- Arrest van 8 juni 2012

08/06/2012 - C.11.0080.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer voor het Hof de vraag rijst of artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, in die zin uitgelegd dat de echtgenoot van de gefailleerde bevrijd wordt van een schuld die gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan, ook al is die schuld aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van de echtgenoot, artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het aldus een gelijke behandeling maakt van de echtgenoot die zich louter voor de persoonlijke verbintenissen van de gefailleerde garant heeft gesteld, zonder daaruit een voordeel voor zijn eigen vermogen te halen, en degene die deze schuld gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan ten voordele van zijn eigen vermogen, waarbij de schuldeiser in de beide onderstellingen zijn recht verliest op het verhalen van die schuld op de echtgenoot, stelt het Hof een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0080.F

CENTEA nv,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. a) R. P.,

1. b) M. B.,

2. M. B.,

Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 10 september 2009.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet;

- artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof;

- de artikelen 16, 80, derde lid, 82, gewijzigd bij de wetten van 2 februari 2005 en 20 juli 2005, 96 en 98 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997;

- de artikelen 1200, 1201, 1210, 1213, 1216, 1234, 1399, 1400, 1408, 1413, 1414, 1432 en 2036 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 7, 8, 41, 80, 87 en 108, 1°, van de Hypotheekwet van 16 december 1851, dat is titel XVIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep ontvankelijk, wijzigt het beroepen vonnis, behalve in zoverre het de zaken heeft gevoegd en de hoofdvorderingen en de nieuwe vorderingen ontvankelijk heeft verklaard, zegt dat het verzet tegen de aanmaning die op 9 november 2000 werd verstuurd in het raam van het uitvoerend beslag op onroerende goederen van 26 november 1998 geen voorwerp heeft, verklaart het verzet tegen het bevel van 2 oktober 2008 gegrond, zegt dat de verweerster in haar hoedanigheid van echtgenote van M.P., verschoonbaar verklaarde gefailleerde, bevrijd is van haar verplichtingen uit de authentieke akte van 24 juni 1996 ten aanzien van de eiseres, en zegt bijgevolg dat de eiseres de voornoemde schuldvordering niet mag terugvorderen van de verweerster en ver-oordeelt haar in de kosten van eerste aanleg en van hoger beroep. Het baseert die beslissingen op de onderstaande redenen:

"Voor het overige maakt [de verweerster] aanspraak op het voordeel van de bevrijding van elke schuld ten aanzien van [de eiseres], in haar hoedanigheid van echtgenote van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde.

Artikel 82, tweede lid,van de Faillissementswet bepaalt : ‘de echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting'.

[De eiseres] beklemtoont dat het krediet dat de echtgenoten P.-B. in 1996 hoofdelijk hadden geopend, bestemd was voor de aankoop door [de verweerster] van het onverdeelde aandeel van haar zus C. in het gezamenlijk pand uit de nalatenschap van hun ouders, namelijk een aan [die verweerster] eigen onroerend goed, zodat het dus helemaal niet gaat om een schuld van de heer P. waarvoor [de verweerster] zich persoonlijk zou hebben verbonden'.

De redenering van [de eiseres] betreffende de bestemming van het krediet kan niet worden gevolgd: volgens de bewoordingen van de wet zelf komt het uitsluitend erop aan te weten of de schuld al dan niet een schuld van de gefailleerde is. Welnu, ‘la solidarité, nonobstant la pluralité de débiteurs tenus chacun pour le tout, laisse subsister le principe de l'unité d'obligation. Il n'y a qu'une seule dette, dont plusieurs sont tenus au même titre, en chacun de la totalité' (H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, dl. III, nrs. 341 en 318). Daaruit volgt trouwens dat, ‘de ce que la dette pèse, pour le tout, sur chaque débiteur, (...) le créancier peut poursuivre celui des débiteurs qu'il lui plaît de choisir' (H. De Page, op. cit., nr. 342). In het geval van hoofdelijke verbintenissen lijdt het geen twijfel dat er een enkele schuld bestaat waartoe de medeschuldenaars beiden verbonden zijn.

