- Arrest van 18 mei 2012

18/05/2012 - C.11.0407.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het definitieve aanbod, waarvan de aanvaarding leidt tot de totstandkoming van de overeenkomst, is het aanbod dat niet afhangt van een opschortende voorwaarde of dat door de vervulling van die voorwaarde definitief wordt (1). (1) 'Le processus de formation du contrat', Centre de droit des obligations, Contributions comparatives et interdisciplinaire à l'harmonisation du droit européen, Bruylant, 2002, p. 154 en 155; Pierre van Ommeslaghe, 'Droit des obligations', dl. 1, Bruylant, 2010, p. 483; Cass. 16 maart 1989, AR 8057-8052, AC, 1987-88, nr. 405; M. Vanwijk-Alexandre en P. Wery, 'Le processus de formation du contrat', Commission université palais, Larcier 2004, vol. 72, p. 15 e.v. en verwijzingen; Cass. 27 juni 2008, AC, 2008, AR C.06.0413.F, nr. 417.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0407.F

1. M. N.,

2. G. M.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. B. V.,

2. SOFITEMA nv,

3. FORFUN nv,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 9 december 2010 van het hof van beroep te Luik.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1101, 1108, 1176, 1181, 1182, 1582, 1583 en 1584 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest vernietigt het beroepen vonnis, behalve in zoverre het de vorderingen van de partijen ontvankelijk verklaart, de tegenvordering van de eiseres verwerpt en de kosten begroot, en het verklaart, met wijziging van dat vonnis, "de oorspronkelijke vordering [van de verweerders] gedeeltelijk gegrond en de oor-spronkelijke tegenvordering [van de eiseres] ongegrond", "veroordeelt [de eisers] om aan de [verweerders] een bedrag van 15.000 euro te betalen, vermeerderd met de moratoire interest vanaf 16 maart 2006, datum van de dagvaarding, tot de al-gehele betaling", en "veroordeelt hen in de kosten van de twee instanties", om alle redenen en in het bijzonder om de volgende redenen:

"Allereerst moet ingegaan worden op het bezwaar [van de eiser], volgens hetwelk de koopovereenkomst in elk geval nog niet was gesloten, aangezien de offerte zelf aan voorwaarden onderworpen was en dus niet als definitief beschouwd werd.

Dit bezwaar is niet gegrond.

Wanneer de overeenkomst wordt gesloten onder een opschortende voorwaarde, blijft die overeenkomst immers bestaan zolang de voorwaarde niet is vervuld, hoewel de uitvoering van de verbintenis geschorst is.

Die overeenkomst doet dus rechten en verplichtingen tussen de partijen ontstaan".

Grieven

Zoals elke rechtshandeling kan het aanbod tot het sluiten van een overeenkomst onder een opschortende voorwaarde worden gedaan. De aanbieder stelt zijn wil om de overeenkomst te sluiten afhankelijk van de vervulling van een toekomstige en onzekere gebeurtenis.

Wanneer een aanbod onder een dergelijke voorwaarde wordt gedaan, krijgt de eenzijdige verbintenis van de aanbieder pas uitwerking als de vervulling van de voorwaarde daadwerkelijk in vervulling gaat. Aangezien de opschortende voorwaarde tot gevolg heeft dat de opeisbaarheid van de verbintenis van de aanbieder geschorst wordt, kan die verbintenis immers geen gevolgen hebben, dat wil zeggen dat zij door de bestemmeling pas na vervulling van de voorwaarde aan-vaard kan worden.

De eiser heeft in zijn syntheseconclusie in hoger beroep aangevoerd dat "er in elk geval van moet worden uitgegaan dat de koopovereenkomst nog niet gesloten was, aangezien het aanbod zelf aan voorwaarden onderworpen was en dus nog niet als definitief werd beschouwd".

