- Arrest van 29 mei 2012

29/05/2012 - P.11.1434.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het behoud van het “karakter en de verschijningsvorm” van een bestaand vergund gebouw, zoals bepaald in artikel 145bis, §1, eerste lid, 2°, Stedenbouwdecreet 1999, als voorwaarde tot het verlenen van de vergunning tot herbouwen, sluit niet uit dat wijzigingen aan de oorspronkelijke toestand of het uitzicht van het gebouw kunnen worden aangebracht, mits dit gebouw wat betreft de architectuur, bouwstijl, volume en gebruikte materialen zijn eigenheid bewaart en voorts één passend deelelement blijft uitmaken van de betrokken omgeving (1). (1) ROELANDTS, B., “Bouwen en exploiteren in zonevreemd gebied na het decreet van 18 mei 1999”, in “Ruimtelijke ordening en stedenbouw op nieuwe wegen?”, Referatenbundel Vlaams Pleitgenootschap – Balie Brussel, De Boeck en Larcier, (2001), n° 2.1.8, p. 64.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1434.N

1. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, aangesteld voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19, bus 22,

2. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, aangesteld voor het grondgebied van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Lange Kievitstraat 111/113, bus 55,

eisers tot herstel,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. M J,

beklaagde,

2. P L P R J,

beklaagde,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar de verweerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 28 juni 2011, op verwijzing gewezen na arrest van het Hof van 17 maart 2009.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 159 Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, artikel 145bis, § 1, eerste lid, 2°, Stedenbouwdecreet 1999, zoals van toepassing vóór de vervanging bij artikel 47 Aanpassingsdecreet 2009, artikel 193, § 2, Stedenbouwdecreet 1999, zoals van toepassing vóór de vervanging bij artikel 90 Aanpassingsdecreet 2009, artikel 195quinquies Stedenbouwdecreet 1999, zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 91 Aanpassingsdecreet 2009 en de artikelen 43, § 2, zesde lid, en 53, § 2 en § 3, Stedenbouwdecreet 1996: het arrest weigert onterecht de onwettigheid van de regularisatievergunning vast te stellen en bijgevolg het gevorderde herstel door afbraak van het illegale bouwwerk te bevelen; met betrekking tot de voorwaarde van "het behoud van het karakter, de verschijningsvorm van het (bestaande) gebouw of de constructie", in de zin van artikel 145bis, § 1, eerste lid, 2°, Stedenbouwdecreet 1999 stelt het arrest immers vast dat de vergunning, na afweging tegen de goede ruimtelijke ordening, het behoud van het oorspronkelijke karakter, met name het amalgaam karakter van de vier verschillende huisjes, elk met zijn eigen bijgebouwtjes "niet wenselijk" acht; dergelijke toets is wettelijk enkel toegelaten nadat is aangenomen dat "het karakter en de verschijningsvorm" werd behouden; de omstandigheid dat de vergunningsbeslissing "het geheel vanuit ruimtelijke ordening" aanvaardbaar acht, kan de regularisatievergunning niet verantwoorden, daar niet tevens wettig is aangenomen dat "het karakter en de verschijningsvorm" werden behouden; na te hebben aangenomen dat het "oorspronkelijk karakter" een "amalgaam karakter van vier huisjes elk met zijn bijgebouwtjes" was, kon het arrest enkel besluiten dat de nieuwe constructie "het karakter" van de oorspronkelijke gebouwen behoudt, indien ook deze nieuwe constructie dit amalgaam karakter vertoont, vaststelling die het arrest evenwel niet bevat; tevens wordt de bewijskracht van de vergunning miskend door aan te nemen dat zij niet afwijkt van de voorwaarde van het behoud van het oorspronkelijke karakter, ofschoon de vergunning het bewaren van dit amalgaam karakter van vier huisjes, elk met zijn bijgebouwtjes, niet wenselijk acht.

