- Arrest van 14 augustus 2012

14/08/2012 - P.12.1468.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het bevel tot aanhouding is regelmatig verleend wanneer de wettelijke verplichting van de betekening van het bevel niet kan worden nagekomen wegens overmacht (1). (1) Zie Cass. 6 sept. 2011, P.11.1536.N, AC, 2011, nr. 454; Cass. 3 juni 2008, P.08.0828.N, AC 2008, n° 342; A. VANDEPLAS, «De betekening van het bevel tot aanhouding», noot onder Cass. 12 maart 2008, RW 2008-09, 1053; T. DECAIGNY, “De aanhouding van een comateuze verdachte”, noot onder Cass. 8 sept. 2009, RW 2009-10, 1261, 1263.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1468.N

A H,

verdachte, aangehouden,

eiser,

met als raadslieden mr. Ann Wellens en mr. Ruud De Houwer, advocaten bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling van 3 augustus 2012.

In een memorie die aan dit arrest is gehecht, voert de eiser een middel aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 12, derde lid Grondwet, de artikelen 2, 18, § 1, eerste tot vierde lid, Wet Voorlopige Hechtenis: het arrest neemt onwettig aan dat de betekening van een bevel tot aanhouding wegens overmacht niet moet geschieden binnen de 24 uren na de effectieve vrijheidsbeneming.

2. Artikel 12, derde lid, Grondwet bepaalt dat, behalve bij ontdekking op he-terdaad, niemand kan worden aangehouden dan krachtens een met redenen om-kleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiter-lijk binnen vierentwintig uren.

Artikel 2 Wet Voorlopige Hechtenis bepaalt onder meer dat:

- buiten het geval van op heterdaad ontdekte misdaad of op heterdaad ontdekt wanbedrijf, een persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf bestaan, slechts ter beschikking van de rechter kan worden gesteld, en voor een termijn die niet langer duurt dan vierentwintig uren;

- de vrijheidsbeneming in geen geval langer mag duren dan vierentwintig uren te rekenen van de kennisgeving van de beslissing of, ingeval er bewarende dwangmaatregelen zijn genomen, te rekenen van het ogenblik dat de persoon niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan.

Artikel 16, § 2, Wet Voorlopige Hechtenis bepaalt onder meer dat, tenzij de ver-dachte voortvluchtig is of zich verbergt, de onderzoeksrechter alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, de verdachte moet ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de af-gifte van een bevel tot aanhouding en zijn opmerkingen horen.

Artikel 18, § 1, Wet Voorlopige hechtenis bepaalt dat het bevel tot aanhouding aan de verdachte betekend wordt binnen een termijn van vierentwintig uren. Deze termijn gaat in hetzij op het tijdstip dat wordt bepaald door artikel 1, 2°, of 3°, of door artikel 2, 5°, hetzij, wanneer het bevel tot aanhouding is uitgevaardigd tegen een verdachte die van zijn vrijheid is beroofd op grond van een bevel tot mede-brenging of op grond van een bevel tot verlenging, op het tijdstip van de beteke-ning van dit bevel.

De betekening geschiedt door de griffier van de onderzoeksrechter, door de direc-teur van een strafinrichting of door een agent van de openbare macht. Ze bestaat in het mondeling meedelen van de beslissing in de taal van de rechtspleging, met afgifte van een volledig afschrift van de akte. Zelfs indien de verdachte zich reeds in hechtenis bevindt, wordt het bevel tot aanhouding hem vertoond en wordt hem daarvan afschrift gegeven.

Bij ontstentenis van regelmatige betekening binnen de wettelijke termijn, wordt de verdachte in vrijheid gesteld.

3. Uit die bepalingen volgt dat het verlenen van het bevel tot aanhouding en de betekening ervan in de regel dienen te gebeuren binnen de vierentwintig uren na de effectieve vrijheidsbeneming van de verdachte.

4. De ondervraging van de verdachte door de onderzoeksrechter, voorafgaand aan het verlenen van het bevel tot aanhouding en de betekening ervan, zijn sub-stantiële vormvereisten die verband houden met het recht van verdediging en het recht op persoonlijke vrijheid.

Het bevel tot aanhouding is evenwel regelmatig verleend wanneer de wettelijke verplichting van het voorafgaand verhoor of de betekening van het bevel tot aan-houding niet kan worden nagekomen wegens overmacht.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 12, derde lid, Grondwet, de artikelen 2, 18, § 1, eerste tot vierde lid, artikel 16, § 2 en § 5, 21, § 1 en § 4, en 30, § 4, Wet Voorlopige Hechtenis en miskenning van het recht van verdediging en op persoonlijke vrijheid en miskenning van de bewijskracht van een akte, zoals afgeleid uit de artikelen 1319, 1320 en 1322, Burgerlijk Wetboek: het arrest neemt ten onrechte aan dat de eiser werd verhoord en dat het bevel tot zijn aanhouding hem werd betekend van zodra er een einde was gekomen aan de situatie van overmacht; door te oordelen enerzijds dat de overmachtsituatie de comateuze toestand is in hoofde van de eiser en anderzijds dat de overmachtsituatie voortduurt omwille van het verward zijn van de eiser, zelfs al vermeldt het medisch attest dat hij wakker en alert was, schendt het arrest voormelde bepalingen en bevat het arrest een tegenstrijdigheid in de motivering; door een uitlegging te geven aan het medisch attest van 12 juli 2012 die niet overeenstemt met de inhoud ervan schendt het arrest de bewijskracht van die akte, en motiveert het zijn beslissing niet naar recht; aannemen dat het einde van de overmachtsituatie moet worden bepaald op 12 juli 2012 in de namiddag, meer bepaald om 14.50 uur, is strijdig met de inhoud van het proces-verbaal van 12 juli 2012 nummer AN.30.LB.099740/2012, waarin wordt vermeld dat de eiser verhoorbaar is op 12 juli 2012 om 10.30 uur; hierdoor verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht en miskennen ze de motiveringsplicht voorzien in de als geschonden aangewezen wetsbepalingen.

