedrijf dat aan een speciale regeling onderworpen is;

2° wanneer deze opening door een ‘gepriviligeerde schuldeiser' (met het oog op de bescherming van lokale belangen of een efficiënt beheer van de boedel) wordt gevraagd, waarbij artikel 3.4.b) een onderscheid maakt tussen twee categorieën van geprivilegieerde schuldeisers. De monopolie om een zelfstandige procedure aan te vragen wordt in eerste instantie toegekend aan de ‘plaatselijke schuldeisers', te weten de schuldeisers die gevestigd zijn in de lidstaat waar de betrokken vestiging gelegen is. Daarnaast kunnen ook de schuldeisers optreden wiens vordering het resultaat is van de exploitatie van de vestiging, zoals bijv. een werknemer van de vestiging die in een andere lidstaat woont. De monopolie toegekend aan voormelde schuldeisers wordt verklaard door hun belang om de plaatselijke lex concursus op hun vorderingen te zien toepassen.

VI. Het openbaar ministerie is geen schuldeiser in de voormelde zin zoals bepaald in artikel 3.4.b) van de Europese Insolventieverordening en het feit dat het openbaar ministerie stelt dat hij ‘... bij de dagvaarding in faillietverklaring bij toepassing van artikel 10, §3, WGA de rol van bewaker van het algemeen belang vervult en als het ware optreedt in de plaats van de constitutionele of individuele schuldeisers die mogelijks stil blijven zitten' verandert daar niets aan.

VII. Anderzijds blijkt uit niets dat het faillissement van Zaza Retail bv in Nederland niet uitgesproken kon worden en het tegendeel blijkt uit de vaststelling dat Zaza Retail bv inmiddels door de rechtbank van Amsterdam failliet werd verklaard.

Het feit dat de procureur des Konings te Tongeren geen bevoegdheid zou hebben om in Nederland het faillissement van de Zaza Retail bv te vorderen is irrelevant voor de beoordeling van de rechtsvraag of de toepassingsvoorwaarde van artikel 3.4.a) al dan wel of niet vervuld is, nu voor de toepassing daarvan niet dient nagegaan te worden wie in Nederland de opening van een faillissementsprocedure kan aanvragen maar enkel dient nagegaan te worden of een faillissement in Nederland kon uitgesproken worden. Nu het antwoord daarop bevestigend luidt, was ook de voorwaarde van artikel 3.4.a) niet vervuld".

Grieven

Eerste onderdeel

De artikelen 3 en 4 van de verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000, doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van het openbaar ministerie voorzien in artikel 6 van de Faillissementwet van 8 augustus 1997 om over te gaan tot dagvaarding in faillissement van de Zaza Retail bv, met zetel in Nederland doch met vestiging(en) in België, en de rechtbank van koophandel te Tongeren wel degelijk bevoegd laat om de faillietverklaring uit te spreken op dagvaarding van het openbaar ministerie van een schuldenaar wiens centrum van zijn voornaamste belangen gelegen zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie, doch die in Maasmechelen (België) een vestiging heeft, zelfs indien deze procedure voorafging aan de opening van een insolventieprocedure krachtens artikel 3, lid 1, van de Europese Insolventieverordening.

Immers, de bevoegdheidsregels van de Europese Insolventieverordening bepalen alleen de internationale bevoegdheid, wat betekent dat zij de lidstaat aanwijzen waarvan de rechter een insolventieprocedure mag openen. De territoriale bevoegdheid binnen de lidstaat in kwestie wordt bepaald volgens het nationale recht van die lidstaat.

De toepasselijke Belgische wetgeving - die trouwens in overeenstemming werd gebracht met de regels vervat in de Europese Insolventieverordening - betreffen artikel 631 Gerechtelijk Wetboek, artikel 118 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht en artikel 3 van de Faillissementswet.

Artikel 118 van het wetboek van internationaal privaatrecht stelt dat de Belgische rechters slechts bevoegd zijn om een insolventieprocedure te openen in de gevallen voorzien in artikel 3 van de Europese Insolventieverordening.