2. Het behoud van het "karakter en de verschijningsvorm" van een bestaand vergund gebouw, zoals bepaald in artikel 145bis, § 1, eerste lid, 2°, Stedenbouwdecreet 1999, als voorwaarde tot het verlenen van de vergunning tot het herbouwen, sluit niet uit dat wijzigingen aan de oorspronkelijke toestand of het uitzicht van het gebouw kunnen worden aangebracht, mits dit gebouw wat betreft de architectuur, bouwstijl, volume en gebruikte materialen, zijn eigenheid bewaart en voorts één passend deelelement blijft uitmaken van de betrokken omgeving.

Het middel, in zoverre dit ervan uitgaat dat het behoud van het karakter en de verschijningsvorm van het gebouw betekent dat elke wijziging aan de oorspronkelijke toestand of het uitzicht van het gebouw verboden is, en dat elke afweging "tegen de algemene vereiste van een goede ruimtelijke ordening" die in het nadeel uitvalt "van het behoud van (dit) oorspronkelijke karakter" niet toegelaten is daar zij aan voormelde voorwaarde zou voorbijgaan en tot een schending van artikel 145bis, § 1, eerste lid, 2°, Stedenbouwdecreet 1999 zou leiden, faalt naar recht.

3. Voor het overige behoort het tot de appreciatie- en beleidsbevoegdheid van het bestuur te oordelen of het "karakter en de verschijningsvorm" van het gebouw worden geëerbiedigd, welke beslissing de rechter alleen marginaal kan toetsen.

4. Met betrekking tot de toepassing door het ministerieel besluit van 26 december 2006 van voormelde voorwaarde bij het verlenen van de regularisatievergunning aan de verweerders, oordeelt het arrest dat :

- in deze vergunning met het "oorspronkelijke" karakter verwezen werd naar het ‘amalgame' karakter van de vier huisjes;

- geenszins geëist kon worden dat dit amalgaam karakter kon worden behouden, daar het veeleer de bedoeling van de wetgever was om in "dezelfde stijl" te blijven. Zo kon bijvoorbeeld een fermette niet worden omgebouwd in een haciënda;

- de afweging van het behoud van dit oorspronkelijke, met name amalgaam karakter tegen de algemene vereiste van een goede ruimtelijke ordening, meer bepaald het creëren van één samenhangend geheel, niet betekent dat afgeweken werd van "de verschijningsvorm";

- bij vergelijking van de voorgebrachte foto's van de oorspronkelijke constructie (verzameling van vier Huttekens) en de nieuw opgerichte constructie, het ministerieel besluit terecht heeft geoordeeld dat aan deze voorwaarde werd voldaan, behoudens wat betreft de grootte van de constructie en het iets modernere karakter ervan;

- de regularisatievergunning blijkbaar terecht oordeelde dat de gerealiseerde woning evenwel het basisvolume van de vier woningen behoudt, waarbij de muren worden opgetrokken en het geheel wordt afgedekt met één dakvolume;

- vermits de wet mogelijk maakt dat het volume vermeerderd wordt, zoals in casu van ongeveer 584 m³ naar 990 m³, dit aspect op zich niet doorslaggevend kan zijn om te spreken van een "gewijzigd" karakter of vorm.

5. Door aldus te oordelen dat "het karakter en de verschijningvorm" in de zin van artikel 145bis, § 1, eerste lid, 2°, Stedenbouwdecreet 1999 niet noodzakelijk overeenstemt met het "oorspronkelijke karakter" van het bouwwerk, en deze bepaling sommige wijzigingen toelaat mits behoud van één samenhangend geheel met de omgeving, welk onderscheid ook het vergunningsbesluit maakt, miskent het arrest noch de toepassing van deze wettelijke voorwaarde noch de bewijskracht van dit besluit, maar verantwoordt het zijn beslissing dat de regularisatievergunning wettig is, naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 567,28 euro waarvan 58,61 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 29 mei 2012 uitgesproken door waarnemend voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Regularisatievergunning tot herbouwen

  • Behoud van het karakter en de verschijningsvorm van de oorspronkelijke constructie