- Arrest van 22 juni 2012

22/06/2012 - C.11.0467.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter van de aangezochte lidstaat heeft niet het recht om de uitspraak aan te houden over het rechtsmiddel dat is ingesteld tegen de beslissing waarbij een buitenlandse beslissing uitvoerbaar verklaard wordt op grond dat een strafvordering die is ingesteld na de uitspraak van de buitenlandse beslissing aan het licht zou kunnen brengen dat de uitvoering ervan kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat (1). (1) Zie concl. in Pas. 2012, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0467.F

1. M. B.,

2. P. B.,

3. K. B.,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

SOGINVEST nv,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF,

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 25 januari 2011 in laatste aanleg gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Op 24 mei 2012 heeft procureur-generaal Jean-François Leclercq ter griffie een conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht en procureur-generaal Jean-François Leclercq is gehoord in zijn conclusie.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren twee middelen aan

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering;

- artikelen 34, inzonderheid 1) en 45.1 van de verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis stelt vast dat

"[de eerste twee eisers] op 7 april 2010 in België een burgerlijke rechtsvordering hebben ingesteld wegens oplichting, valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken en witwaspraktijken. Zij zijn van oordeel dat het van cruciaal belang is de identiteit te kennen van de echte aandeelhouders van [de verweerster]. Zij voeren aan dat zij hun procedure tot schadevergoeding hebben voortgezet voor de Luxemburgse rechtscolleges hoewel zij reeds schadevergoeding hadden gekregen. Zij zouden zich aldus schuldig hebben gemaakt aan oplichting. Zij zijn bovendien de mening toegedaan dat de uitvoering van het arrest van het hof van beroep te Luxemburg een onderdeel vormt van het witwasmisdrijf omdat het de echte aandeelhouders van [de verweerster] in staat stelt langs schijnbaar rechtmatige weg gelden te recupereren die door Belgische burgers oorspronkelijk via Luxemburg belegd waren uit louter fiscale overwegingen. In hun conclusie maken zij tevens gewag van gebruik van valse stukken".

Daarna verklaart het bestreden vonnis bij de uitspraak over de zaak zelf "het derdenverzet van [de eisers] niet gegrond en wijst het af", na de exceptie die was afgeleid uit de regel dat "de strafvordering de burgerlijke rechtsvordering schorst" te hebben verworpen. Het beslist aldus om de volgende redenen:

3. "In strijd met wat [de eisers] ter zitting hebben aangevoerd, zijn niet alle burgerlijke rechtscolleges gebonden [door het] beginsel ‘de strafvordering schorst de burgerlijke rechtsvordering'. Zo is de beslagrechter niet gebonden door dat beginsel. Wanneer het geschil voor de beslagrechter komt, heeft de feitenrechter reeds uitspraak gedaan over de uitvoerbare titel (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag, Kluwer, 2010, p.41). Er bestaat dus geen gevaar voor tegenstrijdige beslissingen.

4. Teneinde te bepalen of de rechtbank in deze zaak door dat beginsel gebonden is, moet de rechter nagaan wanneer het van toepassing is.

In deze zaak is de vraag aan de orde of het beginsel van openbare orde ‘de strafvordering schorst de burgerlijke rechtsvordering' van toepassing is op de bijzondere procedure die ertoe strekt een buitenlandse beslissing uitvoerbaar te doen verklaren in België.

Een buitenlandse beslissing kan in België enkel ten uitvoer gelegd worden na een exequatur. Die verklaring van uitvoerbaarheid is slechts een akte die voorafgaat aan een maatregel van tenuitvoerlegging (maar valt er niet mee samen) (G. de Leval, Traité des saisies, Faculté de droit de Liège, 1998, p.492). Zulks impliceert dat de verklaring van uitvoerbaarheid niet belet dat achteraf de geldigheid of de doeltreffendheid van de uitvoerbare titel nog wordt betwist.

Het staat niet aan de rechter die aangezocht wordt om de verklaring van uitvoerbaarheid te geven de in het buitenland gewezen beslissing te wijzigen omdat hij geen kennis neemt van het in het buitenland beslechte geschil (G. de Leval, op. Cit., p. 493, en de aldaar aangehaalde verwijzingen, onder meer A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, 1985, nr. 235).

Tot slot blijkt uit de doelstelling van de verordening (zoals van die van het Verdrag van Brussel) en het verband tussen die verordening en het EG-Verdrag niet alleen dat de lijst van de redenen tot weigering van erkenning beperkend is maar bovendien dat die redenen strikt moeten worden uitgelegd ‘en raison de la dérogation qu'ils apportent au principe de la liberté de circulation des jugements' (Fr. Rigaux en M. Fallon, Droit international privé, Larcier, 3e ed., p. 435 en de aldaar aangehaalde verwijzingen).

5. Zoals hierboven is gepreciseerd inzake beslag, is de rechter die de verklaring van uitvoerbaarheid moet geven evenmin gebonden door het beginsel ‘de strafvordering schorst de burgerlijke rechtsvordering'.

