- Arrest van 7 juni 2012

07/06/2012 - C.10.0722.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0722.N

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met ze-tel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. Alain CLEYMAN, advocaat, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Grote Peper-straat 10, in zijn hoedanigheid van voormalige curator over het faillissement van Thames Estate nv,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerder woonplaats kiest,

2. Lieven D'HOOGHE, advocaat, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Vijfstraten 2, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van Thames Estate nv,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de tussenarresten van het hof van beroep te Gent van 3 oktober 2005 en 15 februari 2010 en het eindarrest van 8 november 2010.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft op 17 april 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De relevante passage van het beschikkend gedeelte van het tussenarrest van 3 oktober 2005 luidt als volgt:

"Trekt het faillissement van Thames Estate nv in,

Legt de gedingkosten lastens [de eiser], begroot:

- in hoofde van [Thames Estate nv] op:

- 259,77 euro dagvaarding/rolstelling verzetsprocedure

- 178,48 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg

- 186,00 euro rolrecht hoger beroep

- 237,98 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep

- in hoofde van [de eerste verweerder] op: P.M."

2. De appelrechters die in het tussenarrest van 15 februari 2010 oordelen dat de gedingkosten, waarover het tussenarrest van 3 oktober 2005 oordeelt, ook de erelonen en kosten van de curator q.q. omvatten, geven van die akte een uitleg die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is en miskennen zodoende de be-wijskracht ervan.

Het onderdeel is gegrond.

Zesde onderdeel

3. Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partij-en, die het eventueel bekrachtigt.

Artikel 1018 Gerechtelijk Wetboek geeft een niet-limitatieve opsomming van de gedingkosten. Als gedingkosten kunnen slechts worden aangemerkt de kosten die verband houden met het voeren van een procedure.

4. De kosten en erelonen van de curator voor het beheer van het faillissement zijn geen kosten die verband houden met de rechtspleging die aanleiding heeft ge-geven tot het faillissement of met de rechtspleging die leidt tot de latere intrekking ervan.

Die kosten en erelonen van de curator zijn derhalve geen gedingkosten in de zin van de artikelen 1017 en 1018 Gerechtelijk Wetboek.

5. De uitvoering van een op vordering van een schuldeiser uitgesproken faillis-sementsvonnis gebeurt niet in opdracht van die schuldeiser, maar van de curator die voor alle schuldeisers in de boedel optreedt.

De kosten en het ereloon van de curator die verband houden met de uitvoering van een later ingetrokken faillissementsvonnis kunnen enkel door de ex-gefailleerde worden verhaald op de schuldeiser indien de handelwijze van de laatstgenoemde lichtvaardig was.

6. De appelrechters die in het tussenarrest van 15 februari 2010 oordelen dat de kosten en erelonen van de curator die verband houden met de uitvoering van het faillissementsvonnis gedingkosten zijn en deze kosten ten laste leggen van de eiser zonder te onderzoeken of zijn handelswijze lichtvaardig was, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Derde, vierde, vijfde en zevende onderdeel

7. Anders dan de onderdelen aanvoeren, beslist het tussenarrest van 3 oktober 2005 niet dat de kosten en de erelonen van de eerste verweerder die verband hou-den met de uitvoering van een faillissementsvonnis dat later werd ingetrokken ten laste van de eiser worden gelegd.

De onderdelen berusten op een verkeerde lezing van het tussenarrest van 3 okto-ber 2005 en missen mitsdien feitelijke grondslag.

Omvang van cassatie

8. De vernietiging van het tussenarrest van 15 februari 2010 strekt zich uit tot het eindarrest van 8 november 2010, dat een gevolg ervan is.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt de bestreden arresten van 15 februari 2010 en 8 november 2010.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernie-tigde arresten.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 7 juni 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bij-stand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Beheer van het faillissement

  • Kosten en erelonen van de curator

  • Begrip

  • Gevolg