- Arrest van 29 juni 2012

29/06/2012 - C.11.0663.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Werquin.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0663.F

J. T.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. R. B.,

2. A.-M. D.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 8 november 2010 van het hof van beroep te Luik.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1315,1732 en 1733 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest bevestigt het beroepen vonnis dat voor recht zegt dat de eiser, op grond van artikel 1733 Burgerlijk Wetboek, aansprakelijk is voor de brand die op 26 april 2004 in de vakantiewoning is ontstaan, en dat hij contractueel aansprakelijk is voor de beschadigingen of de verliezen die de verweerders hebben geleden; het baseert die beslissing op alle redenen die geacht worden hier integraal te zijn weergegeven, en inzonderheid op de onderstaande redenen:

"In hun laatste appelconclusie baseren de (verweerders) hun rechtsvordering uitsluitend op artikel 1733 Burgerlijk Wetboek.

Dat artikel bepaalt dat de huurder van een onroerend goed aansprakelijk is voor brand, tenzij hij bewijst dat de brand buiten zijn schuld is ontstaan.

Overeenkomstig artikel 1732 Burgerlijk Wetboek is (de eiser) aansprakelijk voor de beschadigingen of de verliezen die gedurende zijn huurtijd ontstaan, tenzij hij bewijst dat die buiten zijn schuld hebben plaatsgehad.

Artikel 1735 preciseert dat de huurder aansprakelijk is voor de beschadigingen en de verliezen die ontstaan door toedoen van zijn huisgenoten of van zijn onder-huurders.

(De eiser) voert aan dat, aangezien het goed de dag voordien door de huurders werd teruggeven, het vermoeden dat artikel 1733 Burgerlijk Wetboek op laatstgenoemden doet rusten, hier niet geldt, te meer daar de eigenaars twee weken na de brand de waarborg van 1.000 euro hebben teruggegeven.

Zoals de eerste rechter het treffend heeft verwoord, heeft het opnieuw en zonder voorbehoud in bezit nemen van het goed echter uitsluitend betrekking op de gegevens waarvan de eigenaars zich hebben kunnen vergewissen, maar niet op verborgen gegevens, zoals een smeulend vuur (...).

(De eiser) verwijt het beroepen vonnis dat het hem aansprakelijk stelt voor de brand, meer bepaald op grond dat, ‘aangezien de brand bij de teruggave van het goed reeds in de kiem aanwezig was, niet kan worden aangenomen dat de terugname van het goed, zelfs zonder voorbehoud, door de eigenaars, de huurder zou ontslaan van zijn op artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek gegronde aan-sprakelijkheid' (...).

Hij voert aan dat het feit dat de brand op het ogenblik van de teruggave reeds in de kiem aanwezig was, door de eigenaars niet wordt bewezen en dat het verhoor van (verweerster) en van de elektricien die op maandag 26 april rond 10 uur 30 - 11 uur ter plekke zijn gekomen en verklaard hebben dat zij de afvalcontainer niet hebben geopend en dat zij geen enkele handeling hebben verricht die verband houdt met de brand, waarop de eerste rechter zijn overtuiging heeft gebaseerd, gewone beweringen zijn van personen aan wie iets ten laste zou kunnen worden gelegd en niet het bewijs kunnen opleveren van het feit dat zij de brand niet hebben veroorzaakt.

Uit de met redenen omklede conclusie van deskundige M. G., burgerlijk ingenieur, die op de dag van de brand werd aangesteld door het parket van Marche-en-Famenne, en van deskundige J.-L. H., burgerlijk ingenieur, die bij beschikking in kort geding van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Marche-en-Famenne van 30 juni 2004 werd aangesteld met het goedvinden van de vennootschap L'Ardenne prévoyante, (verweerders) verzekeraar voor brand en exploitatieverlies (...), kan het volgende worden afgeleid:

‘Het feit dat er in die afvalcontainer in PVC een smeulende brandhaard aanwezig was, verklaart het ontstaan van die oorspronkelijke brandhaard. Die smeulende brandhaard is mogelijk ontstaan doordat er gloeiende barbecue-as of een slecht uitgedoofde sigaret in die afvalcontainer was terechtgekomen (...).

Het schadegeval brand is ontstaan vanuit een zone van oorspronkelijke convectie en straling, op de plaats waar de afvalcontainer stond, vlak bij de noordelijke gevelbekleding van de vakantiewoning (...).

In de omgeving van de zone van oorspronkelijke convectie en straling werd geen enkele normaal aanwezige energiebron aangetroffen.