[De eiseres] heeft trouwens een verklaring van schuldvordering in het faillissement van M.P. voor een bedrag van 57.955,47 euro overgelegd.

[De verweerster] is dus persoonlijk verbonden tot de schuld van M.P., net zoals hij dat is tot de schuld van zijn echtgenote.

Ook al was er niet hoofdelijk op het krediet ingetekend, dan nog had [de eiseres] trouwens het recht gehad om de invordering ervan te verhalen ten laste van de onder het wettelijk stelsel gehuwde echtgenoten P.-B., zowel op het eigen vermogen van elk van de echtgenoten, als op het gemeenschappelijk vermogen, dit met toepassing van artikel 1413 van het Burgerlijk Wetboek, aangezien het ging om ‘een schuld aangegaan door de twee echtgenoten'.

De door [de eiseres] aangevoerde rechtsleer volgens welke de echtgenoot die is ‘concerné par la dette en ce sens qu'il est appelé à en supporter tout ou partie du poids au stade du recours contributoire' geen aanspraak ‘par ricochet' zou kunnen maken op de bevrijding (Ch. Biquet-Mathieu en S. Notarnicola, ‘La protection des sûretés personnelles dites faibles - le point après la loi du 3 juin 2007 sur le cautionnement à titre gratuit', C.U.P., vol. 100, p. 85, nr. 73), kan niet worden gevolgd: zij voert een vereiste in die niet in de wet voorkomt en houdt bovendien geen rekening met het feit dat er tussen echtgenoten geen enkel eigen verhaalsrecht bestaat, noch, bij ontbinding van het huwelijk, de specifieke regels betreffende de vergoedingsrekeningen in het kader van het hier toepasselijke wettelijk stelsel.

De door [de eiseres] geuite vrees over de misbruiken die de gefailleerde de kans zouden bieden om zijn vermogen op onnatuurlijke wijze te beschermen door het aanschaffen ervan op naam van zijn echtgenoot is op niets gegrond; dergelijke constructies kunnen immers doeltreffend worden bestraft, zowel in het kader van de toekenning zelf van de verschoonbaarheid als door het aanwenden van ge-meenrechtelijke rechtsmiddelen zoals de vordering tot geveinsdverklaring, de pauliaanse vordering of nog het aanvoeren van een bedrieglijke bewerkstelliging van onvermogen.

Ook het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof kan niet worden ingewilligd, aangezien de formulering zelf van de vraag niet wijst op een mogelijke discriminatie tussen de echtgenoot van de gefailleerde en een andere, trouwens niet duidelijk omschreven, categorie personen.

[De verweerster] is in haar hoedanigheid van echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, bevrijd van haar verplichtingen uit de lening en [de eiseres] kan haar niet langer vervolgen, wat verhindert dat de door haar gegeven hypothecaire waarborg wordt aangesproken.

In dat opzicht kan de toestand van [de verweerster], de echtgenote die een hypo-theek op een eigen goed heeft toegestaan, niet worden gelijkgesteld met die van derde hypotheekgever.

‘Certes, il est acquis qu'un tiers affectant hypothécaire ne peut prétendre au béné-fice de la décharge prévue par l'article 80, alinéa 3, de la loi sur les faillites au profit de la personne physique qui « à titre gratuit s'est constituée sûreté person-nelle du failli » puisqu'il n'est pas une sûreté personnelle en qu'il ne peut davantage prétendre à l'extinction de de hypotheek ensuite de l'excusabilité accordée au failli, laquelle ne prévoit qu'une suspension du droit de poursuite à l'égard de ce dernier (Luik, 15 oktober 2007, AR 2006/778), la Cour constitutionnelle ayant par ailleurs décidé que ce régime n'était pas discriminatoire (arrêts n°s 12/2006 du 25 janvier 2006 en 42/2006 du 15 mars 2006).

