- Arrest van 25 mei 2012

25/05/2012 - C.10.0293.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de vraag rijst of artikel 11 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radiocommunicatie, als het aldus wordt uitgelegd dat het aan de Staat de bevoegdheid toekent om rechten te eisen voor controle en toezicht op een telecommunicatienet dat puntsgewijs de verbinding verzekert tussen een studio waar radio-uitzendingen gebeuren en een zendstation dat die uitzendingen overbrengt welke bestemd zijn om door het publiek te worden ontvangen, de artikelen 127, § 1, 1° van de Grondwet en 4, 6° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen schendt, is het Hof ertoe verplicht aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag hieromtrent te stellen (1). (1) Art. 11, Wet 30 juli 1979, vervangen door art. 338 van de programmawet van 22 dec. 1989 en gewijzigd bij art. 3 van het koninklijk besluit van 15 maart 1994.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0293.F

CONTACTSAT nv,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCH INSTITUUT VOOR POSTDIENSTEN EN TELECOMMUNICATIE,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 januari 2010.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Artikel 127, § 1, 1°, Grondwet bepaalt dat het parlement van de Franse Gemeenschap de culturele aangelegenheden bij decreet regelt.

Artikel 4, 6°, van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen bepaalt dat de culturele aangelegenheden onder meer de radio-omroep en de televisie omvat, het uitzenden van mededelingen van de Nationale Regering uitgezonderd.

Artikel 3, § 1, van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radiocommunicatie bepaalt dat niemand in het Rijk noch aan boord van een zeeschip, een binnenschip, een luchtvaartuig of enige andere drager, onderworpen aan het Belgisch recht, een zend- of ontvangtoestel voor radioverbinding mag houden of een station of een net voor radioverbinding mag aanleggen en doen werken zonder schriftelijke vergunning van de Minister.

Artikel 1, 3°, eerste lid, van die wet verstaat onder radioverbinding elke overbrenging, door middel van radio-elektrische golven, van inlichtingen van alle aard, inzonderheid van klanken, teksten, beelden, overeengekomen tekens, numerieke of analoge uitdrukkingen, seinen voor afstandsbediening, seinen bestemd voor de opsporing of voor de bepaling van de plaats of de beweging van voorwerpen.

Krachtens artikel 1, 7°, van die wet wordt onder radio-omroepdienst verstaan de dienst voor radioverbinding die uitzendingen doet welke bestemd zijn om rechtstreeks door het publiek in het algemeen te worden ontvangen: die dienst kan bestaan uit klank-, televisie- of andere soorten van uitzendingen.

Artikel 11 van voormelde wet, dat vervangen is door artikel 338 van de programmawet van 22 december 1989 en gewijzigd is door artikel 3 van het koninklijk besluit van 15 maart 1994 bepaalt dat het Belgisch instituut voor postdiensten en telecommunicatie bevoegd is toezicht uit te oefenen op de toepassing van deze wet en van de ter uitvoering ervan getroffen besluiten; de Koning stelt het bedrag vast van de rechten die aan het Instituut moeten worden betaald door de aanvragers en titularissen van de vergunningen bedoeld in artikel 3, §1, om de uitgaven te dekken die voortvloeien uit de controle over de naleving van hun verplichtingen en van de aan hun stations en netten voor radioverbinding opgelegde voorwaarden alsmede voor het te hunner beschikking stellen van één of meer frequenties en het recht deze te gebruiken; hij bepaalt de betalingsmodaliteiten van die rechten.

Het arrest stelt vast dat de verweerder "[de eiseres] gedagvaard heeft [...] tot betaling [...] van een factuur betreffende het recht voor de controle en het toezicht op het door [de eiseres] gebruikte radioverbindingsnet dat is vastgesteld met toepassing van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979", dat hij zijn vordering "heeft uitgebreid [...] en gewijzigd naar aanleiding van nieuwe facturen die betrekking hebben op hetzelfde voorwerp voor de komende jaren", dat de eiseres "zich tegen de betaling van de facturen heeft verzet", aangezien zij "zichzelf beschouwt als een operator op het gebied van de klanktechniek voor radioverbinding".

Het arrest beslist dat "de infrastructuur [van de eiseres] een private radio-omroepdienst is [...] en geen [...] dienst voor klankradioverbinding via satelliet" op grond dat, "aangezien de vaste stations hertzgolven gebruiken op frequenties rond de 1500 MHz en zij dus frequenties [gebruiken] die niet overeenkomen met die welke aan de gemeenschappen zijn toegekend [...], die vaste stations geen technisch toebehoren vormen dat nodig is voor de overbrenging van radioboodschappen" en dat, "aangezien de aanvraag [van de eiseres] om hertzgolven te gebruiken verantwoord [was] door haar wens om de studio/zendstations te moderniseren [...], het gebruik van de vaste stations [...] helemaal niet nodig was voor radioverbindingsactiviteiten".

Het arrest leidt uit die overwegingen af dat "de vraag naar de grondwettigheid niet aan de orde is [...], [aangezien] de federale staat, [daar] het hier niet gaat om stations of netten voor radioverbinding, de bevoegdheden van de gemeenschappen niet heeft miskend en daarover geen uitspraak hoeft te doen".

Het onderdeel voert aan dat het arrest door die overwegingen het begrip radioverbinding in de zin van artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 miskent.

Op grond van artikel 26, § 1, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 is het Hof ertoe verplicht aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag te stellen die zoals in het dictum van dit arrest wordt verwoord.

Dictum

Het Hof

Houdt de uitspraak aan tot het Grondwettelijk Hof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende prejudiciële vraag:

"Schendt artikel 11 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radiocommunicatie, als het aldus wordt uitgelegd dat het aan de Staat de bevoegdheid toekent om rechten te eisen voor controle en toezicht op een telecommunicatienet dat puntsgewijs de verbinding verzekert tussen een studio waar radio-uitzendingen gebeuren en een zendstation dat die uitzendingen overbrengt welke bestemd zijn om door het publiek te worden ontvangen, de artikelen 127, § 1, 1°, Grondwet en 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen?"

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Sylviane Velue, Martine Regout, en in openbare rechtszitting van 25 mei 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Net voor radioverbinding

  • Rechten voor controle en toezicht

  • Bevoegdheid van de federale Staat

  • Voorwaarde

  • Radio-omroepdienst

  • Begrip

  • Prejudicieel geschil

  • Grondwettelijk Hof