De eiser preciseerde, met betrekking tot de voorwaarde volgens welke de verweerders een lening dienden te verkrijgen, meer bepaald dat "het geen voor-waarde betrof die was opgenomen in de voorlopige koopakte maar in het aanbod, waardoor dat aanbod niet definitief maar vervallen was, daar het afhing van een opschortende voorwaarde; het aanbod stond niet vast en was niet definitief zolang die opschortende voorwaarde niet was vervuld; ook al heeft de [eiser] het aanbod aanvaard, toch kon de verkoop niet als gesloten worden beschouwd omdat het aanbod niet als vaststaand en definitief kon worden beschouwd"; aangezien de verkoop niet totstandgekomen en definitief was, kunnen de [verweerders] de ont-binding ervan niet eisen en kunnen zij bijgevolg geen schadevergoeding vorderen".

Het arrest verwerpt dit argument, op grond dat een "overeenkomst" die onder een opschortende voorwaarde is gesloten, blijft bestaan zolang de voorwaarde niet is vervuld, hoewel de uitvoering van de verbintenis opgeschort is, zodat "die overeenkomst dus rechten en verplichtingen tussen de partijen doet ontstaan".

Het arrest beslist dat er zodoende een koopovereenkomst is gesloten, op grond dat er een koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde was gesloten. Het arrest volgt aldus niet alleen uit van een tautologische redenering, meer nog, het maakt geen onderscheid tussen, enerzijds, het aanbod tot het sluiten van een overeenkomst onder een opschortende voorwaarde en, anderzijds, het voorwaardelijke aanbod om een definitieve overeenkomst te sluiten.

Aangezien uit het arrest niet blijkt dat de opschortende voorwaarden zijn vervuld - de verweerders wijzen in hun conclusie trouwens zelf erop dat "het aanbod geenszins vervallen is omdat de voorwaarden niet zijn vervuld" -, het aanbod niet geacht kon worden uitwerking te hebben, zodat de aanvaarding van dat aanbod door de eiser niet tot gevolg kon hebben dat de verkoopovereenkomst rechtsgeldig was gesloten.

Het arrest, dat beslist dat er tussen de partijen een koopovereenkomst is gesloten terwijl de eiser het aanbod niet rechtsgeldig kon aanvaarden zolang de voorwaarde niet was vervuld, miskent derhalve niet alleen het wettelijk begrip "aanbod tot het sluiten van een overeenkomst" (schending van de artikelen 1101 en 1108 van het Burgerlijk Wetboek) maar tevens de regels betreffende de koopovereenkomst (schending van de artikelen 1582, 1583 en 1584 van het Burgerlijk Wetboek). Het miskent daarenboven, voor zover nodig, het wettelijk begrip "opschortende voorwaarde" (schending van de artikelen 1176, 1181 en 1182 van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het definitieve aanbod, waarvan de aanvaarding leidt tot de totstandkoming van de overeenkomst, is het aanbod dat niet afhangt van een opschortende voorwaarde of dat door de vervulling van die voorwaarde definitief wordt.

Uit het arrest blijkt dat de eerste verweerder op 1 september 2005 aangeboden heeft het pand van de eisers te kopen en dat hij zijn aanbod afhankelijk heeft ge-steld van verschillende opschortende voorwaarden, waaronder het verkrijgen van een hypothecaire lening.

Het arrest, dat de conclusie verwerpt waarin de eiser aanvoerde dat de koopover-eenkomst niet tot stand was gekomen, daar het aanbod afhing van verschillende voorwaarden en dus niet definitief was, beslist dat de overeenkomst, "wanneer [zij] wordt gesloten onder een opschortende voorwaarde, blijft bestaan zolang de voorwaarde niet is vervuld, hoewel de uitvoering van de verbintenis geschorst is".

Het arrest, dat niet vaststelt dat de opschortende voorwaarden van het aanbod zouden zijn vervuld, zodat dit aanbod definitief zou zijn geworden, maar dat be-slist dat er tussen de partijen een koopovereenkomst onder opschortende voor-waarde is gesloten, schendt de artikelen 1101, 1108 en 1582 tot 1584 Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Overige grieven

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het tweede middel, dat niet kan leiden tot ruimere vernietiging.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het hoofdberoep ont-vankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Alain Simon en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 18 mei 2012 uit-gesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advo-caat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Totstandkoming van de overeenkomst

  • Aanbod

  • Definitief aanbod

  • Aanbod onder voorwaarde

  • Aanvaarding