- Arrest van 18 mei 2012

18/05/2012 - C110628F-C110791F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bestuurder in de zin van artikel 29bis, eerste lid, van de wet van 21 november 1989, is de persoon die het motorrijtuig bestuurt op het ogenblik van het ongeval, dat wil zeggen de persoon die, op dat ogenblik, het meesterschap over dat motorrijtuig heeft via mechanische middelen waardoor hij het voertuig in een bepaalde richting kan sturen en zodoende het vermogen van de motor beheerst; de omstandigheid alleen dat een bestuurder van zijn voertuig wordt gegooid en de grond, een hindernis of een ander voertuig raakt tijdens het ongeval zelf, ontneemt hem de hoedanigheid van bestuurder niet; hij verliest die hoedanigheid pas wanneer hij, na van het voertuig te zijn gegooid, getroffen wordt door een ander verkeersongeval dan het eerste (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2012, nr. ….

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0628.F

FIDEA nv,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

AXA BELGIUM nv,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

A.R. C.11.0791.F

AXA BELGIUM nv,

tegen

R.B.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

in tegenwoordigheid van

FIDEA nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis dat op 27 april 2011 in hoger beroep is gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Dinant.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 2 mei 2012 een conclusie neerge-legd ter griffie.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht;

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert tot staving van het cassatieberoep, dat op de algemene rol is inge-schreven onder het nummer C.11.0628.F, twee middelen aan waarvan het eerste gesteld is als volgt.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 29bis, inzonderheid § 1, eerste lid, en § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake mo-torrijtuigen;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis stelt vast dat R.B., die op 10 juli 2005 met haar motorfiets reed te Havelange, chaussée de Liège, in de richting van Luik, dat zij het meesterschap over haar motorfiets heeft verloren, dat zij het voertuig van het merk Ford Focus, dat door J.K. werd bestuurd en vóór haar reed, heeft kunnen ontwijken maar door dat manoeuvre van de motorfiets, dat zij niet meer onder controle had, is gevallen en zwaar is aangereden door een voertuig van het merk Skoda, dat uit de tegenovergestelde richting naderde en bestuurd werd door J.V., dat R.B. door die botsing zwaargewond raakte, en dat het strafrechtelijk vooronderzoek dat na het ongeval werd ingesteld, geseponeerd werd. Het bestreden vonnis, dat beslist dat de bestuurders J.K. en J.V. niet aansprakelijk zijn voor het ongeval, en dat alleen R.B. aansprakelijk is voor het ongeval, veroordeelt vervolgens de verweerster, de verzekeraar die de aansprakelijkheid van J.V. dekt, om op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 de schade te vergoeden die R.B. heeft geleden door haar botsing met de wagen van J.V., kent aan R.B., ten laste van de verweerster, het provisionele bedrag van één euro toe en wijst een deskundige aan om de schade van R.B. te begroten.

De rechtbank veroordeelt de eiseres, de verzekeraar die de aansprakelijkheid van R.B. dekt voor het gebruik van de motorfiets die zij bestuurde, op het beroep tot vrijwaring dat de verweerster tegen de eiseres heeft ingesteld, "om de (verweerster) te vrijwaren tegen elke veroordeling die door dit vonnis uitgesproken wordt" - dit wil zeggen de veroordeling van de eiseres in het voordeel van R.B.

De rechtbank "houdt de uitspraak voor het overige aan".

Het vonnis verantwoordt zijn beslissing om alle redenen die hier als volledig weergegeven en bekritiseerd worden beschouwd, en in het bijzonder om de volgende redenen:

"B. De vergoeding op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989

16. Mevrouw B. grondt de rechtsvordering die zij tegen de (verweerster) heeft ingesteld niet alleen op het gemeen recht van de buitencontractuele aansprakelijkheid, maar daarenboven op artikel 29bis van de wet van 21 november 1989.

Zij beklemtoont immers dat het voertuig van de heer V. (ook verzekerd door [de verweerster]) betrokken was bij het ongeval, daar haar letsels - of de zwaarste letsels althans - niet zijn veroorzaakt door de val maar doordat de wagen van de heer V. over haar heen is gereden, toen zij op de rijbaan lag.

Zij voert daarenboven aan dat zij, toen zij op de grond viel en haar motorfiets niet meer in de hand had, een zwakke weggebruiker was en niet een bestuurder, die overeenkomstig artikel 29bis, § 2, uitgesloten is van de automatische vergoeding.