Mais, en l'espèce, la situation du conjoint du failli est réglée par une disposition spécifique, l'article 82, alinéa 2, de la loi sur les faillites, sans qu'elle doive être examinée au regard de l'article 80, alinéa 3, relatif aux sûretés personnelles à titre gratuit. Précisément, l'article 82, alinéa 2, place le conjoint sur le même pied que le failli excusé en sorte que, tout comme ce dernier, il ne peut plus être poursuivi, ce qui exclut toute mesure d'exécution forcée à son égard, y compris l'intentement de l'action hypothécaire par la saisie-exécution de l'immeuble' (Luik, 24 februari 2009, AR 2008/1069).

Tot slot kan er niets worden afgeleid uit het feit dat er betalingen zijn gedaan nadat M.P. verschoonbaar was verklaard. Het gaat immers niet om een probleem over de erkenning van de schuldvordering van [de eiseres], aangezien die schuldvordering in beginsel niet wordt betwist, maar over de mogelijkheid voor de echtgenoot om de bevrijding te verkrijgen met toepassing van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet, waarvan [de verweerster] geen afstand heeft gedaan noch had kunnen doen.

Hoewel [de eiseres] veroordeeld moet worden om de vervolgingen stop te zetten die zij ten aanzien van [de verweerster] had ingesteld op basis van de authentieke akte van 24 juni 1996, kan daarentegen geen recht worden gedaan op de niet met redenen omklede vordering om de litigieuze hypotheek op te heffen in zoverre die hypotheek werd toegekend voor alle bedragen en het hof [van beroep] niet weet of [de verweerster] persoonlijk op andere kredieten heeft ingeschreven."

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 82, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij de wet van 20 juli 2005, bepaalt dat de gefailleerde, indien hij verschoonbaar wordt verklaard, niet meer vervolgd kan worden door zijn schuldeisers.

Die bepaling doelt op de eigen schulden van de gefailleerde, namelijk die welke betrekking hebben op zijn activiteit en op zijn in de artikelen 7 en 8 van de Hypotheekwet bedoelde goederen waarvan de betaling wegens het faillissement met toepassing van artikel 16 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 werd opgeschort en tot betaling waarvan, zonder een persoonlijke verbintenis van de echtgenoot, uitsluitend de opbrengst van de verkoop van de roerende en onroerende goederen die zowel behoren tot het eigen vermogen van de gefailleerde echtgenoot als tot het gemeenschappelijke vermogen, met uitzondering van het eigen vermogen van de echtgenoot van de gefailleerde, gebruikt zou zijn, zoals blijkt uit de artikelen 96 en 98 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997.

Laatstgenoemd artikel bepaalt met name dat de gemeenschappelijke schulden die de gefailleerde bij de uitoefening van zijn beroep heeft gemaakt en die niet voldaan zijn door de vereffening van het faillissement, niet kunnen worden verhaald op het eigen vermogen van de echtgenoot van de gefailleerde.

Artikel 96 van de voornoemde wet bepaalt van zijn kant dat de curators het recht hebben om de roerende en onroerende goederen zowel uit het eigen vermogen van een gefailleerde echtgenoot als uit hun gemeenschappelijk vermogen te verkopen zonder de voorafgaande toestemming van de andere echtgenoot.

Bovendien blijkt uit artikel 1414, tweede lid, punt 3, van het Burgerlijk Wetboek dat de schulden die een van de echtgenoten heeft aangegaan bij de uitoefening van zijn beroep niet mogen worden verhaald op het eigen vermogen van de niet contracterende echtgenoot.

De betaling van een schuld van de gefailleerde zal slechts verhaald kunnen worden op het eigen vermogen van elk van de echtgenoten alsook op het gemeenschappelijke vermogen indien die schuld door de beide echtgenoten is aangegaan, zelfs in verschillende hoedanigheden.

Luidens artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, ge-wijzigd bij de wet van 20 juli 2005, wordt de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot door de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd.