Het afval (glazen flessen, drankblikjes, etensresten, brandbaar afval) dat werd gevonden in wat er nog van de afvalcontainer restte, is geen afval dat spontaan zal ontbranden.

In de omgeving van de zone van oorspronkelijke convectie en straling werd dus een energiebron aangebracht.

De onvoorzichtige handeling die de laatste gebruikers van het goed in het huishouden hebben verricht (gloeiende as of niet-uitgedoofde sigaret) heeft, aldus de deskundige, de brand veroorzaakt.

Gelet op de plaatsgesteldheid heeft het smeulende vuur in de afvalcontainer zich naar de vakantiewoning uitgebreid'(...).

(De eiser), die moet bewijzen dat de brand niet door zijn schuld is ontstaan, houdt staande, zonder het bewijs daarvan te leveren, dat de eigenaars de vuilnisbak langs de muur met de topgevel hebben geplaatst. Laatstgenoemden leggen (...) de verklaring neer van S.K., chauffeur bij de firma WC 2000 te Stavelot die belast is met de ophaling van de afvalcontainers van de vakantiewoning. Daarin beweert hij dat hij die container ophaalt ‘die altijd op dezelfde plaats staat, namelijk op de afgesloten binnenplaats van de vakantiewoning, op 4 meter van het gebouw, recht tegenover een glazen deur'.

Hij beweert ook dat iedereen vrije toegang heeft tot die plaats en dat na zijn vertrek op 25 april in het begin van de namiddag en zijn telefoontje naar de eigenaar, gelijk wie toegang had tot het goed en er een brandend voorwerp in kon gooien, zoals voetzoekers.

Uit de aan het hof van beroep voorgelegde dossiers kan geen enkele nalatigheid van de eigenaars worden afgeleid. Hun pand is omgeven door muren en hagen en waartoe men toegang heeft via het grote binnenplein. Zoals gebruikelijk komen zij met hun huurders overeen voor de sleuteloverdracht na het verblijf op een welbe-paalde plaats.

(De eiser) kan niet het bewijs leveren dat de voetzoekers, of een door een derde in de vuilniscontainer gegooide sigaret de brand veroorzaakt zouden hebben. Voorts kan (de eiser) niet bewijzen dat (de verweerster) en de elektricien die vlak voor de brand ontstond daar aanwezig waren, een onvoorzichtigheid hebben begaan waardoor het vuur dat het schadegeval heeft veroorzaakt, zou beginnen te smeulen zijn.

(De eiser) betwist dat hij de as van de buitenbarbecue die zaterdagavond 24 april werd gebruikt, weggedragen heeft. Hij legt (...) verklaringen neer van familieleden die aan het weekend hebben deelgenomen en dit bevestigen. Die verklaringen zijn gevoegd bij de brief die zijn raadsman op 24 december 2004 aan de gerechtsdeskundige Hotte heeft gestuurd.

Op grond van het brandweerverslag van 21 november 2004 dat vermeldt dat de woning binnen pas was schoongemaakt, voert hij aan dat (de verweerster) tijdens de schoonmaak op maandag 26 april die as zou hebben weggedragen. (De ver-weerster) voert aan dat zij uitsluitend aanwezig was om de deur open te doen voor de elektricien en dat zij van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om de meter-standen op te nemen. De schoonmaak van de grote vakantiewoning door het gezin neemt minimum twee dagen in beslag.

Hoe dan ook, gesteld dat, volgens (eisers) zienswijze, de as van de barbecue buiten was blijven liggen van zaterdagavond 24 april 2004 tot 26 april, dan was zij afgekoeld en kon zij, alleen op zich zelf, niet het smeulende vuur zijn dat de brand heeft veroorzaakt. Tot slot kan zijn versie volgens welke het vuur veroorzaakt zou zijn door een slecht uitgedoofde sigaret in een vuilnisbak waarin gedoofde barbecue-as lag die aldus weer was beginnen te branden, door geen enkel gegeven dat aan het hof van beroep ter beoordeling is voorgelegd, worden bewaarheid.

Uit de vaststellingen van de deskundigen volgt dat (de eiser) hoogstwaarschijnlijk de woning heeft teruggeven met een smeulend vuur in de gesloten afvalcontainer dat, op den duur, gaten heeft gebrand in de opstaande PVC-wanden. ‘Het gat in die wanden of het feit dat ze ingevallen zijn, heeft genoeg zuurstof aangezogen om de oorspronkelijke brandhaard te doen ontstaan die zich verspreid heeft naar de houten gevelbekleding van de zuidelijke topgevel, aan de buitenkant van het ge-bouw' (...).