17. Mevrouw B. verwijt de politierechtbank terecht dat zij haar beslissing hierop heeft gegrond dat ‘niemand tegen wil en dank voetganger is' en dat ‘niemand voetganger wordt zonder dat hij dat zelf wil'.

Om voor vergoeding op grond van artikel 29bis in aanmerking te komen, is immers niet vereist dat het slachtoffer de hoedanigheid van voetganger heeft: het is noodzakelijk maar voldoende dat hij niet de hoedanigheid van bestuurder heeft.

De toepassing van die bepaling hangt daarenboven evenmin af van de voorwaarde dat de bestuurder die hoedanigheid opzettelijk verloren heeft op het ogenblik van het ongeval.

De rechtspraak en de rechtsleer zijn het erover eens dat een weggebruiker automatisch vergoed kan worden wanneer hij de hoedanigheid van bestuurder buiten zijn wil om verloren heeft.

De moeilijkheid bestaat er dan ook in te bepalen op welk ogenblik de betrokken weggebruiker de hoedanigheid van bestuurder verliest en zwakke weggebruiker wordt.

Volgens sommige auteurs dient de weggebruiker het meesterschap over zijn voertuig ‘lang genoeg verloren te hebben om te kunnen oordelen dat de om-standigheden die tot de schade hebben geleid, onderling niet langer onlosmakelijk verbonden zijn en dat zij bijgevolg twee verschillende ongevallen vormen'.

Het beroepen vonnis verwijst naar die opvatting door vast te stellen dat het ongeval weliswaar ‘in twee fases' heeft plaatsgevonden, maar ‘dat het gaat om twee, onderling nauw verbonden fases van hetzelfde ongeval en niet om twee afzonderlijke ongevallen die los van elkaar moeten worden beschouwd'.

Het vonnis beslist aldus wat volgt:

‘De bestuurder van een motorfiets wordt niet opnieuw een zwakke weggebruiker wanneer hij zijn voertuig verlaat door ervan te vallen, aangezien er geen onderscheid kan worden gemaakt tussen meerdere opeenvolgende ongevallen die op een verschillend tijdstip plaatsvinden'.

18. Dit criterium is niet alleen moeilijk toe te passen maar mist daarenboven elke grond en laat veel ruimte over voor een subjectieve beoordeling, zoals blijkt uit de vele twijfels die hierover in de rechtspraak, zowel in België als in Frankrijk, bestaan.

Sommigen, die rekening wilden houden met de dynamiek van het ongeval, hebben het hierboven bedoelde criterium willen ‘verfijnen' door een onderscheid te maken naargelang het slachtoffer al dan niet nog aan de kinetische energie van zijn voertuig onderhevig was op het ogenblik van de botsing met het voertuig waarvan de betrokkenheid in vraag wordt gesteld.

Zo heeft het Franse Hof van Cassatie aangenomen dat een bromfietser niet langer een bestuurder was toen hij bij de tweede botsing uitgestrekt op de rijbaan lag, terwijl het Hof het tegenovergestelde standpunt innam toen de bromfietser op het ogenblik van de botsing nog steeds in beweging was.

19. De rechtbank oordeelt van zijn kant dat, aangezien het begrip ‘bestuurder' een grond vormt tot uitsluiting van de in artikel 29bis bepaalde vergoeding, dat begrip op een beperkende wijze moet worden uitgelegd.

Volgens professor D. is de bestuurder degene die, op het ogenblik van het ongeval, 'het voertuig daadwerkelijk in een bepaalde richting kan sturen via daartoe bedoelde mechanische middelen'. Hij voegt hieraan toe dat ‘het begrip bestuurder méér inhoudt dan een welbepaald vermogen dat in abstracto beoordeeld wordt; dat vermogen moet daadwerkelijk worden aangewend'.

Bijgevolg moet geoordeeld worden dat mevrouw B., zodra zij het fysiek contact met de controle-instrumenten van haar motorfiets verloor, ook de hoedanigheid van bestuurder verloor, ook al is er tussen haar val en de botsing met het voertuig van de heer V. heel weinig tijd verstreken.

De vraag of het slachtoffer stil lag of bewoog op het ogenblik van de botsing is niet relevant, daar zij in beide gevallen haar voertuig niet meer in de hand had, aangezien zij ervan was afgeworpen.

Het beroepen vonnis moet dus op dat punt gewijzigd worden: de (verweerster) moet aan mevrouw B. het provisionele bedrag van één euro betalen, een deskundige moet worden belast met de opdracht de letsels te beoordelen en moet worden verzocht te bepalen welke schade het gevolg is van de oorspronkelijke val (die geen aanleiding geeft tot vergoeding op grond van artikel 29bis) en welke schade is veroorzaakt door de botsing met het voertuig van de heer V.

