- Arrest van 25 mei 2012

25/05/2012 - C.11.0494.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Degene die door zijn fout aan een ander schade berokkent, moet die schade integraal vergoeden, wat impliceert dat de schadelijder hersteld wordt in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de handeling waarover hij klaagt niet was gepleegd; de schade moet in de regel gebonden zijn aan de persoon die er de vergoeding van eist (1). (1) Uit de overwegingen van het bestreden vonnis dat '(R.), dankzij de hulp van haar (overleden) zus M.-Th., ondanks haar handicap een zekere levenskwaliteit genoot die zij door het overlijden van haar zuster kwijt is, ook al is (haar zuster D.) voor haar ingesprongen na het overlijden van M.-Th. en dat 'die schade volledig moet worden vergoed', 'ook al verleent een andere zus van (R.) (…) haar thans kosteloos bijstand', blijkt dat, in strijd met wat het middel stelt, de hulp en de bijstand die R. kreeg van haar zuster die overleden is aan de gevolgen van het litigieuze verkeersongeval niet dezelfde waren als die welke een andere zuster haar na dat overlijden verstrekt heeft; het O.M. heeft derhalve geconcludeerd dat het middel feitelijke grondslag miste.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0494.F

1. R. S.,

2. AXA BELGIUM nv,

Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

I. H.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van 31 januari 2011 van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van de eiseres en van haar verzekerde niet gegrond, verklaart vervolgens de vordering van de verweerster die optreedt als voogdes van R.D. ontvankelijk en ten dele gegrond, en veroordeelt de eiseres om aan de verweerster een morele schadevergoeding van 12.500 euro te betalen, vermeerderd met de interest aan 5 pct., alsook een materiële schadevergoeding van 602.424 euro, vermeerderd met de wettelijke interest vanaf 1 februari 200. Het beslist aldus om de volgende redenen:

(...)

Vrije vertaling:

"Het wordt niet betwist dat R.D. van bij haar geboorte zwaar gehandicapt is en dat zij de hulp van een derde nodig heeft.

Voor het ongeval kon zij de hulp inroepen van haar zus M.-T. D. die haar dagelijks kosteloos bijstand verleende.

Bijgevolg is het argument dat zij geen schade geleden heeft door het ongeval niet geloofwaardig.

Haar situatie is integendeel grondig veranderd, daar zij na het ongeval op die hulp geen beroep meer kon doen.

Die schade moet volledig worden vergoed door de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt, ook al verleent een andere zus van R.D., namelijk D.D., haar thans kosteloos bijstand.

In strijd met wat [de eisers] aanvoeren heeft de vergoeding geen betrekking op de gevolgen van de handicap van R.D., maar op de derving van de hulp die had kunnen worden geboden door de overleden persoon, M.-T. D. Om die reden is hier niet de vraag aan de orde of R.D. over een integratietegemoetkoming beschikt of welk bedrag zij hiervoor in voorkomend geval ontvangt.

In zoverre de schade in concreto moet worden geraamd, vormt de bestaande toestand van R.D. het uitgangspunt. In dit geval kan het niet worden betwist dat R.D. dankzij de hulp van haar overleden zus, ondanks haar handicap een zekere levenskwaliteit genoot die zij door het overlijden van haar zuster kwijt is, ook al is een ander familielid voor haar ingesprongen na het overlijden van M.-T.D

Aangezien die schade niet in natura kan worden hersteld, moet de vergoeding bij equivalent worden bepaald.

Uitgaande van een arbeidstijd tussen 6,5 en 8 uur per dag, zoals die door de deskundige Paul Depta is vastgesteld, en een permanentiedienst, heeft de eerste rechter correct geoordeeld dat een gemiddelde prestatie van negen uur per dag als uitgangspunt in aanmerking moet worden genomen. Aangezien een dagelijkse werktijd van negen uur in aanmerking genomen is, is de permanentiedienst meegerekend.

Het uurloon van 12 euro is eveneens een passend bedrag gelet op de te vervullen taken. Aangezien uit het deskundigenverslag van dokter Paul Depta niet kan worden afgeleid dat de bijstand aan R.D. door een verpleegster moet worden overgenomen,is het door de eerste rechter vastgesteld uurtarief van 12 euro een passend bedrag.