Zoals blijkt uit de bewoordingen van dat artikel, gelezen in het licht van de voormelde artikelen, slaat die bevrijding op de schulden van de gefailleerde, waarvoor de echtgenoot zich, contractueel of wettelijk, heeft verbonden als derde garant, en waarvan de betaling, doordat laatstgenoemde zich niet heeft verbonden, niet verhaald kan worden op het vermogen van de echtgenoot, die niet bij die schuld is betrokken, met uitzondering van de schulden van de echtgenoot.

Die bevrijding slaat helemaal niet op de schulden die de echtgenoot persoonlijk is aangegaan als hoofdschuldenaar, weze het gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde, ten voordele van zijn eigen vermogen of met betrekking tot zijn be-roepsactiviteit.

Bijgevolg is het niet voldoende vast te stellen dat de echtgenoten allebei een verbintenis zijn aangegaan ten aanzien van de schuldeiser; de aard en de oorzaak van die verbintenis moeten ook nog worden nagegaan.

Indien blijkt dat die schuld in feite betrekking heeft op de beroepsactiviteit van de echtgenoot of op zijn eigen vermogen, of indien zij slechts door de gefailleerde is aangegaan als derde garant van de schuld van zijn echtgenoot, dan is de voorwaarde van artikel 82, tweede lid, van de wet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij de wet van 2 februari 2005, voor de bevrijding van de echtgenoot van de betaling van de schuld, niet vervuld, aangezien de betrokken schuld in feite de zijne is. Althans zal hij er slechts van bevrijd worden in zoverre die schuld definitief ten laste van de gefailleerde moest blijven.

Luidens artikel 1200 van het Burgerlijk Wetboek bestaat er hoofdelijkheid tussen schuldenaars, wanneer zij verplicht zijn tot een en dezelfde zaak, zodat ieder voor het geheel kan worden aangesproken, en de betaling door een van hen gedaan, de overige schuldenaars ten aanzien van de schuldeiser bevrijdt.

Artikel 1201 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt bovendien dat er een hoofdelijke verbintenis kan bestaan hoewel een van de schuldenaars op een andere wijze dan de overige schuldenaars tot betaling van dezelfde zaak verbonden is.

Artikel 1210 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt bovendien dat de schuldeiser kan toestemmen in de verdeling van de schuld ten aanzien van een medeschuldenaar en dat hij in dat geval zijn hoofdelijke vordering tegen de overige schuldenaars behoudt, doch met aftrek van het aandeel van de schuldenaar die hij van de hoof-delijkheid ontslagen heeft.

Luidens artikel 1213 van het Burgerlijk Wetboek is de verbintenis die hoofdelijk jegens de schuldeiser is aangegaan, van rechtswege deelbaar tussen de schuldenaars, die onder elkaar slechts ieder voor zijn aandeel verbonden zijn.

Artikel 1216 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt verder dat, indien de zaak waar-voor de schuld hoofdelijk is aangegaan, slechts een van de hoofdelijke medeschuldenaars aangaat, deze tot voldoening van de gehele schuld gehouden is ten aanzien van de overige medeschuldenaars, die te zijnen opzichte slechts als zijn borgen beschouwd worden.

In de laatstgenoemde onderstelling wordt de medeschuldenaar in de akte enkel vermeld als medeschuldenaar op wie de schuld geen betrekking heeft.

Uit al die wetsbepalingen samen volgt dat, hoewel de hoofdelijke schuldenaars tot dezelfde zaak verplicht zijn, zulks niet belet dat het voor elk van hen om een per-soonlijke schuld gaat tot beloop van zijn aandeel, tenzij een van de medeschuldenaars zich heeft verbonden als niet-betrokken medeschuldenaar, in welk geval hij slechts optreedt als derde garant van de schuld.

Bijgevolg heeft de verschoonbaarheid van de gefailleerde helemaal niet tot gevolg hebben dat de hoofdelijk verbonden echtgenoot bevrijd wordt van zijn verbintenis, althans niet in zoverre zij definitief te zijnen laste moet blijven.