Artikel 631 Gerechtelijk Wetboek bepaalt onder meer dat de rechtbank van koophandel bevoegd om een territoriaal of secundair faillissement uit te spreken, die is welke gelegen is in het rechtsgebied waarbinnen de schuldenaar de bedoelde vestiging bezit.

Artikel 3, lid 1, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt:

"Indien het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is in een andere lidstaat van de Europese Unie, kan hij, indien hij in België een vestiging heeft, failliet verklaard worden overeenkomstig de bepalingen van de verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures".

De relevante bepalingen van de Europese Insolventieverordening betreffen de artikelen 3 en 4.

Artikel 3, lid 2, van de Europese Insolventieverordening bepaalt uitdrukkelijk: "Wanneer het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar op het grondgebied van een lidstaat gelegen is, zijn de rechters van een andere lidstaat slechts tot opening van een insolventieprocedure ten aanzien van deze schuldenaar bevoegd indien hij op het grondgebied van laatstgenoemde lidstaat een vestiging bezit".

Artikel 3, lid 4, van de Europese Insolventieverordening bepaalt:

"De opening van een territoriale insolventieprocedure krachtens lid 2 kan slechts in de volgende gevallen aan de opening van een insolventieprocedure krachtens lid 1 voorafgaan:

a) wanneer de opening van een hoofdprocedure niet kan worden verkregen in verband met de voorwaarden die gesteld worden in de wetgeving van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar zich bevindt;

b) wanneer de opening van de territoriale insolventieprocedure is aangevraagd door een schuldeiser die zijn woonplaats, zetel of gebruikelijke verblijfplaats heeft in de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokken vestiging is gelegen of wiens vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van de vestiging voortvloeiende verplichting".

Artikel 4, lid 2, stelt:

"Het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd ...".

De procureur des Konings is op grond van artikel 6 van de Belgische faillissementswet bevoegd om over te gaan tot dagvaarding in faillissement: "Onverminderd de bepalingen van de wet betreffende het gerechtelijk akkoord geschiedt de faillietverklaring bij vonnis van de rechtbank van koophandel waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, hetzij op aangifte van de koopman, hetzij op dagvaarding van een of meer schuldeisers, van het openbaar ministerie, van de voorlopige bewindvoerder als bedoeld in artikel 8 of van de curator van de hoofdprocedure in het geval (bedoeld in artikel 3, eerste lid)" (artikel 6 van de faillissementswet van 8 augustus 1997).

Deze bevoegdheid werd ingevoerd door de faillissementwet van 8 augustus 1997, wetgeving die trouwens niet los kan gezien worden van de wet van 17 juli 1997 inzake het gerechtelijk akkoord (WGA).

Voorheen bestond de mogelijkheid tot ambtshalve faillietverklaring door de rechtbank van koophandel. Bij de invoering van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en de wet op het gerechtelijk akkoord werd de praktijk van de depistagediensten die binnen de rechtbanken van koophandel werden georganiseerd, geformaliseerd en werd tevens de ambtshalve faillietverklaring afgeschaft, maar werd anderzijds aan de parketten een nieuwe rol toebedeeld en werd aan het openbaar ministerie de bevoegdheid gegeven om door dagvaarding het faillissement uit te lokken. Blijkens de bewoordingen van de wet gelden de bevoegdheden van het openbaar ministerie "onverminderd de bepalingen van de wet betreffende het gerechtelijk akkoord" (noot: in de verschillende stadia van de akkoordprocedure beschikt de rechtbank van koophandel thans ook nog over de mogelijkheid de schuldenaar "ambtshalve" failliet te verklaren na hem (en het OM) te hebben gehoord).

De WGA institutionaliseerde aldus een (preventief) toezicht van overheidswege (door de kamer voor handelsonderzoeken). Teneinde evenwel de nodige gevolgen te kunnen verbinden aan het onderzoek van de kamer van handelsonderzoek dient uiteraard, in het algemeen belang en om de aantasting van het economisch weefsel te voorkomen, de mogelijkheid te worden voorzien om over te gaan tot het faillissement eens vastgesteld wordt dat de voorwaarden daartoe voorhanden zijn. Gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens werd het ambtshalve faillissement afgeschaft en werd deze taak toebedeeld aan het openbaar ministerie.

Het openbaar ministerie vervult hierbij de rol van de bewaker van het algemeen belang en treedt als het ware op in de plaats van de constitutionele of individuele schuldeisers die mogelijks stil blijven zitten.

De Europese regelgeving heeft uitdrukkelijk de mogelijkheid weerhouden om één of meerdere bijkomende (lees "territoriale") insolventieprocedures te openen die dan slechts uitwerking hebben binnen de betrokken lidstaat. Een dergelijke procedure kan blijkens de Verordening diverse doelen dienen, waaronder in de eerste plaats uiteraard de bescherming van de lokale belangen. Op deze wijze wordt het gehuldigde universaliteitsbeginsel verzoend met de bescherming van de lokale belangen.

Het is in deze optiek dat ook artikel 3, lid 4, van de Europese Insolventieverordening dient gelezen te worden. Met name wenst men een zelfstandige territoriale procedure, d.i. een territoriale procedure die opgestart wordt vóór er een (universele) hoofdprocedure is opgestart, te beperken tot het strikt noodzakelijke. Een dergelijke procedure wordt derhalve voorgehouden voor zogenaamde "gepriviligeerde schuldeisers" en kan slechts door hetzij de plaatselijke schuldeiser(s) hetzij de schuldeisers van de plaatselijke vestiging ("schuldeisers wiens vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van de vestiging voortvloeiende verplichting") of voor de gevallen waarin het recht van de lidstaat waar de schuldenaar het centrum van zijn belangen heeft, niet toelaat een hoofdprocedure te openen.

De termen "plaatselijke schuldeiser" of "schuldeiser" wiens vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van de vestiging voortvloeiende verplichting, kan hierbij niet eng geïnterpreteerd worden.

Een nationale autoriteit, in casu het openbaar ministerie kan de opening van dergelijke procedure wel degelijk aanvragen, voor zover deze aanvraag gebaseerd is op uit een rechterlijk handelsonderzoek gereveleerde vordering(en) van publieke en privaatrechtelijke schuldeiser(s) die zijn (hun) woonplaats, zetel of gebruikelijke verblijfplaats heeft (hebben) in de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokken vestiging gelegen is of op vorderingen die het resultaat zijn van een uit de exploitatie van de vestiging voortvloeiende verplichting en waarbij de betrokken nationale autoriteit derhalve optreedt in het belang van meerdere betrokken schuldeisers.

In casu werd conform de Belgische wetgeving een onderzoek van ambtswege geopend door de kamer voor handelsonderzoek op basis van de gegevens verstrekt door de fiscale en sociale overheden en op basis van de beslagberichten. Op het einde van dit onderzoek werd conform artikel 10, § 3, WGA verslag opgesteld waarbij werd geconcludeerd dat de faillissementsvoorwaarden waren voldaan en werd dit verslag overgemaakt aan de procureur des Konings met het oog op eventuele dagvaarding in faillissement.

Het vorderingsrecht van de procureur des Konings om op te treden ligt daarenboven vervat in de slotzin van artikel 3, lid 4, van de Europese Insolventieverordening, met name dat de vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van de vestiging voortvloeiende verplichting.

Tweede onderdeel

De uitzondering voorzien in artikel 3, lid 4a), is eveneens van toepassing op de dagvaarding in faillissement uitgebracht door het openbaar ministerie, aangezien het openbaar ministerie de opening van een hoofdprocedure niet kon verkrijgen in de lidstaat waar de schuldenaar zijn centrum van voornaamste belangen heeft, nu het openbaar ministerie geen enkele bevoegdheid heeft om in het buitenland een dagvaarding in faillissement in te leiden.

Het antwoord op de beide onderdelen van het eerste middel lijkt slechts te kunnen opgelost worden door een uitlegging van artikel 3 van de Europese Insolventieverordening. Deze uitlegging behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap.

Ingevolge de artikelen 68 en 234 van het EG-Verdrag, lijken deze prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie dienen voorgelegd te worden.

Zodat het hof van beroep in haar arrest een verkeerde interpretatie gaf aan artikel 3, lid 4a) en b) van de Europese Insolventieverordening en niet vermocht zich zonder internationale bevoegdheid te verklaren.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 138, 138bis, 1017 en 1022 Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Doordat in het bestreden arrest het openbaar ministerie tot betaling van de kosten van beide aanleggen werd veroordeeld, voor Zaza Retail bv vastgesteld op 1.200,00 euro (basisrechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) + 1.200,00 euro (basisrechtsplegings-vergoeding hoger beroep) = 2.400,00 euro.

Grieven

Voor zover een veroordeling tot de kosten kon worden uitgesproken, had de Belgische Staat in de kosten had dienen verwezen te worden wanneer, in burgerlijke zaken, het openbaar ministerie in het ongelijk werd gesteld op een van ambtswege ingestelde rechtsvordering (Cass. 9 september 1999, Arr. Cass, 1999, 1076).

Het hof van beroep veroordeelde ten onrechte het openbaar ministerie tot betaling van de kosten van beide aanleggen.

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 68 en 234 van het EG-Verdrag.

Aangevochten beslissingen

Het (hof van beroep) ging niet in op de door het openbaar ministerie gewenste prejudiciële vraagstelling op grond van de overweging dat artikel 68 EG-Verdrag het recht om een prejudiciële vraag te stellen slechts toekent aan de instanties die in laatste aanleg zetelen, d.w.z. voor België aan het Hof van Cassatie, het Grondwettelijk Hof en de Raad van State en de gewone prejudiciële procedure (artikel 234 EG-Verdrag) niet geldt.

Grieven

Artikel 68, lid 1, stelt enkel: "artikel (234) is van toepassing op deze titel onder de volgende omstandigheden en voorwaarden: indien een vraag wordt opgeworpen in verband met de uitlegging van deze titel of de geldigheid of de uitlegging van op deze titel gebaseerde handelingen van de instellingen van de gemeenschap in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie te verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen".

Maar hieruit kan niet afgeleid worden dat de prejudiciële procedure niet zou kunnen toegepast worden door een instantie die oordeelt in hoger beroep.

Het hof van beroep achtte zich op grond van de door haar weerhouden motieven ten onrechte niet bevoegd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Derde middel

1. Het Hof heeft in het arrest van 4 februari 2010 dit middel reeds verworpen.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Artikel 3 van Verordening 1346/2000 van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (hierna: de Insolventieverordening) bepaalt:

"1. De rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd de insolventieprocedure te openen. (...)

2. Wanneer het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar op het grondgebied van een lidstaat gelegen is, zijn de rechters van een andere lidstaat slechts tot opening van een insolventieprocedure ten aanzien van deze schuldenaar bevoegd indien hij op het grondgebied van laatstgenoemde lidstaat een vestiging bezit. De gevolgen van deze procedure gelden alleen ten aanzien van de goederen van de schuldenaar die zich op het grondgebied van die lidstaat bevinden.

(...)

4. De opening van een territoriale insolventieprocedure krachtens lid 2 kan slechts in de volgende gevallen aan de opening van een insolventieprocedure krachtens lid 1 voorafgaan: (...)

b) wanneer de opening van de territoriale insolventieprocedure is aangevraagd door een schuldeiser die zijn woonplaats, zetel of gebruikelijke verblijfplaats heeft in de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokken vestiging is gelegen of wiens vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van de vestiging voortvloeiende verplichting".

3. In antwoord op de door het Hof gestelde prejudiciële vraag heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie bij arrest van 17 november 2011 in de zaak C-112/10 voor recht gezegd dat de term "schuldeiser" van artikel 3.4.b Insolventieverordening, die wordt gebruikt ter aanduiding van de groep personen die bevoegd zijn om de opening van een zelfstandige territoriale procedure aan te vragen, aldus moet worden uitgelegd dat daaronder niet een autoriteit van een lidstaat valt die volgens het nationale recht van deze staat tot taak heeft in het algemeen belang te handelen, maar die noch als schuldeiser noch namens en voor rekening van de schuldeisers handelt.