C. De tussenvorderingen

20. De (verweerster) stelt evenwel een vordering tot vrijwaring in tegen de (eiseres), de verzekeraar van mevrouw B., die zij voor het ongeval aansprakelijk acht.

Uit de hierboven vermelde vaststellingen blijkt immers wel degelijk dat de verzekerden van de (verweerster) geen enkele fout in oorzakelijk verband met het ongeval hebben begaan: de heer K. heeft zijn bocht naar links correct voorbereid, terwijl de heer V. geconfronteerd werd met een niet te voorziene en onvermijdelijke hindernis.

Mevrouw B. is als enige aansprakelijk voor het ongeval, omdat zij onvoldoende afstand heeft gehouden tot het voertuig dat voor haar uit reed en zij bijgevolg het meesterschap over haar motorfiets heeft verloren op het ogenblik dat de heer K. aangaf dat hij links wilde afslaan.

De (eiseres) moet bijgevolg veroordeeld worden om de (eiseres) te vrijwaren tegen de veroordelingen die, overeenkomstig het gemeen recht, tegen haar kunnen worden uitgesproken".

Grieven

Artikel 29bis, § 1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 bepaalt dat "bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, (...), met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk wordt vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken.

Luidens datzelfde artikel, § 2, "kunnen de bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden zich niet beroepen op de bepalingen van dit artikel".

Eerste onderdeel

Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis kan worden afgeleid dat R.B. de motorfiets bestuurde op het ogenblik van het ongeval. Zij kon dus niet op grond van artikel 29bis van de wet van 29 november 1989 een vergoeding eisen van de verweerster, de verzekeraar die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van J.V. dekte, aangezien dat artikel de bestuurder van een motorrijtuig uitsluit van vergoeding.

De omstandigheid, zoals ook het vonnis vaststelt, dat R.B. is aangereden door J.V. na van haar motorfiets te zijn gevallen en door die val "het fysiek contact met de controle-instrumenten" van die motorfiets heeft verloren , kon haar de hoedanigheid van bestuurder in de zin van die tekst niet ontnemen.

Het vonnis, dat het tegendeel beslist en, bijgevolg, voor recht zegt dat de verweerster, op grond van die wettekst, wettig gehouden is tot vergoeding van de schade van R.B., die het gevolg is van haar botsing met het door J.V. bestuurde voertuig, en een deskundige aanwijst om die schade te begroten en de verweerster veroordeelt om aan R.B. het provisionele bedrag van een euro te betalen, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989).

Tweede onderdeel

Aangezien uit de hierboven weergegeven redenen en, in het bijzonder uit de reden dat "mevrouw B. als enige aansprakelijk is voor het ongeval, omdat zij onvoldoende afstand heeft gehouden tot het voertuig dat voor haar uit reed en zij bijgevolg het meesterschap over haar motorfiets heeft verloren op het ogenblik dat de heer K. aangaf dat hij links wilde afslaan", volgt dat R.B. aansprakelijk is voor het ongeval en dat zij aansprakelijk is in de hoedanigheid van bestuurder van de motorfiets, heeft het vonnis niet wettig kunnen beslissen dat zij die hoedanigheid niet had en dat zij dus een "zwakke weggebruiker" was in de zin van artikel 29, § 1, van de wet van 21 november 1989 en dat zij bijgevolg recht had om door de verweerster te worden vergoed in de zin van die tekst (opnieuw schending van die wetsbepaling).

Derde onderdeel

De eiseres had in haar conclusie het volgende aangevoerd:

"Het geval van mevrouw B. kan geenszins worden vergeleken met dat van een buschauffeur die, na met zijn bus te hebben gereden, (vrijwillig) uitstapt of van een bestuurder die, na de motor van zijn wagen te hebben afgezet, tussen dat voertuig en de open deur rechtstaat;

In dit geval bestuurde (R.B.) haar motorfiets op het ogenblik van het ongeval, was ze niet gestopt en had ze de motor evenmin afgezet;

Het feit trouwens dat zij op haar ‘tweewieler' zat, is net de reden waarom zij is gevallen en gewond is geraakt".

De eiseres voerde aldus in substantie aan dat, terwijl de bestuurder van een motorrijtuig die dat motorrijtuig vrijwillig verlaat, de in artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 bedoelde vergoeding kan genieten, de bestuurder van een motorfiets, die hiermee rondrijdt en een ongeval veroorzaakt, dat niet kan: het feit dat dit ongeval de val van de bestuurder heeft veroorzaakt, geeft hem niet het recht de exceptie te verwerpen die inzonderheid is bepaald in artikel 29, § 2, van dezelfde wet, zodat de hoedanigheid van bestuurder hem niet kan worden ontnomen.

