- Arrest van 29 juni 2012

29/06/2012 - C.11.0522.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Derde-medeplichtigheid impliceert de deelneming van een derde aan de rechtshandeling die ten grondslag ligt aan de wanuitvoering van de contractuele verbintenis (1). (1) Het O.M. was van oordeel dat de derde aansprakelijk is als hij meewerkt aan de wanuitvoering van een contractuele verbintenis, als hij zijn recht alleen gebruikt om hulp te bieden bij de wanuitvoering van een contractuele verbintenis, als de schadeveroorzakende daad een juridisch feit is, als het, zoals het meestal voorkomt, gaat om een overeenkomst tussen degene die door de verbintenis gehouden is en de derde-medeplichtige; de hoedanigheid van derde-medeplichtige kan ook gelden voor een derde die met de schuldenaar contracteert; iedere handeling waarbij een derde, met kennis van zaken, deelneemt aan het begaan van een contractuele fout door de schuldenaar maakt van hem een derde-medeplichtige; de handeling van deelneming kan diverse vormen aannemen voor zover ze kunnen worden aangemerkt als een handeling die bijgedragen heeft tot de onrechtmatige verbreking van de overeenkomst door de schuldenaar. Het concludeerde bijgevolg dat het middel, dat berustte op de overweging dat de deelneming van een derde aan de contractuele fout impliceert dat de schuldenaar contracteert met de derde medeplichtige en daaruit afleidde dat het bestreden arrest, doordat het vaststelt dat de derde niet met de schuldenaar van de miskende overeenkomst heeft gecontracteerd, niet naar recht heeft kunnen vaststellen dat alle voorwaarden voor de derde-medeplichtigheid vervuld waren aan de zijde van de derde, faalde naar recht.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0522.F

KCT bvba,

Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. UNIBOX GAMES nv,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. B. A.,

3. CONNECT CONCEPT bvba.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 28 februari 2011.

Raadsheer Marine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan waarvan het eerste als volgt is gesteld.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest bevestigt het beroepen vonnis dat de eiseres, op grond van de onderstaande redenen, in solidum met de tweede en de derde verweerder heeft veroordeeld tot betaling aan de eerste verweerster van 51.562,19 euro te vermeerderen met de interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf 28 februari 2008:

"5. Derde-medeplichtigheid

Van haar kant was de [derde verweerster] op de hoogte en moest zij wel op de hoogte zijn van het bestaan van een overeenkomst tussen [de tweede verweerder] en [de eerste verweerster]. Evengoed had zij weet van het gebruikelijke beding in dergelijke overeenkomsten dat de exploitant verplicht dat beding te doen naleven door een eventuele overnemer van de zaak. Haar zaakvoerder, N.O., kwam heel vaak ter plaatse en nam actief deel aan de exploitatie voordat de overdrager ervan zich terugtrok. Hij is nog met de exploitatie van de door [de eiseres] geplaatste speelautomaten begonnen op grond van de vergunning die aan laatstgenoemde was uitgereikt.

De [derde verweerster] heeft, door met [de eiseres] een overeenkomst te sluiten die haar toeliet haar speelautomaten te plaatsen, waarover moet zijn onderhandeld geweest nog voor de speelautomaten van [de eerste verweerster] die in een zijlokaal waren opgeslagen, werden opgehaald, deelgenomen aan de niet-nakoming door de [de tweede verweerder] van zijn contractuele verbintenissen en is daarom een derde-medeplichtige die gehouden is [de eerste verweerster] te vergoeden.

