- Arrest van 16 mei 2012

16/05/2012 - P.12.0749.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De op grond van artikel 7, derde lid, van de wet van 15 december 1980 genomen administratieve maatregel die vermeldt dat de vreemdeling in België verblijft zonder geldig visum, hem kennis is gegeven van twee bevelen om het grondgebied te verlaten, hij opnieuw werd gecontroleerd terwijl hij op onwettige wijze in het land verbleef en dat het, ondanks de eerdere kennisgeving van een maatregel tot verwijdering, weinig waarschijnlijk is dat hij vrijwillig aan de nieuwe maatregel gevolg zal geven, is een wettig genomen maatregel.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0749.F

E. K. G.,

Mr. Dominique Andrien, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 april 2012.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het middel verwijt de appelrechters dat zij artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet hebben geschonden door aan de tegen de eiseres genomen administratieve maatregel redenen toe te voegen die daarin niet vermeld staan.

Krachtens artikel 7, derde lid, van de voormelde wet, kan de vreemdeling, tenzij op doeltreffende wijze andere toereikende doch minder dwingende maatregelen kunnen toegepast worden, met het oog op zijn verwijdering worden vastgehouden voor de tijd die voor de uitvoering van de maatregel noodzakelijk is, inzonderheid wanneer er een risico op ontvluchting bestaat of wanneer de onderdaan van het derde land de voorbereiding van de terugkeer of verwijdering verhindert of ontloopt.

In strijd met wat het middel aanvoert, beperkt de aan het toezicht van het onderzoeksgerecht voorgelegde beslissing zich niet ertoe te vermelden dat het verantwoord is de eiseres vast te houden op grond dat zij, vermits zij op het ogenblik van haar aanhouding over geen enkel identiteitsdocument beschikte, dient opgesloten te worden om haar nationale overheid in staat te stellen een reistitel te verlenen.

De beslissing vermeldt eveneens dat de eiseres in België verblijft zonder geldig visum, dat haar op 29 maart 2010 en 11 mei 2011 kennis was gegeven van twee bevelen om het grondgebied te verlaten, dat zij opnieuw werd gecontroleerd terwijl zij op onwettige wijze in het land verbleef en dat, ondanks de eerdere kennisgeving van een maatregel tot verwijdering, het weinig waarschijnlijk is dat zij vrijwillig aan die nieuwe maatregel gevolg zou geven.

Op grond van die vermeldingen en zonder toevoeging van eigen redenen, oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling dat de administratieve beslissing het in artikel 7, derde lid, bepaalde subsidiariteitsbeginsel had geëerbiedigd.

Het arrest verantwoordt zijn beslissing dus naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel voert eerst aan dat de vrijheidsberovende maatregel een motiveringsgebrek vertoont in zoverre zij geen minder dwingende maatregel aanvoert die toegepast had kunnen worden, noch melding maakt van een risico op ontvluchting van de eiseres of van een poging van de eiseres om haar terugkeer te verhinderen.

Wanneer de minister, in de beslissing tot vrijheidsberoving op concrete wijze de omstandigheden vermeldt die de maatregel verantwoorden in het licht van de bij artikel 7, derde lid, Vreemdelingenwet vereiste strikte noodzakelijkheid, omkleedt de minister die beslissing met redenen, overeenkomstig artikel 62 van die wet. Geen enkele bepaling legt hem bovendien de verplichting op om de redenen uiteen te zetten waarom hij van oordeel is dat een minder dwingende maatregel ongeschikt zou zijn om dat doel te bereiken.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

In zoverre het middel een tegenstrijdigheid aanvoert in de motivering van de administratieve beslissing, kan het niet voor het eerst voor het Hof worden aangevoerd en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 16 mei 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van procureur-generaal François Leclercq, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Vrijheidsberoving

  • Handhaving

  • Administratieve maatregel

  • Wettigheid