Zoals de [eisers] opmerken moet de burgerlijke rechter immers de uitspraak aanhouden als hij, om uitspraak te doen over het hem voorgelegde geschil, zich moet baseren op gegevens waarover de strafrechter uitspraak moet doen maar nog geen uitspraak heeft gedaan. Dat is te dezen niet het geval.

De uitvoerbare beslissing is immers reeds gewezen door het buitenlandse rechtscollege en ‘in geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in de vreemde gegeven beslissing' (artikel 36 van de EG-verordening).

Er bestaat te dezen geen gevaar voor tegenstrijdige beslissingen, aangezien de rechter die de verklaring van uitvoerbaarheid moet geven, zich ertoe beperkt de tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing in België toe te staan. De rechter doet enkel uitspraak over de regelmatigheid van de buitenlandse beslissing met inachtneming van de in de verordening op beperkende wijze opgesomde redenen tot weigering.

Er bestaat derhalve geen grond om te dezen de uitspraak aan te houden in afwachting van de uitspraak over de klacht met burgerlijke- partijstelling".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 45.1 van de verordening (EG) nr.44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissingen in burgerlijke zaken en in handelszaken bepaalt dat "de verklaring van uitvoerbaarheid door het gerecht dat oordeelt over een rechtsmiddel, bedoeld in de artikelen 43 of 44, slechts op een van de in de artikelen 34 en 35 genoemde gronden wordt geweigerd of ingetrokken".

Artikel 34 van genoemde verordening bepaalt dat "een beslissing niet wordt erkend als : 1) de erkenning kennelijk in strijd is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat".

Op grond van die bepalingen kan, wanneer een rechter van de aangezochte lidstaat een buitenlandse beslissing uitvoerbaar verklaard heeft in die lidstaat, de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd een rechtsmiddel instellen en kan de rechter van de aangezochte lidstaat naar aanleiding hiervan de vraag worden voorgelegd of de tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing in de aangezochte lidstaat kennelijk in strijd is met de openbare orde van die lidstaat.

Wanneer de aangezochte lidstaat België is en de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd aanvoert dat de tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing in België kennelijk in strijd is met de Belgische openbare orde omdat zij een aantal inbreuken op de strafwet oplevert waartegen een strafvordering is ingesteld, heeft het vonnis over de strafvordering ten aanzien van de apart ingestelde burgerlijke rechtsvordering gezag van gewijsde op de punten die de strafvordering en de burgerlijke rechtsvordering gemeen hebben en derhalve moet de rechter bij wie het rechtsmiddel is ingesteld de uitspraak aanhouden overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.

Het bestreden vonnis dat de door de eisers opgeworpen exceptie van uitstel verwerpt en uitspraak doet over de zaak zelf op grond dat, "zoals hierboven is gepreciseerd inzake beslag, de rechter die de verklaring van uitvoerbaarheid moet geven, evenmin gebonden is door het beginsel ‘de strafvordering schorst de burgerlijke rechtsvordering'. Zoals de [eisers] opmerken moet de burgerlijke rechter immers de uitspraak aanhouden als hij, om uitspraak te doen over het hem voorgelegde geschil, zich moet baseren op gegevens waarover de strafrechter uitspraak moet doen maar nog geen uitspraak heeft gedaan. Dat is te dezen niet het geval. De uitvoerbare beslissing is immers reeds gewezen door het buitenlandse rechtscollege en ‘in geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing' (artikel 36 van de verordening (EG)). Er bestaat te dezen geen gevaar voor tegenstrijdige beslissingen aangezien de rechter die de verklaring van uitvoerbaarheid moet geven zich ertoe beperkt de tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing in België toe te staan. De rechter doet enkel uitspraak over de regelmatigheid van de buitenlandse beslissing met inachtneming van de in de verordening op beperkende wijze opgesomde redenen tot weigering", schendt alle in het middel aangegeven wetsbepalingen.

Tweede onderdeel

Artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat "de burgerlijke rechtsvordering terzelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd kan worden als de strafvordering. Zij kan ook afzonderlijk vervolgd worden; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die voor of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld."

Overeenkomstig die bepaling moet de burgerlijke rechter de uitspraak aanhouden als hij, om uitspraak te doen over het hem voorgelegde geschil zich moet baseren op gegevens waarover de strafrechter uitspraak moet doen maar nog geen uitspraak gedaan heeft.

Te dezen voerden de eerste twee eisers in hun conclusie aan dat het arrest van het hof van beroep te Luxemburg van 20 maart 2008 niet uitvoerbaar verklaard kon worden in België omdat "de tenuitvoerlegging van [dat] arrest kennelijk in strijd is met de Belgische openbare orde omdat de misdrijven oplichting, valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken en witwassen van geld evenzoveel kennelijke miskenningen opleveren van essentiële rechtsregels in de Belgische rechtsorde. [...] Bijgevolg moet de bestreden beschikking die voornoemde beslissing uitvoerbaar verklaard heeft in België worden vernietigd".

