- Arrest van 21 juni 2012

21/06/2012 - D.12.0016.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een tijdelijke ordemaatregel van schorsing kan worden genomen wanneer een gerechtelijk strafonderzoek wegens een misdaad of wanbedrijf lastens de betrokken magistraat is ingesteld, zonder dat daarbij vereist is dat de eigenlijke strafvordering reeds aanhangig is gemaakt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. D.12.0016.N

F. D. T.,

eiseres in hoger beroep,

met als raadsman mr. André De Becker, advocaat bij de balie te Brussel, met kan-toor te 1000 Brussel, Boomstraat 14, bus 4.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het hoger beroep is gericht tegen de op 16 mei 2012 door de dienstdoende eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel genomen beschikking.

Op verzoek van de eiseres vindt de behandeling achter gesloten deuren plaats.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle wordt gehoord.

De eiseres en haar raadsman worden gehoord.

Er wordt enkel gebruik gemaakt van het Nederlands.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 406, § 1, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, kan de betrok-kene, ingeval hij wordt vervolgd wegens een misdaad of een wanbedrijf of tucht-rechtelijk wordt vervolgd, op grond van een ordemaatregel uit zijn ambt worden geschorst voor de duur van de vervolging en tot de eindbeslissing is genomen.

Krachtens artikel 406, § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, spreekt de tucht-overheid bevoegd om een lichte straf op te leggen de ordemaatregel uit voor de duur van een maand, kan de maatregel vervolgens van maand tot maand worden verlengd tot de eindbeslissing en kan de maatregel een inhouding van 20 pct. van de brutowedde inhouden.

Krachtens artikel 406, § 1, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, kan geen ordemaatre-gel worden genomen zonder dat de betrokkene voorafgaandelijk is gehoord over-eenkomstig de procedure bedoeld in artikel 423.

Krachtens artikel 406, § 1, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, kan bij uiterst drin-gende noodzakelijkheid of bij betrapping op heterdaad een voorlopige maatregel worden genomen zonder voorafgaand verhoor van de betrokkene, wordt de be-trokkene na het toepassen van de voorlopige ordemaatregel onverwijld gehoord en vervalt de maatregel na tien dagen, tenzij de overheid die de maatregel genomen heeft, hem binnen deze termijn heeft bekrachtigd.

2. Uit deze bepalingen volgt dat een tijdelijke ordemaatregel van schorsing kan worden genomen wanneer een gerechtelijk strafonderzoek wegens een misdaad of wanbedrijf lastens de betrokken magistraat is ingesteld, zonder dat daarbij vereist is dat de eigenlijke strafvordering reeds aanhangig is gemaakt.

3. Het nemen van dergelijke ordemaatregel tijdens een gerechtelijk strafonder-zoek, dat op gespannen voet staat met het vermoeden van onschuld, vereist dat het voorwerp van dit onderzoek ernstige feiten betreft en de goede werking van de dienst eraan in de weg staat dat de betrokkene verder zijn functie uitoefent. De maatregel moet ook worden afgewogen aan het vertrouwen dat de rechtzoekende moet kunnen hebben in diegene die belast is met een rechtsprekende functie en die boven iedere verdenking hoort te staan.

De tuchtoverheid heeft zich bij het nemen van een tijdelijke ordemaatregel in de regel niet in te laten met de aanwijzingen van schuld of de onschuld van de be-trokkene, die overigens vermoed wordt onschuldig te zijn.

Het is zodoende ter vrijwaring van het recht van verdediging in de regel ook niet vereist dat de tuchtoverheid, evenals de betrokken magistraat in dit stadium reeds kennis kunnen nemen van het strafdossier.

4. Noch de omstandigheid dat de eiseres ten tijde van haar oproeping voor de tuchtoverheid nog niet ten gronde was gedagvaard, noch de omstandigheid dat het strafdossier niet was gevoegd bij het dossier waarover de tuchtoverheid beschikte en dat door de eiseres kon worden geraadpleegd, hebben zodoende tot gevolg dat de bestreden beschikking door een onregelmatigheid is aangetast. De aanvoeringen van de eiseres inzake onder meer haar onschuld, de wijze waarop de zaak van start ging en de mogelijke verjaring van bepaalde niet nader gepreciseerde feiten, maken niet aannemelijk dat er bijzondere omstandigheden voorhanden zijn die vereisen dat het strafdossier wel ter beschikking had dienen te zijn.

5. De door de dienstdoende eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel genomen ordemaatregel werd genomen op goede gronden, die het Hof tot de zijne maakt.

De omstandigheid dat de strafvordering slechts aanhangig wordt gemaakt voor bepaalde feiten, terwijl het onderzoek wordt verdergezet voor andere feiten en dat de pers uiteindelijk niet veel aandacht heeft besteed aan het uitstel van de straf-zaak, belet niet dat het aanhangig maken lastens de eiseres van de strafvordering voor ernstige feiten die verband houden met de uitoefening van haar ambt, van aard is de geloofwaardigheid van haar functie in het gedrang te brengen, zodat, mede in acht genomen haar hoedanigheid van korpschef, het belang van de dienst een schorsing als ordemaatregel vereist.

Dictum

Het Hof,

Rechtszitting houdende in hoger beroep,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch niet gegrond.

Bevestigt de beroepen beschikking.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op nul euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit raadsheer Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Alain

Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 21 juni 2012 uitgesproken door raadsheer Eric Stassijns, in aan-wezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Tijdelijke ordemaatregel

  • Schorsing

  • Gerechtelijk strafonderzoek

  • Strafvordering

  • Aanhangigmaking

  • Vereiste