De voorwaarden betreffende de aansprakelijkheid van de derde-medeplichtige zijn bekend (zie Wéry, Théorie générale du contrat, Rép. not., deel IV, boek 1/1, 2010, p. 700, nr. 655). De derde was of behoorde op de hoogte te zijn op het ogenblik dat de tweede overeenkomst werd gesloten (zelfde auteur, p. 701, nr. 656). Er is sprake van een fout aan de zijde van een derde zodra andermans rechten wetens worden miskend, ook al heeft die derde geen contact gehad met de schuldenaar van de geschonden overeenkomst (I. Banmeyer, L'action paulienne et la tierce complicité, points de contact, CUP, december 1988, dl. XXVII, p. 261 e.v., inzonderheid p. 267). ‘Il ne s'agit pas d'exiger du tiers qu'avant de contracter il fasse des recherches poussées pour savoir s'il ne se rend pas complice de la violation d'une obligation contractuelle d'autrui. Par contre, il n'est pas tolérable que le tiers se refuse à voir ce que chacun à sa place eût vu. « Devait savoir » vise les cas où les circonstances sont telles que, sans examen particulier, le tiers eût dû arriver à la conclusion que l'acte juridique qu'il se propose d'accomplir le sera en violation de l'obligation d'autrui' (Y. Merchiers, ‘La tierce complicité de la violation d'une obligation contractuelle: fin d'une incertitude', R.C.J.B., 1984, 379). ‘Le tiers commet également une faute lorsque son ignorance de l'obligation contractuelle méconnue procède d'une négligence inexcusable' (S. Bar en C. Haltert, Les effets du contrat, Kluwer, 2006, p. 124 en 125).

De [eiseres] is ook een derde ten aanzien van de op foutieve wijze miskende overeenkomst. De omstandigheid dat de [derde verweerster] zelf derde-medeplichtige is, sluit niet uit dat [de eiseres] die met haar contracteert het niet is. Het is voldoende dat zij op de hoogte was of had moeten zijn van het bestaan van de overeenkomst op grond waarvan [de eerste verweerster] speelautomaten in de zaak plaatste om eveneens als derde-medeplichtige bij de niet-nakoming van de overeenkomst te kunnen worden aangemerkt.

[De eerste verweerster] levert het bewijs van een telefoongesprek op 15 januari en op 8 februari 2008 tussen een van haar medewerkers en een personeelslid van [de eiseres], maar de inhoud van die telefoongesprekken blijft onbekend, ook al maakt dat feit de aan [de eiseres] gegeven informatie aannemelijk.

Die speelautomatenfirma plaatst haar toestellen in een bestaand en geëxploiteerd café. Zij hoorde te weten dat de vorige exploitant kansspelen had waarvoor hij de gebruikelijke verplichting had om zijn verbintenis door zijn opvolger te doen nakomen. De aanvraag van de vergunning die [de derde verweerster] uiteindelijk op 10 maart 2008 heeft verkregen, is wellicht in januari 2008 ingediend, daar bij de vaststelling van 24 januari 2008 aan de gerechtsdeurwaarder werd gezegd dat die aanvraag nog op de 28ste van dezelfde maand zou worden behandeld, dus nog voordat de speelautomaten van [de eerste verweerster] werden opgehaald; daaruit kan worden afgeleid dat de vertegenwoordiger van [de eiseres], die een contract kwam aanbieden met ietwat betere financiële voordelen dan die welke door [de eerste verweerster] waren toegekend, de speelautomaten van laatstgenoemde die ergens opzijgezet waren, wel moet opgemerkt hebben. Het is immers moeilijk denkbaar dat hij niet alle lokalen heeft bezocht en, zelfs als hij misleid zou zijn ge-weest door de exploitant die beweerde dat er in het café geen spelen stonden, dan nog had hij als omzichtige en behoedzame man van het vak, die informatie moeten controleren. Een enkel telefoontje, zoals het eerder vermelde van 15 januari 2008 zou hebben volstaan. De nieuwe huurovereenkomst werd pas op 8 februari 2008 door [de derde verweerster] ondertekend, terwijl het contract van [de eiseres] op 4 februari werd gesloten. Bovendien betekent de ondertekening van een nieuwe huurovereenkomst met de eigenaar niet noodzakelijk dat er geen overdracht van de handelszaak heeft plaatsgevonden. De overdrager had gewoonweg belang bij de nieuwe huurovereenkomst om bevrijd te worden van de hoofdelijkheid met de overnemer.