In strijd met wat [de verweerster] aanvoert en gelet op het feit dat de bijstand aan een persoon met een dergelijke handicap een lichamelijke inspanning vergt die niet mag worden onderschat, mag niet worden uitgegaan van de veronderstelling dat M.-Th. D. [in staat zou zijn geweest om haar zuster bij te staan tot zij zelf] de leeftijd van vijfenzeventig jaar zal hebben bereikt. Bijgevolg heeft de eerste rechter [op grond van een onaantastbare beoordeling] terecht beslist om die bijstand te beperken tot 31 maart 2009. Het tijdvak dat voor vergoeding in aanmerking komt, loopt dus van 23 december 1993 (dag van het ongeval) tot 31 maart 2009, wat neerkomt op 5.578 dagen en niet op 5.943 dagen zoals de eerste rechter ten onrechte heeft berekend.

Aldus is aan [de verweerster] het volgende bedrag verschuldigd: 9 uur x 12 euro x 5578 dagen = 602.424 euro.

In strijd met wat [de verweerster] aanvoert, zijn de interesten niet verschuldigd vanaf de dag van het ongeval aangezien het bedrag strekt tot vergoeding van schade die een periode van meer vijftien jaar omvat. Bijgevolg moet worden bevestigd dat de interesten verschuldigd zijn vanaf het midden van die periode, namelijk 1 februari 2001".

Grieven

1. Overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek heeft de schadelijder recht op integrale vergoeding van zijn schade.

2. Het [bestreden] vonnis beslist dat R.D. voor de periode van 23 december 1993 (dag van het ongeval) tot 31 maart 2009 recht had op een vergoeding wegens "derving van de zorgen en de bijstand van M.-Th. D" naar rato van 9 uur per dag gedurende 5.578 dagen op basis van 12 euro per uur.

3. De schadelijder die schadevergoeding vordert moet overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek bewijzen dat de schade vaststaat en in een oorzakelijk verband staat met de fout van de aansprakelijke dader.

4. Hoewel de feitenrechter het bestaan van een vaststaande schade in oorzakelijk verband met de fout in feite beoordeelt, staat het niettemin aan het Hof van Cassatie na te gaan of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten wettig het bestaan van te vergoeden schade heeft kunnen afleiden.

5. Te dezen beslist het bestreden vonnis dat R.D. schade geleden heeft omdat zij de verzorging en de bijstand van haar overleden zus (M.-Th. D) heeft moeten ontberen gedurende de periode van 23 december 1993 (dag van het ongeval) tot 31 maart 2009.

6. Het bestreden vonnis wijst in dit verband onder meer op het volgende:

(...)

Vrije vertaling:

"Het wordt niet betwist dat R.D. van bij haar geboorte zwaar gehandicapt is en dat zij de hulp van een derde nodig heeft.

Voor het ongeval kon zij de hulp inroepen van haar zus M.-T. D. die haar dagelijks kosteloos bijstand verleende.

Bijgevolg is het argument dat zij geen schade geleden heeft door het ongeval niet geloofwaardig.

Haar situatie is integendeel grondig veranderd, daar zij na het ongeval op die hulp geen beroep meer kon doen.

Het bestreden vonnis preciseert dat in dit geval

(...)

Vrije vertaling:

"In strijd met wat [de eisers] aanvoeren heeft de vergoeding geen betrekking op de gevolgen van de handicap van R.D., maar op de derving van de hulp die had kunnen worden geboden door de overleden persoon, M.-T. D. Om die reden is hier niet de vraag aan de orde of R.D. over een integratietegemoetkoming beschikt of welk bedrag zij hiervoor in voorkomend geval ontvangt"

7. Uit die overwegingen blijkt dat de schade van R.D. erin bestaat dat zij de verzorging en de bijstand van haar overleden zuster heeft moeten ontberen gedurende de periode van 23 december 1993 (dag van het ongeval) tot 31 maart 2009:

(...)

Vrije vertaling:

"Die schade moet volledig worden vergoed door de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt, ook al verleent een andere zus van R.D., namelijk D.D., haar thans kosteloos bijstand.

(...) In dit geval kan het niet worden betwist dat R.D. dankzij de hulp van haar overleden zus, ondanks haar handicap een zekere levenskwaliteit genoot die zij door het overlijden van haar zuster kwijt is. Hierbij doet het niet terzake dat na het overlijden van M.-T. D. een ander familielid voor haar zorgt.