De eerste twee eisers verzochten de rechtbank om de uitspraak aan te houden tot definitief uitspraak zou zijn gedaan over de strafvordering die zij op gang gebracht hadden door op 17 april 2010 een klacht in te dienen en zich burgerlijke partij te stellen wegens oplichting, valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken en witwaspraktijken waartoe de uitvoering behoort van het arrest van het hof van beroep te Luxemburg van 20 maart 2008.

Het bestreden vonnis stelt het volgende vast:

"[De eisers] verzoeken de rechtbank in de eerste plaats om de uitspraak aan te houden tot definitief uitspraak zal zijn gedaan over de strafvordering die zij op gang gebracht hadden door op 17 april 2010 een klacht in te dienen en zich burgerlijke partij te stellen."

en

"Op 7 april 2010 hebben [de eerste twee eisers] in België een burgerlijke rechtsvordering ingesteld wegens oplichting, valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken en witwaspraktijken. Zij zijn van oordeel dat het van cruciaal belang is de identiteit te kennen van de echte aandeelhouders van [de verweerster]. Zij voeren aan dat zij hun procedure tot schadevergoeding hebben voortgezet voor de Luxemburgse rechtscolleges hoewel zij reeds schadevergoeding hadden gekregen. Zij zouden zich aldus schuldig hebben gemaakt aan oplichting. Zij zijn bovendien de mening toegedaan dat de uitvoering van het arrest van het hof van beroep van Luxemburg een onderdeel vormt van het witwasmisdrijf omdat het de echte aandeelhouders van [de verweerster] in staat stelt langs schijnbaar rechtmatige weg gelden te recupereren die door Belgische burgers oorspronkelijk via Luxemburg belegd waren uit louter fiscale overwegingen. In hun conclusie maken zij tevens gewag van gebruik van valse stukken".

Het bestreden vonnis beslist evenwel dat "er te dezen geen grond bestaat om de uitspraak aan te houden in afwachting van de uitspraak over de klacht met burgerlijke-partijstelling" en het doet uitspraak over de zaak zelf.

Het bestreden vonnis, dat de exceptie verwerpt die is afgeleid uit de regel volgens welke "de strafvordering de burgerlijke rechtsvordering schorst", schendt bijgevolg artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.

...

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Artikel 45.1 van de verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke zaken en handelszaken bepaalt dat de verklaring van uitvoerbaarheid door het gerecht dat oordeelt over een rechtsmiddel, bedoeld in de artikelen 43 of 44, slechts op een van de in de artikelen 34 en 35 genoemde gronden wordt geweigerd of ingetrokken en dat het onverwijld uitspraak doet.

Artikel 45.2 van voornoemde verordening bepaalt dat in geen geval wordt over-gegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslis-sing.

Volgens artikel 34, 1 wordt een beslissing niet erkend indien de erkenning kenne-lijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat.

Die bepalingen geven de rechter van de aangezochte Staat niet het recht om de uitspraak over het rechtsmiddel op te schorten, dat krachtens artikel 43 van voor-noemde verordening is ingesteld tegen de beslissing waarbij een buitenlandse be-slissing uitvoerbaar verklaard wordt op grond dat een strafvordering die is inge-steld na de uitspraak van de buitenlandse beslissing aan het licht zou brengen dat de uitvoering ervan kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aange-zochte Staat.

Het onderdeel volgens hetwelk die bepalingen het aanhouden van de uitspraak vereisen, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 4, eerste lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wordt, in het geval dat de strafvordering en de burgerlijke rechts-vordering afzonderlijk vervolgd worden, de uitoefening van de burgerlijke rechts-vordering geschorst zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die voor of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld.

Deze regel die enkel tot doel heeft de uitspraak van tegenstrijdige beslissingen op de strafvordering en de burgerlijke rechtsvordering te voorkomen, is enkel van toepassing als over de burgerlijke rechtsvordering nog geen eindbeslissing is ge-wezen op het ogenblik dat de strafvervolging wordt aangevoerd, en kan de uitvoering van een dergelijke beslissing niet in de weg staan.

De rechter van de aangezochte Staat die uitspraak doet over het rechtsmiddel te-gen een beslissing waarbij een buitenlandse beslissing op een burgerlijke rechts-vordering uitvoerbaar verklaard wordt, gaat enkel na of uitwerking moet worden verleend aan rechten die definitief verkregen zijn op grond van die beslissing en doet derhalve geen uitspraak over een burgerlijke rechtsvordering in de zin van het bovenaangehaalde artikel 4.

Hij mag dus krachtens die bepaling de uitspraak niet opschorten op grond dat een strafvordering die is ingesteld na de uitspraak van de buitenlandse beslissing aan het licht zou kunnen brengen dat de uitvoering ervan kennelijk in strijd zou zijn met de openbare orde van de aangezochte Staat.

Het onderdeel dat aanvoert dat artikel 4 de rechter ertoe verplicht de uitspraak aan te houden, faalt naar recht.

....

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert

Fettweis, de raadsheren Sylviane Velu en Alain Simon, en in openbare terechtzit-ting van 22 juni 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezig-heid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier

Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Deconinck en overgeschre-ven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Burgerlijke zaken

  • Uitvoerbaarverklaring

  • Beslissing

  • Erkenning

  • Voorwaarde

  • Openbare orde