- Arrest van 16 mei 2012

16/05/2012 - P.12.0223.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de rechter in hoger beroep kennisneemt van de strafvordering, maakt het horen van de vordering van het openbaar ministerie een substantieel vormvereiste uit dat in de beslissing of het proces-verbaal van de rechtszitting dient te worden vastgesteld; de wet schrijft evenwel niet voor dat het openbaar ministerie een samenvatting geeft van de zaak en evenmin dat in de beslissing in hoger beroep of in een andere akte van de rechtspleging, de grieven van het openbaar ministerie tegen het door hem beroepen vonnis, worden vermeld (1). (1) Cass. 12 april 1988, AR 2279, AC 1987-1988, nr. 488; Cass. 19 sep. 2001, AR P.01.1143.F, AC 2001, nr. 474.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0223.F

L. T.,

Mr. Jean-Maurice Arnould, advocaat bij de balie te Bergen,

tegen

1. M. D. M.,

2. V. M.,

Mr. Bernard Coulon, advocaat bij de balie te Bergen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, correctionele kamer, van 23 december 2011.

De eiseres voert in een memorie en een verzoekschrift die aan dit arrest zijn gehecht, drie identieke middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvordering

Derde middel

Artikel 190 Wetboek van Strafvordering is alleen van toepassing op de rechtspleging in hoger beroep in zoverre die niet door bijzondere bepalingen wordt geregeld. Artikel 210 van hetzelfde wetboek bepaalt niet dat het openbaar ministerie in hoger beroep een samenvatting geeft van de feiten.

Ofschoon, volgens artikel 210, op het hoger beroep tegen de beslissing op de strafvordering, de vordering van het openbaar ministerie moet worden gehoord en ofschoon in de beslissing of in het proces-verbaal van de rechtszitting moet worden vastgesteld dat dit substantiële vormvereiste in acht genomen is, bepaalt geen enkele wetsbepaling dat de inhoud van die vordering moet worden vermeld.

Het middel dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 16 mei 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van procureur-generaal François Leclercq, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Openbaar ministerie

  • Vordering