In deze zaak voerde de eiseres voor het hof van beroep aan dat het krediet dat de echtgenoten P.-B., gehuwd onder het wettelijk stelsel, in 1996 hoofdelijk hadden geopend, bestemd was voor de aankoop door [de verweerster] van het onverdeelde aandeel van haar zus C. in het gezamenlijk pand uit de nalatenschap van hun ouders, namelijk een aan [die verweerster] eigen onroerend goed overeenkomstig de artikelen 1399 en 1400 van het Burgerlijk Wetboek, wat door het hof van beroep niet in twijfel wordt getrokken.

Bijgevolg had de schuld betrekking op een eigen goed van de verweerster en ging die haar persoonlijk aan.

Hoewel luidens artikel 1408 van het Burgerlijk Wetboek de schulden die door beide echtgenoten aangegaan zijn, gezamenlijk of hoofdelijk, gemeenschappelijk zijn en, luidens artikel 1413 van het Burgerlijk Wetboek, een schuld aangegaan door de twee echtgenoten, zelfs in verschillende hoedanigheid, zowel verhaald kan worden op het eigen vermogen van ieder van hen als op het gemeenschappelijke vermogen, volgt uit artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek dat de echtgenoot die een eigen goed koopt met gemeenschappelijke geldmiddelen een vergoeding verschuldigd is ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijke vermogen heeft opgenomen om een schuld te voldoen.

Daaruit volgt dat de schuld, die de eiseres op de verweerster wilde verhalen, voor laatstgenoemde een schuld was die haar eigen vermogen in zijn geheel definitief ging bezwaren, aangezien de gefailleerde zich slechts hoofdelijk met die verweerster had verbonden als medeschuldenaar die de schuld niet aangaat heeft en waarvan de verschoonbaarheid van haar echtgenoot haar niet kon bevrijden.

Het arrest neemt trouwens uitdrukkelijk aan dat de schuld waartoe de gefailleerde zich had verbonden, de schuld van zijn echtgenote was.

Op zijn minst was die schuld, die was aangegaan door de twee echtgenoten en die met toepassing van artikel 1213 van het Burgerlijk Wetboek van rechtswege deelbaar was tussen hen, voor de helft een persoonlijke schuld van de verweerster, waarvan de verschoonbaarheid van haar echtgenoot, en de daaruit volgende be-vrijding van de schulden van de gefailleerde, haar helemaal niet bevrijdde.

Bijgevolg heeft het arrest zijn vaststellingen, waaruit blijkt dat de schuld bestemd was voor de wederkoop door de verweerster van het onverdeelde aandeel van haar zus in een onroerend goed uit de nalatenschap van hun ouders, dus voor de aan-koop van een eigen goed door haar, en, bijgevolg, niets te maken had met de activiteit of met het vermogen van de gefailleerde die, volgens de eigen bewoordingen van het arrest, zich verbonden had voor de schuld van zijn echtgenote, niet naar recht kunnen beslissen dat het niettemin ging om een schuld van de gefailleerde, althans in haar geheel, in de zin van artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, tot betaling waarvan de verweerster als echtgenote, volledig bevrijd was (schending van de artikelen 16, 82, gewijzigd door de wetten van 2 februari 2005 en 20 juli 2005, 96, 98 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, 1200, 1201, 1210, 1213, 1216, 1399, 1400, 1408, 1413, 1414, 1432 van het Burgerlijk Wetboek, 7 en 8 van de Hypotheekwet van 16 december 1851). Op zijn minst heeft het arrest niet naar recht kunnen beslissen dat de verweerster, in haar hoedanigheid van echtgenote van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, bevrijd was van haar verplichtingen uit de lening, louter en alleen omdat het om een hoofdelijke verbintenis ging, zonder vooraf vast te stellen dat de schuld de verweerster niet persoonlijk aanging (schending van de voornoemde artikelen).

Tweede onderdeel

Luidens artikel 159 van de Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre ze met de wetten overeenstemmen.

Zo ook mogen zij geen toepassing maken van een als ongrondwettig aangemerkte wet.