De omstandigheid dat de [eiseres] geen gevolg wilde geven aan de ingebrekestel-ling van 28 februari 2008 door de raadsman van [de eerste verweerster] om "de speelautomaten van [de eerste verweerster] in de zaak terug te plaatsen" is geen aanwijzing dat zij geen weet had van een vorige overeenkomst die nog steeds liep, ook al beroept zij zich hierop om zich te rechtvaardigen, hoofdzakelijk omdat zij al bedragen had uitgekeerd zonder welke zij geen toegang tot de lokalen zou hebben gekregen.

De contractbreuk door [de tweede verweerder] wordt gesanctioneerd met een contractueel vastgestelde schadevergoeding die des te minder buitensporig is dat de betrokkene toegeeft dat de exploitatie van de speelautomaten heel rendabel is. Ook al stond het [de tweede verweerder] vrij om zich uit zijn zaak terug te trekken, toch was hij contractueel verplicht om degene aan wie hij het exploitatiematerieel overdroeg de verplichting op te leggen het contract met [de eerste verweerster] verder uit te voeren. Deze laatste zag zich voor lange tijd ontzegd uit het recht haar toestellen aldaar te plaatsen, aangezien de overeenkomst met [de eiseres] voor vijf jaar werd gesloten en stilzwijgend hernieuwbaar is, wat het groot verschil tussen het percentage van de verdeling van de opbrengsten en dat van de verbrekingsvergoe-ding kan verantwoorden.

De schade ten gevolge van de fout van de derde-medeplichtigen is even groot, aangezien alle betrokkenen in solidum gehouden zijn, zoals de eerste rechters te-recht beslissen."

Grieven

Krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek onderstelt derde-medeplichtigheid dat de derde bewust en met volle kennis van zaken heeft " meegewerkt" aan de niet-nakoming van de contractuele verbintenis door de be-trokken partij of dat de derde, met kennis van zaken, "deelgenomen" heeft aan de contractuele fout.

Die voorwaarde dat de derde moet hebben meegewerkt of deelgenomen aan de contractuele fout impliceert dat de schuldenaar "contracteert" met de derde-medeplichtige.

De eiseres had in haar aanvullende appelconclusie subsidiair aangevoerd dat de voorwaarden voor derde-medeplichtigheid niet voorhanden waren, meer bepaald omdat zij "helemaal geen contract heeft gesloten met degene die de verbintenis ten aanzien [van de eerste verweerster] moet nakomen, maar wel met een derde aan wie de oorspronkelijke verbintenis door zijn eigen contractant niet werd opgelegd, terwijl zij hem had moeten worden opgelegd".

Het arrest overweegt echter dat "er sprake is van een fout aan de zijde van de derde zodra andermans rechten doelbewust worden miskend, ook al heeft die derde geen contact gehad met de schuldenaar van de geschonden overeenkomst" en dat "de omstandigheid dat de [derde verweerster] zelf derde-medeplichtige is, niet uitsluit dat [de eiseres] die met haar contracteert het niet is".

Het arrest dat heeft vastgesteld dat de eiseres niet heeft gecontracteerd met de schuldenaar van de geschonden overeenkomst (namelijk de overeenkomst van 18 oktober 2006 tussen eerste verweerster en de tweede verweerder) maar wel met de derde-medeplichtige, namelijk de derde verweerster, heeft niet naar recht kunnen beslissen dat alle voorwaarden voor de derde-medeplichtigheid vervuld waren aan de zijde van de eiseres en bijgevolg evenmin dat zij een fout heeft begaan die in oorzakelijk verband staat met de schade van de eerste verweerster.

Het arrest heeft bijgevolg niet naar recht kunnen beslissen dat de eiseres in solidum met de tweede verweerder en de derde verweerster gehouden is tot het herstel van de schade van de eerste verweerster.