Het vonnis stelt immers vast dat D.D. de andere zus van het slachtoffer, de zorg voor R.D. overgenomen heeft tijdens de periode van 23 december 1993 (dag van het ongeval) tot 31 maart 2009. Bijgevolg is het wel degelijk D.D. die de schade geleden heeft in oorzakelijk verband met het ongeval, namelijk het feit dat zij de nodige zorg en bijstand diende te verlenen aan R.D. waartoe haar overleden zuster zich voordien verbonden had (cf. Cass., 6 november 2001, P.99.1703.N).

8. De op de artikelen 1382, 1383 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek gegronde rechtsvordering tot vergoeding impliceert per definitie dat het slachtoffer wordt hersteld in de toestand waarin het zou hebben verkeerd indien de eiser niet aansprakelijk was geweest (indien de fout niet was begaan).

9. De feitenrechter kan slechts beslissen dat er een schade in oorzakelijk verband met de fout bestaat wanneer ten gevolge van het feit dat de aansprakelijkheid teweegbrengt het slachtoffer er erger aan toe is dan voor de fout.

10. Uit de vaststellingen van het vonnis blijkt evenwel dat R.D., nadat zij de hulp en de bijstand van haar overleden zus kwijt was, diezelfde hulp en diezelfde bijstand gekregen had van een andere zus gedurende de periode van 23 december 1993 (dag van het ongeval) tot 31 maart 2009.

Bijgevolg is de schade die R. D. geleden had ten gevolge van het feit dat zij gedurende de periode van 23 december 1993 (dag van het ongeval) tot 31 maart 2009 de zorg en de bijstand van haar overleden zuster heeft moeten ontberen, verholpen door het feit dat gedurende voormelde periode een andere zuster R.D. heeft geholpen en verzorgd. De rechtbank heeft bijgevolg niet wettig het bestaan van een te vergoeden schade kunnen vaststellen ten aanzien van R. D. en zij heeft derhalve haar beslissing niet naar recht verantwoord) (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Krachtens de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek moet degene die door zijn fout aan een ander schade berokkent die schade integraal vergoeden, wat impliceert dat de schadelijder hersteld wordt in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de handeling waarover hij klaagt niet was gepleegd. De schade moet in de regel gebonden zijn aan de persoon die er de vergoeding van eist.

Uit de vermeldingen van het bestreden vonnis blijkt:

- R.D. is sedert haar geboorte gehandicapt en zij heeft gemiddeld gedurende negen uur per dag de hulp van een derde nodig;

- zij kreeg die hulp kosteloos van haar zuster, M.-Th. D. tot die op 23 december 1993 overleed aan de gevolgen van het litigieuze verkeersongeval waarvoor de eiser aansprakelijk is verklaard;

- gelet op de lichamelijke inspanning die de hulp aan F.D. vereiste, had M.-Th. D., zonder het ongeval die hulp slechts kunnen blijven verlenen tot 31 maart 2009;

- sedert het ongeval tot 31 maart 2009 kreeg R.D. de voor haar noodzakelijke hulp kosteloos van een andere zus D.D.

Het bestreden vonnis overweegt dat, "in zoverre de schade in concreto moet worden geraamd, de bestaande situatie van R.D. het uitgangspunt vormt [en dat] het niet kan worden betwist dat [laatstgenoemde] ondanks haar handicap een zekere levenskwaliteit genoot, die zij door het overlijden van haar zus kwijt is, ook al is een ander familielid voor haar ingesprongen na het overlijden van M.-Th. D."

Aangezien het bestreden vonnis aanneemt dat R.D. de wegens haar handicap noodzakelijke hulp kosteloos gekregen heeft van een ander persoon dan haar overleden zuster gedurende de gehele periode waarin zij die hulp had kunnen blijven bieden, beslist het niet wettig dat R.D. ten gevolge van het ongeval een persoonlijke schade heeft geleden die gelijkstaat met de kostprijs van de hulp van een derde persoon.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eisers veroordeelt om aan de verweerster in voornoemde hoedanigheden het bedrag van 602.424 euro plus de interest te betalen en uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de anders samengestelde rechtbank van eerste aanleg te Eupen, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert

Fettweis, de raadsheren Sylviane Velu en Martine Regout, en in openbare rechtszitting van 25 mei 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden