- Arrest van 5 juni 2012

05/06/2012 - P.12.0018.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer het onderzoeksgerecht, dat beslist over de regeling van de rechtspleging, de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, dient het na te gaan of die overschrijding de bewijsvoering en het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde ernstig en onherstelbaar heeft aangetast, zodat geen eerlijk proces meer mogelijk is; het is slechts in dat geval dat het onderzoeksgerecht de inverdenkinggestelde van strafvervolging kan ontslaan (1). (1) Zie: Cass. 24 nov. 2009, AR P.09.1080.N, AC 2009, nr. 694 met conclusie O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0018.N

I. S. B.,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Tom Decaigny, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 november 2010 (lees 2011).

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM, artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest dat vaststelt dat de redelijke termijn overschreden is en oordeelt dat die overschrijding een daadwerkelijk rechtsherstel nodig maakt, schuift het mogelijk rechtsherstel door naar de feitenrechter; het oordeelt tevens dat die overschrijding slechts ontslag van rechtsvervolging voor gevolg heeft in-dien daardoor de bewijsvoering en het recht van verdediging onherstelbaar zijn aangetast; de onherstelbare aantasting van de bewijsvoering en van het recht van verdediging moet als dusdanig gesanctioneerd worden, ongeacht de overschrij-ding van de redelijke termijn; door de loutere vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn is er geen daadwerkelijke sanctie van de schending van artikel 6 EVRM en voldoet het arrest niet aan de vereisten van een daadwerkelijk rechtsherstel.

2. Het onderzoeksgerecht dat beslist over de regeling van de rechtspleging kan als nationale instantie bedoeld in artikel 13 EVRM over de overschrijding van de redelijke termijn en het daardoor vereiste rechtsherstel oordelen.

3. Wanneer dat onderzoeksgerecht de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, dient het na te gaan of die overschrijding de bewijsvoering en het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde ernstig en onherstelbaar heeft aan-getast, zodat geen eerlijk proces meer mogelijk is. Het is slechts in dat geval dat het onderzoeksgerecht de inverdenkinggestelde van strafvervolging kan ontslaan.

Daarentegen, wanneer het onderzoeksgerecht op grond van de gegevens die het vaststelt, oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde niet in het gedrang brengt, oordeelt het onaantastbaar welke het passende rechtsherstel is. Het kan daartoe oordelen dat dit rechtsherstel in dat stadium van de rechtspleging is be-reikt door die enkele vaststelling en dat de verwijzingsrechter dit gegeven in aan-merking zal nemen bij de beoordeling van de grond van de zaak.

4. De omstandigheid dat het de feitenrechter is die met toepassing van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de concrete gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn zal dienen te bepalen, houdt niet in dat daardoor het rechtsherstel wordt uitgesteld en niet daadwerkelijk is. Immers, de beslissing van het onderzoeksgerecht heeft, wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn, gezag van gewijsde waardoor de feitenrechter gebonden is.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel houdende bescherming van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat niet is aangetoond dat eisers recht van verdediging en de bewijsvoe-ring ernstig en onherstelbaar zijn aangetast; aldus legt het arrest de eiser een on-geoorloofde bewijslast op; daarenboven beantwoordt het arrest eisers verweer niet en laat de motivering het Hof niet toe de wettigheid van de beslissing na te gaan.

6. Met het in het onderdeel weergegeven verweer, voerde de eiser aan dat door de overschrijding van de redelijke termijn, de bewijsvoering en zijn recht van ver-dediging onherstelbaar zijn aangetast. Met de redenen die het bevat en die het on-derdeel weergeeft, beantwoordt het arrest dat verweer en is de beslissing regelma-tig met redenen omkleed. Het diende daarbij niet te antwoorden op elk argument dat ter ondersteuning van dat verweer was aangewend, maar geen afzonderlijk middel uitmaakte.

7. Met diezelfde redenen legt het arrest aan de eiser geen bewijslast op, maar beoordeelt het enkel eisers verweer op zijn gegrondheid.

Het onderdeel kan niet aangenomen worden.

Tweede middel

8. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM en van arti-kel 458 Strafwetboek.

9. In geen enkel van zijn onderdelen preciseert het middel hoe en waardoor het arrest de artikelen 6 en 8 EVRM schendt.

In zoverre is het middel in zijn beide onderdelen bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Eerste onderdeel

10. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de door de boekhouders van een mede-inverdenkinggestelde verschafte informatie geen schending van het beroepsgeheim oplevert daar deze mede-inverdenkinggestelde de speurders naar die boekhouders heeft doorverwezen; dit gegeven ontsloeg de boekhouders niet onbeperkt van het naleven van het beroepsgeheim waartoe ze onbetwist gehouden waren.

11. Het arrest oordeelt niet alleen zoals het middel aanhaalt. Met overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie oordeelt het ook: "De wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financieel stelsel voor witwassen van geld van financiering voor terrorisme verplicht o.a. bedrijfs-revisoren en externe accountants om aan de cel voor informatiewerking alle feiten aan te geven die vastgesteld zijn in de uitvoering van hun beroepsactiviteiten waarvan ze moeten weten of vermoeden dat ze te maken hebben met het witwassen van gelden of de financiering van het terrorisme." en "Door het niet aangeven van gelden die de boekhouder blijkbaar als dubieus beschouwde, heeft hij dus verzuimd aan een plicht die op hem rustte. Het beroepsgeheim van bedrijfsrevisoren en externe accountants doet geen afbreuk aan hun plicht om voor hun controle relevante feiten te rapporteren." Het oordeelt ook dat die informatie voor een groot gedeelte te vinden is bij openbare instanties, zoals ondermeer de balansen, de resultatenrekening en de fiscale aangifte.

Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

12. Het onderdeel voert aan dat het arrest uit de vaststellingen die het doet ten onrechte afleidt dat het bericht van de boekhouders met betrekking tot de gelden van dubieuze herkomst, geen schending van het beroepsgeheim betreft; de door-verwijzing naar de boekhouders door de mede-inverdenkinggestelde had een be-perkte draagwijdte en er dient rekening te worden gehouden met de grenzen die aan de opheffing van het beroepsgeheim worden gesteld.

13. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoer-de onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek

14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 116,69 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 5 juni 2012 uitgesproken door waarnemend voorzit-ter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Onderzoeksgerechten

  • Regeling van de rechtspleging

  • Artikel 6.1 E.V.R.M.

  • Redelijke termijn

  • Vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn

  • Aantasting bewijsvoering en recht van verdediging

  • Toetsing

  • Ontslag van rechtsvervolging