6. De aangevoerde grieven zijn vreemd aan artikel 16, § 5, 21, § 1 en § 4, en 30, § 4, Wet Voorlopige hechtenis.

In zoverre het schending van die wettelijke bepalingen aanvoert, is het onderdeel niet ontvankelijk.

7. De rechter oordeelt in feite of de aangevoerde omstandigheden een geval van overmacht uitmaken.

Het Hof is alleen bevoegd om te onderzoeken of de rechter uit de omstandigheden die hij in aanmerking neemt, al dan niet wettig overmacht heeft kunnen afleiden.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechters of het Hof verplicht tot een onderzoek van de feiten, waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

8. Door eensdeels vast te stellen dat de eiser op 7 juli 2012 onder aanhou-dingsmandaat werd geplaatst zonder voorafgaandelijke ondervraging wegens zijn comateuze toestand die overmacht uitmaakt en anderdeels aan te nemen dat de overmachtsituatie voortduurt omwille van het verward zijn van de eiser is de mo-tivering van het arrest niet tegenstrijdig.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

9. Het arrest stelt vast dat:

- op 11 juli 2012 om 10.30 uur de politie contact opnam met het Stuyvenberg-ziekenhuis waar hen werd meegedeeld dat de verdachte stilaan wakker werd doch niet bij volle bewustzijn was en nog niet kon verhoord worden;

- de vermelding in het medisch dossier dat de verdachte op 11 juli 2012 "wakker en alert" was, niet betekent dat hij verhoorbaar was gezien ditzelfde medisch dossier op 12 juli 2012 vermeldt dat hij nog verward was en volgens zijn be-handelende geneesheren pas in de namiddag verhoorbaar was door de onder-zoeksrechter;

- uit het medisch attest van 11 juli 2012 blijkt dat in de late namiddag omstreeks 16.30 uur verdachte het bezoek gehad heeft van zijn advocaat doch hieruit niet blijkt dat hij in staat was een verhoor door een onderzoeksrechter te ondergaan. Immers op 12 juli 2012 vermeldt het medisch attest dat verdachte nog steeds verward was;

- het medisch attest verder vermeldt dat pas de ondervraging door de onder-zoeksrechter mogelijk is in de namiddag van 12 juli 2012 na het afbouwen van de toegediende zuurstof.

10. Op grond van deze feitelijke vaststellingen vermochten de appelrechters wettig te oordelen dat de eiser volgens zijn behandelende artsen verhoorbaar is vanaf 12 juli 2012 in de loop van de namiddag en dat de betekening van het bevel tot aanhouding dan ook pas dan kon plaatsvinden.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

11. Op grond van dezelfde feitelijke vaststellingen vermochten de appelrechters ook wettig te oordelen dat de eiser door de betekening van het bevel tot aanhou-ding op 12 juli 2012 om 15.15 uur, na te zijn verhoord op dezelfde dag om 14.50 uur onmiddellijk in kennis werd gesteld van zijn aanhouding op het ogenblik dat hij verhoorbaar was zodat zijn rechten van verdediging niet zijn geschonden.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

12. De notities van de dienst ‘intensieve' van het Stuyvenbergziekenhuis waar de eiser was opgenomen, bevatten onder meer volgende vermeldingen:

Op 11 juli 2012 "Neuro: wakker en alert. Bevel ok. Cata" en verder "Plan: - Tpiece trials: Advocaat te verwittigen van zodra geextubeerd, nadien Begijnen-straat verwittigen - OK - Stop Amukin" en verder "Mr. De Hauwer: 0472 51 23 71 - te contacteren vóór politie hem ondervraagt!! Daarna Begijnenstraat verwit-tigen. .. Is langs geweest. (11/7 16u30)"; Op 12 juli 2012: "Neuro: Wakker en alert, komt wat verward over. Zit op in de zetel" en verder : "Plan: Zuurstof proberen verder af te bouwen - Cata af te bouwen - Deze namiddag ondervraging door recherche, onderzoeksrechter,.."

13. Door aan te nemen dat uit deze vermeldingen volgt dat de eiser op 12 juli 2012 nog verward was en volgens zijn behandelende geneesheren pas in de na-middag verhoorbaar was door de onderzoeksrechter, schendt het arrest de bewijs-kracht van die akte niet.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

14. De appelrechters betrekken de inhoud van het proces-verbaal van 12 juli 2012, nummer AN.30.LB.099740/2012, niet in hun beslissing en schenden mits-dien de bewijskracht ervan niet.

De aangevoerde tegenstrijdigheid in het voormelde proces-verbaal levert geen motiveringsgebrek op.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 61,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, sa-mengesteld uit afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, als voorzitter, en de raadshe-ren Alain Smetryns, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 14 augustus 2012 uitgesproken door afdelingsvoor-zitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Betekening

  • Beletsel

  • Overmacht