- Arrest van 4 september 2012

04/09/2012 - P.12.0037.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een perceel dat krachtens artikel 3, § 3, 6°, Bosdecreet, in de versie vóór de wijziging ervan door artikel 23, 2° van het decreet van het Vlaams Parlement van 19 mei 2006 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en energie, niet onder de toepassing van het bosdecreet valt, kan niet worden ontbost in de zin van artikel 99, § 1, 2°, (oud) Stedenbouwdecreet 1999 en kan evenmin worden beschouwd als een perceel waarop de verbodsbepalingen van artikel 97, § 2, 1°, en 9°, Bosdecreet van toepassing zijn (1). (1) Zie concl. O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0037.N

COÖRDINATOR NATUURINSPECTIE VAN HET AGENTSCHAP VOOR NATUUR EN BOS, provinciale afdeling Antwerpen, voorheen DE WOUDMEESTER EN AMBTENAAR PRIVÉBOS, met kantoor te 2018 Antwerpen, Lange Kievitstraat 111/113 bus 63,

eiser tot herstel,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

J E N,

beklaagde,

verweerder,

met als raadsman mr. Jan Surmont, advocaat bij de balie te Turnhout.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 1 december 2011, gewezen op verwijzing na arrest van het Hof van 29 juni 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft op 30 maart 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof.

Op de rechtszitting van 4 september 2012 heeft raadsheer Filip Van Volsem ver-slag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan de artikelen 2, 3, 4, 15° en 17°, 5, 95, derde lid (zoals van toepassing vóór de opheffing bij artikel 95 van het decreet van 30 april 2009), 97, § 2, 1° en 9°, en 112bis, derde lid (zoals van toepassing vóór de opheffing bij artikel 104, 4°, van het decreet van 30 april 2009) (hierna artikel 112bis, derde lid, (oud)), Bosdecreet, de artikelen 16.1.1, eerste lid, 14°, 16.6.1, § 1, eerste lid, en 16.6.6 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene be-palingen inzake milieubeleid (hierna DABM), de artikelen 99, § 1, 2° (zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 36 Aanpassingsdecreet 2009), (hierna ar-tikel 99, § , 2° (oud)), en 146, eerste lid, 1° (zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 50 Aanpassingsdecreet 2009), (hierna artikel 146, eerste lid, 1° (oud)), en de artikelen 4.2.1, 2° en 6.1.1, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest oordeelt ten onrechte dat niet is aangetoond dat het perceel waarop de telastleggingen betrekking hebben een onder het Bosdecreet vallend bos is, de telastleggingen B.1 en B.2 niet bewezen zijn, er geen sprake is van ontbossen in de zin van artikel 99, § 1, 2°, (oud) Stedenbouwdecreet 1999 en de vordering van de eiser dan ook niet gegrond is; het arrest grondt dit oordeel immers op de vast-stelling dat noch het openbaar ministerie noch de eiser aantonen dat de aanplan-ting met naaldbomen enige functie in de zin van het Bosdecreet vervulde; door voor het bestaan van een bos in de zin van artikel 3 Bosdecreet naast en onder-scheiden van een grondoppervlakte, waarvan bomen het belangrijkste bestanddeel uitmaken en waartoe een eigen fauna en flora behoren, een bosfunctie te vereisen, legt het arrest een niet door het decreet bepaalde voorwaarde op; door het verwer-pen van het bestaan van een bos wegens het niet in concreto aangetoond zijn van de functie en de natuurwaarde van het gerooide bos en gelet op de bedenkelijke kwaliteit en de bijzonder beperkte natuurwaarde ervan, schendt het arrest de arti-kelen 2, 3, § 1 en § 3, en 5 Bosdecreet.

2. Krachtens artikel 99, § 1, 2°, (oud) Stedenbouwdecreet 1999, thans artikel 4.2.1, 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, mag niemand zonder vooraf-gaande stedenbouwkundige vergunning met bomen begroeide oppervlakten be-doeld in artikel 3, § 1 en § 2, van het Bosdecreet, ontbossen in de zin van dat de-creet. Artikel 146, eerste lid, 1°, (oud) Stedenbouwdecreet 1999, thans artikel 6.1.1, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bestraft het ontbossen zonder voorafgaande vergunning.

Krachtens artikel 97, § 2, 1°, Bosdecreet is het verboden zonder toestemming van de bosbeheerder en machtiging van het Agentschap of zonder dat het bepaald is in het goedgekeurd beheersplan, in privé-bossen, keten, loodsen en alle andere con-structies en verblijfsgelegenheden op te richten, en tenten en woonwagens, al dan niet op wielen, te plaatsen, met uitzondering van die welke vereist zijn voor het beheer en de bewaking van de bossen en voor de veiligheid en het welzijn van de personen die op rechtmatige wijze in het bos aanwezig zijn. Krachtens artikel 97, § 2, 9°, Bosdecreet is het verboden zonder toestemming van de bosbeheerder en machtiging van het Agentschap of zonder dat het bepaald is in het goedgekeurd beheersplan, in privé-bossen dieren te houden binnen omheiningen, met uitzonde-ring van vee in bestaande graasweiden met aanplantingen van bomen op grote plantafstand. Artikel 112bis, derde lid, (oud) Bosdecreet, thans de artikelen 16.1.1, eerste lid, 14°, en 16.6.1, § 1, DABM, bestraft het overtreden van de maat-regelen of voorschriften vastgesteld in of ter uitvoering van artikel 97 Bosdecreet.

3. Artikel 3, § 1, Bosdecreet bepaalt dat bossen grondoppervlakten zijn, waar-van de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen.

Artikel 3, § 3, 6°, Bosdecreet, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten omschreven onder de telastleggingen A, B.1 en B.2, bepaalt dat aanplantingen met kerstbomen niet onder de voorschriften van het decreet vallen.

4. Een perceel dat krachtens artikel 3, § 3, 6°, Bosdecreet niet onder de toepas-sing van het bosdecreet valt, kan niet worden ontbost in de zin van artikel 99, § 1, 2°, (oud) Stedenbouwdecreet 1999 en kan evenmin worden beschouwd als een perceel waarop de verbodsbepalingen van artikel 97, § 2, 1°, en 9°, Bosdecreet van toepassing zijn.

5. Het arrest stelt vast dat op het perceel waarop de telastleggingen A, B.1 en B.2 betrekking hebben, kerstbomen waren aangeplant.

6. Om de hierboven vermelde redenen (rechtsoverwegingen 3 tot en met 5), is het oordeel van het arrest dat niet is aangetoond dat het perceel waarop de telast-leggingen betrekking hebben, een bos is in de zin van het Bosdecreet, de telast-leggingen B.1 en B.2 niet bewezen zijn, er ook geen sprake is van ontbossen in de zin van artikel 99, § 1, 2°, Stedenbouwdecreet 1999 en de herstelvordering van de eiser ongegrond is, naar recht verantwoord.

Het middel kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

7. De substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen werden nageleefd en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt het Vlaams Gewest tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 350,21 euro, waarvan 40,59 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 4 september 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzit-ter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Bos

  • Ontbossing

  • Niet-toepasselijkheid van het Bosdecreet