Het vonnis antwoordt met geen van de bekritiseerde redenen op dat middel en is dus niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

De eiseres voert tot staving van het cassatieberoep, dat op de algemene rol is inge-schreven onder het nummer C.11.0791.F, in het cassatieverzoekschrift een middel aan, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

De cassatieberoepen die op de algemene rol zijn ingeschreven onder de nummers C.11.0628.F en C.11.0791.F, zijn gericht tegen hetzelfde vonnis. Er bestaat grond tot voeging.

A. Het cassatieberoep nummer C.11.0628.F:

Eerste middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 29bis, § 1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989 betref-fende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen wordt, bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrij-tuigen overeenkomstig deze wet dekken.

Paragraaf 2 van datzelfde artikel bepaalt dat de bestuurder van een voertuig en zijn rechthebbenden zich niet kunnen beroepen op de bepalingen van dit artikel, tenzij de bestuurder optreedt als rechthebbende van een slachtoffer dat geen be-stuurder was en op voorwaarde dat hij de schade niet opzettelijk heeft veroor-zaakt.

De bestuurder, in de zin van voormeld artikel 29bis, is de persoon die het motor-rijtuig bestuurt op het ogenblik van het ongeval, dat wil zeggen de persoon die, op dat ogenblik, het meesterschap over dat motorrijtuig heeft via mechanische mid-delen waardoor hij het voertuig in een bepaalde richting kan sturen en die zo-doende het vermogen van de motor beheerst.

De omstandigheid alleen dat een bestuurder van zijn voertuig wordt gegooid en de grond, een hindernis of een ander voertuig raakt tijdens het ongeval zelf, ontneemt hem niet de hoedanigheid van bestuurder.

Hij verliest die hoedanigheid pas wanneer hij, na van het voertuig te zijn gegooid, getroffen wordt door een verkeersongeval dat niet met het eerste ongeval samen-valt.

Het bestreden vonnis, dat beslist "zodra mevrouw B. het fysiek contact met de controle-instrumenten van haar motorfiets verloor, ook de hoedanigheid van be-stuurder verloor, ook al is er tussen haar val en de botsing met het voertuig van de heer V. heel weinig tijd verstreken" en dat "de vraag of het slachtoffer stil lag of bewoog op het ogenblik van de botsing niet relevant is, daar zij, in beide gevallen, haar voertuig niet meer in de hand had, aangezien zij ervan was afgeworpen", verantwoordt op grond van die redenen niet naar recht zijn beslissing dat de verweerster, in haar hoedanigheid van verzekeraar van het door de heer V. be-stuurde voertuig, mevrouw B. dient te vergoeden op grond van voormeld artikel 29bis.

Het onderdeel is gegrond.

Omvang Cassatie

De vernietiging van de beslissing die de verweerster veroordeelt om mevrouw B. te vergoeden op grond van voormeld artikel 29bis, strekt zich uit tot de beslissing die een medisch deskundigenonderzoek beveelt teneinde de lichamelijke schade te bepalen die mevrouw B. door het ongeval heeft geleden en tot die welke de eise-res veroordeelt om de verweerster te vrijwaren tegen elke veroordeling die tegen mevrouw B. kan worden uitgesproken, aangezien die laatste beslissingen het ge-volg zijn van de eerste.

Overige grieven

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het tweede middel en van de andere on-derdelen van het eerste middel, die niet kunnen leiden tot ruimere vernietiging.

B. Het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.11.0791.F

Middel

Het middel is gegrond, om de redenen die zijn opgegeven in antwoord op het soortgelijke eerste onderdeel van het eerste middel, dat is aangevoerd tot staving van het cassatieberoep dat is ingeschreven onder het nummer C.11.0628.F.

Dictum

Het Hof

Voegt de cassatieberoepen die op de algemene rol van het Hof zijn ingeschreven onder de nummers C.11.0628.F en C.11.0791.F.

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het de hogere beroepen van R.B. en van de naamloze vennootschap Axa Belgium ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Namen, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Alain Simon en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 18 mei 2012 uit-gesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advo-caat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Artikel 29bis van de wet van 21 november 1989

  • Niet beschermde persoon

  • Vergoeding

  • Uitsluiting

  • Bestuurder van het motorrijtuig