Luidens artikel 10 van de Grondwet zijn de Belgen gelijk voor de wet.

Artikel 11 van de Grondwet bepaalt van zijn kant dat het genot van de aan de Belgen toegekende rechten en vrijheden zonder discriminatie verzekerd moet wor-den.

Hoewel die grondwettelijke regels niet beletten dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, kan die verschillende behandeling slechts worden verantwoord voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de bepaling en met het redelijk verband van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

Artikel 82, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij de wet van 20 juli 2005, bepaalt dat de gefailleerde, indien hij verschoonbaar is verklaard, niet meer vervolgd kan worden door zijn schuldeisers. Volgens het tweede lid van dat artikel, gewijzigd door de wet van 2 februari 2005, wordt de echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting.

Blijkens artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals het door het arrest wordt uitgelegd, zou het voldoende zijn dat de twee echtgenoten hoofdelijk een zelfde schuld zijn aangegaan opdat de verschoonbaarheid van de gefailleerde tot gevolg heeft dat de echtgenoot van die schuld wordt bevrijd en dat de hypothecaire waarborg dus verdwijnt, ook al heeft die schuld de verwerving van een eigen goed door de echtgenoot tot voorwerp.

Net zoals de echtgenoot die als medeschuldenaar van de gefailleerde ingetekend heeft op een lening, die laatstgenoemde is aangegaan in het kader van zijn beroepsactiviteit of voor de aankoop van een gemeenschappelijk goed of van een eigen goed van de gefailleerde, dat het gemeenschappelijk pand van de schuldeisers zal vormen, zal bijgevolg de echtgenoot die een lening is aangegaan, waarop de gefailleerde heeft ingetekend, voor de aankoop van een eigen goed, dat van zijn kant, zal ontsnappen aan de samenloop van de schuldeisers van de gefailleerde, de verschoonbaarheid van zijn failliet verklaarde echtgenoot kunnen tegenwerpen aan de schuldeiser, zodat die schuldeiser de schulden niet langer op de eigen goederen van de echtgenoot kan verhalen.

In die uitlegging behandelt de wet op identieke wijze de echtgenoot die zich louter als derde garant van de gefailleerde heeft verbonden en degene die zich gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde heeft verbonden met het oog op de verrijking van zijn eigen vermogen, waardoor de schuldeiser zijn rechten verliest om de schulden op de echtgenoot te verhalen, zonder dat die identieke behandeling objectief en redelijk wordt verantwoord.

Het arrest dat beslist dat de verweerster met toepassing van artikel 82 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 bevrijd is van de schuld die zij hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan om het onverdeelde aandeel van haar zus in een van hun ouders geërfd onroerend goed terug te kopen, maakt bijgevolg toepassing van een ongrondwettelijke bepaling (schending van de artikelen 10, 11, 159 van de Grondwet en 82 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij de wetten van 2 februari 2005 en 20 juli 2005). Bijgevolg vraagt de eiseres dat het Hof, alvorens recht te doen, aan het Grondwettelijk Hof, met toepassing van artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de onderstaande prejudiciële vraag voorlegt: schendt artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij de wet van 2 februari 2005, in die zin uitgelegd dat de echtgenoot van de gefailleerde bevrijd wordt van een schuld die gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan, ook al is die schuld aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van de echtgenoot, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het aldus de echtgenoot die zich louter voor de persoonlijke verbintenissen van de gefailleerde garant heeft gesteld, zonder daaruit een voordeel voor zijn eigen vermogen te halen, op dezelfde wijze behandelt als degene die die schuld gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan ten voordele van zijn eigen vermogen, waarbij de schuldeiser in de beide onderstellingen zijn recht verliest om die schuld op de echtgenoot te verhalen?

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 wordt de echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van deze laatste, door de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting.

De toepassing van die bepaling omvat ook het geval waarbij de echtgenoot van de gefailleerde samen met hem de medeschuldenaar is van een schuld die vóór het faillissement door de twee echtgenoten is aangegaan en waartoe de echtgenoot van de gefailleerde bijgevolg persoonlijk gehouden is, ook al werd die schuld aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van de echtgenoot.