Volgens dit arrest moeten de voorwaarden voor de opening van een zelfstandige territoriale procedure volgens artikel 3.4.b Insolventieverordening restrictief worden opgevat, terwijl het openbaar ministerie, daar het geen eigen vordering heeft die te verhalen is op de boedel van de schuldenaar, geen schuldeiser is in de gebruikelijke betekenis van de term in een insolventieprocedure.

4. Zoals het Hof in het arrest van 4 februari 2010 heeft vastgesteld, heeft het openbaar ministerie in het kader van de insolventieprocedures tot taak in het algemeen belang te handelen en treedt het op die wijze ook op om de belangen van het geheel van de schuldeisers te vrijwaren, zonder echter op te treden in naam en voor rekening van die schuldeisers.

Het openbaar ministerie dat geen eigen vordering heeft die te verhalen is op de boedel van de schuldenaar, is aldus geen "schuldeiser" in de zin van artikel 3.4.b Insolventieverordening die de opening van een territoriale insolventieprocedure kan aanvragen.

Het onderdeel dat op een andere rechtsopvatting berust, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

5. Artikel 3.4 aanhef en a, Insolventieverordening bepaalt:

"De opening van een territoriale insolventieprocedure krachtens lid 2 kan slechts in de volgende gevallen aan de opening van een insolventieprocedure krachtens lid 1 voorafgaan:

a) wanneer de opening van een insolventieprocedure krachtens lid 1 niet kan worden verkregen in verband met de voorwaarden die gesteld worden in de wetgeving van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar zich bevindt".

6. In voormeld arrest van 17 november 2011 heeft het Hof van Justitie voor recht gezegd dat de uitdrukking "de voorwaarden die gesteld worden" van artikel 3.4.a Insolventieverordening, die verwijst naar de voorwaarden die volgens het recht van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar zich bevindt, de opening van een hoofdinsolventieprocedure in deze staat verhindert, aldus moet worden uitgelegd dat zij geen betrekking heeft op de voorwaarden waardoor bepaalde specifieke personen worden uitgesloten van de groep personen die bevoegd zijn om de opening van deze procedure aan te vragen.

Uit het arrest van 17 november 2011 blijkt dat uit de bewoordingen van vermeld artikel 3.4.a, volgt dat de onmogelijkheid om de opening van een hoofdprocedure te verkrijgen objectief moet zijn en niet mag verschillen naargelang de specifieke omstandigheden waarin om opening van deze procedure wordt verzocht.

Uit hetzelfde arrest blijkt dat de onmogelijkheid om een hoofdinsolventieprocedure te openen niet kan voortvloeien uit het loutere feit dat een bepaalde persoon, zoals de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie van een lidstaat waar de schuldenaar een vestiging heeft, volgens het recht van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar zich bevindt, niet bevoegd is om de opening van een hoofdprocedure in deze laatste lidstaat aan te vragen.

7. Het bestreden arrest oordeelt dat voor de toepassing van vermeld artikel 3.4.a, niet nagegaan dient te worden wie in Nederland de opening van een faillissementsprocedure kan aanvragen, maar enkel dient nagegaan te worden of een faillissement in Nederland kan worden uitgesproken. Aangezien het antwoord daarop bevestigend luidt, was volgens het arrest de voorwaarde van vermeld artikel 3.4.a, niet vervuld.

8. Uit het antwoord gegeven door het Hof van Justitie op de door het Hof gestelde vragen volgt dat het bestreden arrest, door aldus te oordelen, artikel 3.4.a, Insolventieverordening niet schendt.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

9. De beschikking van het arrest die het openbaar ministerie tot betaling van de kosten van de beide aanleggen veroordeelt, dient in die zin te worden begrepen dat de kosten ten laste van de Staat worden gelegd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Legt de kosten van het cassatiegeding ten laste van de Staat.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 88,28 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 10 mei 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric

Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Europese Unie

  • Insolventieverordening

  • Insolventieprocedure

  • Opening

  • Voorwaarden

  • Openbaar ministerie

  • Schuldeiser