Het arrest dat beslist dat de eiseres in solidum met de tweede verweerder en de derde verweerster gehouden is tot het herstel van de schade van de eerste ver-weerster, hoewel het vaststelt dat de eiseres niet heeft gecontracteerd met de tweede verweerder, schendt de in het middel vermelde wetsbepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel

Eerste middel

Derde-medeplichtigheid impliceert de deelneming van een derde aan de rechts-handeling die ten grondslag ligt aan de niet-nakoming van de contractuele verbin-tenis.

Het arrest stelt op de gronden van het beroepen vonnis die het overneemt en op eigen gronden vast dat de eerste verweerster met de tweede verweerder een over-eenkomst gesloten heeft betreffende het plaatsen van speelautomaten in het café van laatstgenoemde; dat die overeenkomst een exclusiviteitsclausule bevatte en bepaalde dat de tweede verweerder bij overdracht van de handelszaak de eerste verweerster daarvan op de hoogte moest brengen en de overnemer de verplichting moest opleggen om het contract verder uit te voeren en over te nemen; dat de heer O., die actief deelnam aan de exploitatie van dat café, de vennootschap, zijnde de derde verweerster, heeft opgericht, die de exploitatie van het café heeft overge-nomen, zonder dat de tweede verweerder haar de verplichting oplegde het contract met de eerste verweerster verder uit te voeren, en dat de derde verweerster met de eiseres een nieuw contract heeft gesloten die haar het recht gaf haar speelautomaten in de lokalen te plaatsen.

Na te hebben beslist dat de derde verweerster "deelgenomen [heeft] aan de niet-nakoming door [de tweede verweerder], van zijn contractuele verbintenissen en [...] een derde medeplichtige [is] die [de eerste verweerster] moet vergoeden", overweegt het arrest dat "er sprake is van een fout aan de zijde van een derde zo-dra andermans rechten doelbewust worden miskend, ook al heeft die derde geen contact gehad met de schuldenaar van de geschonden overeenkomst [...]; de [ei-seres] is ook een derde ten aanzien van de op onrechtmatige wijze geschonden overeenkomst; de omstandigheid dat de [derde verweerster] zelf derde-medeplichtige is, sluit niet uit dat [de eiseres] die met haar contracteert het niet is [lees: het wel is]; het is voldoende dat zij op de hoogte was of had moeten zijn van het bestaan van de overeenkomst op grond waarvan [de eerste verweerster] speelautomaten in de zaak plaatste om eveneens als derde-medeplichtige bij de niet-nakoming van de overeenkomst te kunnen worden aangemerkt", en dat de ei-seres haar toestellen plaatste "in een bestaand en geëxploiteerd café. Zij hoorde te weten dat de vorige exploitant kansspelen had waarvoor hij de gebruikelijke ver-plichting had om zijn verbintenis door zijn opvolger te doen nakomen".

Met die vermeldingen, waaruit blijkt dat de eiseres contractueel verbonden was met de derde verweerster, die vrij was van elke contractuele verbintenis ten aan-zien van de eerste verweerster, en niet met de tweede verweerder, verantwoordt het arrest niet naar recht zijn beslissing dat de eiseres derde-medeplichtige was aan het feit dat de tweede verweerder zijn contractuele verbintenissen ten aanzien van de eerste verweerster niet is nagekomen, en derhalve evenmin zijn beslissing dat zij een fout heeft begaan die in oorzakelijk verband staat met de schade van de eerste verweerster.

Het middel is gegrond.

Het tweede middel dient niet te worden onderzocht, het kan immers niet tot rui-mere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres, in solidum met de verweerder en de tweede verweerster veroordeelt, om aan de eerste verweerster 51.562,19 euro te betalen, te vermeerderen met de interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf 28 februari 2008, en het uitspraak doet over de vordering tot vrijwaring van de eiseres en over de kosten die zij moet dragen;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fet-tweis, de raadsheren Martine Regout en Alain Simon, en in openbare terechtzitting van 29 juni 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Derde-medeplichtigheid