Aangezien (de eiser) in gebreke blijft het vermoeden van artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek, te weerleggen is hij contractueel aansprakelijk voor de voor de door de (verweerders) geleden beschadigingen of verliezen."

Grieven

Naar luid van artikel 1732 Burgerlijk Wetboek is de huurder aansprakelijk voor de beschadigingen of de verliezen die gedurende zijn huurtijd ontstaan, tenzij hij bewijst dat de brand buiten zijn schuld is ontstaan. Artikel 1733 van dat wetboek, dat een bijzondere toepassing vormt van artikel 1732 op het geval van brand, bepaalt dat de huurder eveneens aansprakelijk is voor een dergelijk schadegeval maar biedt hem de mogelijkheid te bewijzen dat hij geen fout heeft begaan.

Uit die bepalingen valt af te leiden dat het aan de verhuurder staat te bewijzen dat de "beschadiging", het "verlies" of de "brand" ontstaan is tijdens de huurtijd van de huurder en dat de bewijslast van het feit dat laatstgenoemde geen fout heeft begaan, slechts op de huurder zal rusten indien de verhuurder dat bewijs heeft geleverd.

Eerste onderdeel

Het arrest dat niet betwist dat de eiser het verhuurde goed heeft verlaten op zondag 25 april 2004 en dat de brand ‘s anderendaags is ontstaan - zodat die brand niet ontstaan is tijdens de periode waarin de eiser het goed betrok - en dat laatstgenoemde niettemin veroordeelt om "contractueel (in te staan) voor de door de (verweerders) geleden beschadigingen of verliezen" op grond dat hij "in gebreke blijft het vermoeden van artikel 1733 Burgerlijk Wetboek te weerleggen", schendt zowel artikel 1733 Burgerlijk Wetboek als artikel 1732 dat de bijzondere toepassing ervan is op het geval van brand (schending van de artikelen 1732 en 1733 Burgerlijk Wetboek).

Het schendt tevens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de bewijslast doordat het de eiser opdraagt "het vermoeden van artikel 1733 Burgerlijk Wetboek te weerleggen" hoewel de verweerders, die zich niet konden beroepen op artikel 1733 Burgerlijk Wetboek, aangezien uit de feitelijke vaststellingen van het arrest blijkt dat de brand niet ontstaan is tijdens de tijd dat de eiser het goed huurde, het bewijs dienden te leveren dat de eiser of zijn huisgenoten aansprakelijk waren voor het ontstaan van de brand (schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 1733 Burgerlijk Wetboek is de huurder aansprakelijk voor brand, tenzij hij bewijst dat de brand buiten zijn schuld is ontstaan.

Die wetsbepaling is gebaseerd op de verplichting voor de huurder om op het einde van de huurovereenkomst de zaak terug te geven die hem is toevertrouwd.

Daaruit volgt dat artikel 1733 niet van toepassing is wanneer in het gehuurde goed brand is ontstaan nadat het door de huurder op het einde van de huurovereenkomst aan de verhuurder was teruggegeven.

Uit het feitenrelaas van de eerste rechter, waarnaar het arrest verwijst, en uit de feiten die het arrest zelf vermeldt, volgt dat:

- de verweerders aan de eiser een vakantiewoning hebben verhuurd van 23 tot 25 april 2004 en dat de verweerders na afloop van de huurperiode opnieuw bezit genomen hebben van het goed;

- dat er op maandag 26 april 2004, rond 13 uur, brand is ontstaan in het verhuur-de goed vanuit een afvalcontainer die dicht bij de getroffen vakantiewoning stond.

Het arrest dat overweegt dat "het volgens de vaststellingen van de deskundigen heel goed denkbaar is dat het pand door [de eiser] werd teruggeven terwijl er vuur smeulde in de afvalcontainer" maar dat niet ontkent dat, zoals laatstgenoemde staande hield, de door dat smeulend vuur veroorzaakte brand ontstaan is nadat het gehuurde goed weer ter beschikking van de verweerders was gesteld, schendt artikel 1733 van het Burgerlijk Wetboek wanneer het beslist dat de eiser "in ge-breke blijft het [in de bepaling bedoelde] vermoeden [...] te weerleggen."

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fet-tweis, de raadsheren Martine Regout en Alain Simon, en in openbare terechtzitting van 29 juni 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Brand

  • Grondslag van de verplichting van de huurder