- Arrest van 26 juni 2012

26/06/2012 - P.12.0080.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De kamer van inbeschuldigingstelling die als nationale instantie bedoeld in artikel 13 EVRM geroepen wordt om bij de schending van het verdrag een passende rechtshulp te verlenen, moet alvorens na te gaan of de voorgehouden overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging onherstelbaar heeft aangetast zodat geen eerlijk proces meer mogelijk is, eerst nagaan of de redelijke termijn al dan niet overschreden is; de loutere vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn kan immers, als gegeven dat de feitenrechter in aanmerking zal dienen te nemen bij de beoordeling van de grond van de zaak, een passend rechtsherstel zijn (1). (1) Zie: Cass. 27 okt. 2009, AR P.09.0901.N, AC 2009, nr. 621; Cass. 24 nov. 2009, AR P.09.1080.N, AC 2009, nr. 694 met conclusie O.M.; Cass. 5 juni 2012, AR P.12.0018.N, AC 2012, nr. 364.…


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0080.N

H. H. R.,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Gert Warson, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

1. H. O.,

burgerlijke partij,

2. E. J., in hoedanigheid van curator van de failliete PETROBEL nv, met kan-toor te 2110 Wijnegem, Marktplein 22,

burgerlijke partij,

3. B. A., in hoedanigheid van curator van de failliete nv REYNDERS, met kan-toor te 1080 Brussel, Ninoofsesteenweg 643

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 december 2011.

De eiser voert in een memorie, die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 163 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de plicht van de kamer van inbeschuldigingstelling te antwoorden op de conclusie van de partijen: het arrest beantwoordt niet eisers verweer met betrekking tot de overschrijding van de rede-lijke termijn.

2. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die geen kennis nemen van de gegrondheid van de strafvordering.

Daarentegen voeren de artikelen 135, § 2, en 235bis Wetboek van Strafvordering voor de kamer van inbeschuldigingstelling een tegensprekelijk debat in waardoor dit onderzoeksgerecht dient te antwoorden op het door de partijen gevoerde ver-weer.

3. Ook al oordeelt het arrest dat niet is aangetoond dat de voorgehouden over-schrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging onherstelbaar heeft aangetast zodat geen eerlijk proces meer mogelijk is, dan nog diende de kamer van inbeschuldigingstelling dat als nationale instantie bedoeld in artikel 13 EVRM geroepen wordt om bij de schending van het verdrag een pas-sende rechtshulp te verlenen, eerst na te gaan of de redelijke termijn al dan niet overschreden is. De loutere vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn kan immers, als gegeven dat de feitenrechter in aanmerking zal dienen te nemen bij de beoordeling van de grond van de zaak, een passend rechtsherstel zijn.

4. Voor de kamer van inbeschuldigingstelling heeft de eiser geconcludeerd zo-als het middel weergeeft. Met dit verweer voerde de eiser aan dat, in vergelijking met het door hem ingestelde hoger beroep, het hoger beroep van een mede-inverdenkinggestelde één jaar eerder kon worden behandeld, zonder dat daarvoor enige verantwoording gegeven wordt. De eiser gaf aldus te kennen dat de niet-verantwoorde vertraging in de behandeling van zijn hoger beroep een invloed heeft op de beoordeling van de redelijke termijn.

5. Met de redenen die het bevat, verwijst het arrest enkel naar hetgeen de ka-mer van inbeschuldigingstelling bij een andere beslissing geoordeeld heeft ten aanzien van een mede-inverdenkinggestelde, maar beantwoordt het eisers verweer niet.

Het middel is gegrond.

Overige grieven

6. De grieven behoeven geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldiging-stelling, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten op 133,16 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechts-zitting van 26 juni 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afge-vaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Redelijke termijn

  • Overschrijding

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Beoordeling

  • Rechtsherstel