- Arrest van 28 juni 2012

28/06/2012 - C.10.0608.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De rechter is niet verplicht de overlegging van stukken te bevelen.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0608.N

D.T.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

H.D.,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 mei 2010.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De appelrechter oordeelt onder meer dat:

- de deskundige tot het besluit komt dat de inkomsten uit bijberoep van de eiser eerder bescheiden zijn;

- de deskundige niet de gevraagde klaarheid verschaft;

- de deskundige voor het boekjaar 2008 quasi geen gegevens verstrekt;

- de eiser deze gegevens zelf had kunnen geven bij de verdere behandeling voor het hof van beroep;

- dit gebrek aan bereidwilligheid tot transparantie het hof van beroep enkel in het nadeel van de eiser kan interpreteren;

- de deskundige de boekhouding van de vennootschap heeft kunnen inzien, maar heeft nagelaten de ware aard van de samenwerking van de eiser te onderzoeken;

- het onbegrijpelijk is dat de deskundige zijn opdracht zo onzorgvuldig heeft uit-gevoerd, daar waar het hof van beroep hem uitdrukkelijk had opgedragen alle inkomsten uit bijactiviteiten na te gaan, zowel deze van de eiser zelf als deze van TDE Vastgoed vof;

- de eiser de ware omvang van zijn inkomsten verborgen houdt;

- de eiser aangesteld is als syndicus in diverse residentiële gebouwen;

- de eiser zijn kosten sterk overdrijft, in die mate dat hij nauwelijks een inkomen overhoudt;

- de verweerster het immobiliënkantoor Immo T.-D. niet verder heeft gezet;

2. Uit deze vaststellingen en redenen blijkt dat de appelrechter:

- het persoonlijk onderhoudsgeld heeft bepaald op grond van de respectieve be-hoeften en inkomsten van de partijen en de mogelijkheid voor de verweerster de le¬vensstandaard aan te houden die zij zou hebben gehad indien er geen scheiding was geweest.

- het onderhoudsgeld voor de dochter van de partijen heeft bepaald naar evenre-digheid van de middelen van de ouders en de be¬hoeften van het kind;

- het hoger beroep van de eiser niet afwijst en het incidentieel beroep van de verweerster niet toekent op grond van ‘proceshouding' van de eiser;

- de beslissing niet steunt op feitelijke vermoedens.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

3. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt de appelrechter niet dat de eiser zijn verplichting tot medewerking aan het deskundigenonderzoek heeft miskend.

In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 972bis Gerechtelijk Wet-boek, mist het feitelijke grondslag.

4. Artikel 871 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "De rechter kan niettemin aan iedere gedingvoerende partij bevelen het bewijsmateriaal dat zij bezit, over te leggen."

Artikel 877 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "Wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, kan de rechter bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd."

5. Uit deze bepalingen volgt niet dat de rechter verplicht is de overlegging van stukken te bevelen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Derde onderdeel

6. De appelrechter stelt vast dat:

- de eiser voor zijn de activiteiten bij het zaken¬kantoor C. via de vennootschap TDE Vastgoed vergoedingen ontvangt;

- de eiser daarover geen enkel gegeven meedeelt;

- uit het deskun¬digenverslag evenmin blijkt welke bedragen de eiser hiervoor ontvangt;

- de eiser "extreem hoge onkosten" aanrekent, waarvan de deskundige meerdere ervan heeft verworpen;

- uit het deskundigenverslag blijkt dat de eiser bepaalde persoonlijke kosten on-terecht heeft geboekt als kosten van de vennootschap TDE Vastgoed.

De appelrechter oordeelt dat:

- de eiser zijn ¬kosten zo sterk overdrijft dat hij nauwelijks een inkomen over-houdt;

- de eiser voor zijn activiteiten bij het Zakenkantoor C. minstens 1.250 euro netto per maand ontvangt.

7. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, leidt de appelrechter aldus uit de feiten die hij vaststelt, geen gevolgtrekkingen af die op grond van die feiten niet kunnen worden verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

8. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt de appelrechter niet al-leen dat het "vaststaat" dat de verweerster de activiteiten van het immobiliënkan-toor T.-D. niet heeft verdergezet. Hij oordeelt ook dat de verweerster beweert dat de eiser dit wel heeft gedaan, wat hij ontkent.

Met die redenen beantwoordt de appelrechter het bedoelde verweer van de eiser.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vijfde onderdeel

9. De bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank die op grond van artikel 1280 Gerechtelijk Wetboek voorlopige maatregelen beveelt, strekt zich uit vanaf de dagvaarding tot echtscheiding.

Die regel staat niet eraan in de weg dat de bevoegde voorzitter van de rechtbank maatregelen beveelt voor een periode die voorafgaat aan de dagvaarding tot echt-scheiding, voor zover die maatregelen verband houden met de rechtsvordering tot echtscheiding en er voor die periode nog geen maatregelen werden bevolen.

10. De appelrechter oordeelt dat "de kort ge¬dingrechter met een zekere retroac-tiviteit de alimentatiebijdragen [kan] doen aanvangen nog voor de aanvang van de echtscheidingsprocedure [en dat] in casu [immers] dient (...) vastgesteld te worden dat de maatregelen van de vrede¬rechter slechts gelden tot 15.1.2006".

Op die gronden heeft de appelrechter wettig kunnen oordelen dat de met ingang van 16 januari 2006 ge¬vorderde uitkeringen verband hielden met de op 3 novem-ber 2006 ingeleide echtscheidingsvordering.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 736,82 euro en voor de verweerder op 145,72 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdag, en in openbare rechtszitting van 28 juni 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzit-ter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Overlegging van stukken

  • Taak van de rechter