- Arrest van 4 juni 2012

04/06/2012 - C.10.0474.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Waar de wetgever ten aanzien van de ongehuwd samenwonende gepensioneerden, die samen de vaste kosten van levensonderhoud dragen, niet heeft voorzien in een soortgelijke bepaling als artikel 125,§2 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen die er ten aanzien van de gehuwde gepensioneerden toe strekt, bij het vaststellen van het gewaarborgd minimumpensioen, in zekere mate rekening te houden met de grotere financiële draagkracht van personen die samen de vaste kosten van levensonderhoud dragen, vloeit de aangevoerde discriminatie wegens een onverantwoord verschil in behandeling tussen gehuwd en ongehuwd samenwonenden op het vlak van het supplement gewaarborgd minimumpensioen niet voort uit artikel 125,§2, van de wet van 26 juni houdende sociale en diverse bepalingen, maar uit het feit dat de wetgever in geen bijzondere bepaling ten aanzien van ongehuwd samenwonenden heeft voorzien, zodat er geen aanleiding bestaat een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0474.N

J.V.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. PENSIOENDIENST VOOR DE OVERHEIDSSECTOR, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 40, bus 30,

verweerder,

vertegenwoordig door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest,

2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de stafdienst personeel en organisatie - dienst personeel, met kantoor te 1030 Schaarbeek, Koning Albert II-laan 33, bus 86,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 april 2009.

De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 5 april 2012 verwezen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Krachtens artikel 125, § 2, van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, worden met betrekking tot de pensioenen in de overheidssec-tor, wanneer het gaat om een gehuwde gepensioneerde, de inkomsten die aan zijn echtgenoot toekomen door de uitoefening van een beroepsactiviteit afgetrokken van het supplement gewaarborgd minimumpensioen.

Deze bepaling strekt ertoe, bij het vaststellen van het gewaarborgd minimumpen-sioen, in zekere mate rekening te houden met de grotere financiële draagkracht van personen die samen de vaste kosten van levensonderhoud dragen.

De wetgever heeft niet voorzien in een soortgelijke bepaling ten aanzien van de ongehuwd samenwonende gepensioneerden, die eveneens samen de vaste kosten van levensonderhoud dragen.

2. De aangevoerde discriminatie wegens een onverantwoord verschil in be-handeling tussen gehuwd en ongehuwd samenwonenden op het vlak van het sup-plement gewaarborgd minimumpensioen, doordat alleen voor de gehuwde gepen-sioneerden in een aftrek is voorzien en niet voor de ongehuwd samenwonende ge-pensioneerden, vloeit niet voort uit artikel 125, § 2, van de wet van 26 juni 1992, maar uit het feit dat de wetgever in geen bijzondere bepaling ten aanzien van de ongehuwd samenwonenden heeft voorzien.

Het middel dat erop berust dat de discriminatie voortvloeit uit de voormelde wetsbepaling, faalt naar recht.

3. Aangezien de aangevoerde discriminatie niet voortvloeit uit artikel 125, § 2, van de wet van 26 juni 1992, bestaat er geen aanleiding om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.

De kosten

4. Ingevolge het arrest nr. 18/2010 van het Grondwettelijk Hof van 25 februari 2010 en overeenkomstig artikel 28 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, dient de eerste verweerder te worden veroordeeld in de kosten.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eerste verweerder in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 485,72 euro en voor de verweerders op 278,52 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 4 juni 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag

  • Discriminatie die voortvloeit uit een leemte in de wet

  • Toepassing