Het onderdeel, dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

Het arrest stelt vast:

- op 24 juni 1996 hebben de verweerster en wijlen M.P., haar echtgenoot, hoof-delijk een krediet geopend bij de naamloze vennootschap HSA, waarvan de ei-seres de rechten en de verplichtingen heeft overgenomen; dat krediet bood de verweerster de mogelijkheid een eigen onroerend goed aan te kopen, zijnde het onverdeelde aandeel van haar zus in een pand dat zij van hun ouders geërfd hadden; dat krediet werd gewaarborgd door hypotheken op een huis en een weiland die enkel aan de verweerster toebehoorden;

- M.P. werd op 17 januari 2002 failliet verklaard en dat faillissement werd afge-sloten door een vonnis 20 oktober 2005; daarbij werd de gefailleerde ver-schoonbaar verklaard;

- op 28 oktober 2008 heeft de eiseres ten laste van de verweerster een uitvoerend beslag op onroerend goed doen leggen op grond van een vonnis dat de ver-weerster en M.P. veroordeeld had.

Het arrest overweegt dat "[de verweerster] in haar hoedanigheid van echtgenote van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, bevrijd is van haar verplichtingen uit de lening" krachtens artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 au-gustus 1997 en dat de eiseres "haar niet langer kan vervolgen".

De eiseres voert aan dat artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 au-gustus 1997, in die zin uitgelegd dat de echtgenoot van de gefailleerde automa-tisch bevrijd wordt van elke schuld die hij gezamenlijk of hoofdelijk met de ge-failleerde is aangegaan, ook al is die schuld aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van die echtgenoot, de echtgenoot die zich louter voor de persoonlijke verbintenissen van de gefailleerde garant heeft gesteld, zonder daaruit een voor-deel voor zijn eigen vermogen te halen, op dezelfde wijze behandelt als de echt-genoot die die schuld gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan ten voordele van zijn eigen vermogen, waarbij de schuldeiser in de beide onder-stellingen zijn recht verliest om die schuld op de echtgenoot te verhalen, zonder dat die identieke behandeling objectief of redelijk wordt verantwoord, zodat het arrest, door toepassing te maken van dat, in die zin uitgelegde, artikel 82, tweede lid, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.

Overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 doet het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door een wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Krachtens artikel 26, § 2, van die bijzondere wet moet het Hof de in het dictum van dit arrest weergegeven vraag stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Dictum

Het Hof,

Houdt de uitspraak aan tot het Grondwettelijk Hof de onderstaande prejudiciële vraag zal hebben beantwoord:

"Schendt artikel 82, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, in die zin uitgelegd dat de echtgenoot van de gefailleerde bevrijd wordt van een schuld die gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan, ook al is die schuld aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van de echtgenoot, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het aldus een gelijke behandeling maakt van de echtgenoot die zich louter voor de persoonlijke verbintenissen van de gefailleerde garant heeft gesteld, zonder daaruit een voordeel voor zijn eigen vermogen te halen, en degene die deze schuld gezamenlijk of hoofdelijk met de gefailleerde is aangegaan ten voordele van zijn eigen vermogen, waarbij de schuldeiser in de beide onderstellingen zijn recht verliest op het verhalen van die schuld op de echtgenoot?"

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Sylvi-ane Velu, Martine Regout en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 8 juni 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van ad-vocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Grondwettelijk Hof

  • Faillissement

  • Verschoonbaar verklaarde gefailleerde

  • Echtgenoot van de gefailleerde persoonlijk aansprakelijk voor de schuld van zijn echtgenoot

  • Echtgenoot van gefailleerde samen met hem medeschuldenaar van schuld, door beide echtgenoten aangegeven vóór faillissement

  • Schuld aangegaan ten voordele van het eigen vermogen van de echtgenoot

  • Bevrijding van de echtgenoot van de gefailleerde

  • Bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet

  • Verplichting van het Hof