- Arrest van 13 september 2012

13/09/2012 - C.11.0776.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De grief die kritiek uitoefent op het bestreden vonnis omdat het de incidentele vordering van de eiseres tegen verschillende verweersters niet-ontvankelijk had verklaard, op grond dat ze voor het eerst in hoger beroep was ingesteld en de eiseres tegen die partijen geen geding voor de eerste rechter aanhangig had gemaakt, houdt geen verband met artikel 1054 van het Gerechtelijk Wetboek.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0776.F

AXA BELGIUM nv,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. A. B. en

2. C. C.,

3. VIVIUM nv,

4. ALLIANZ BELGIUM nv,

5. ETHIAS nv,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

6. OHRA BELGIUM nv,

7. BELGISCH BUREAU VAN DE AUTOVERZEKERAARS vzw,

8. BELGISCH BUREAU VAN DE AUTOVERZEKERAARS vzw,

9. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN,

10. GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis dat op 20 januari 2011 in hoger be-roep is gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 812, tweede lid, en 1054 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart de nieuwe vordering die de eiseres in hoger beroep had ingesteld en waarin zij de veroordeling vorderde van de verzekeringsmaat-schappijen van de voertuigen, die door de verweerder sub 1 waren gedagvaard, teneinde in gelijke delen bij te dragen tot de vergoeding van de schade van die verweerder op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, niet-ontvankelijk om de volgende redenen:

"Overeenkomstig artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan een partij niet voor het eerst in hoger beroep een vordering tegen een andere partij instellen wanneer tussen die partijen in eerste aanleg geen vorderingen waren gesteld, zelfs wanneer die tussenvordering zou berusten op een feit of een handeling aangevoerd in de oorspronkelijke dagvaarding. (zie Cass., 29 oktober 2004, J.T., 2005, 378, noot; zie, in dezelfde zin, J.-Fr. van Drooghenbroeck, ‘Interventions forcées et droits de la défense', in Le procès au pluriel, Brussel, Bruylant-Kluwer, 1999, p. 148, nr. 10, en de noot 59).

Te dezen was er voor de politierechtbank geen geding aanhangig tussen de eiseres en de hierboven vermelde verzekeraars die de verweerder sub I had gedagvaard.

De subsidiaire vordering van de eiseres, die zij voor het eerst in hoger beroep in-stelt, is derhalve niet ontvankelijk."

Grieven

1. Luidens artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan een tussen-komst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep.

Het bestreden vonnis grondt zijn beslissing op artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, en op de overweging dat "een partij niet voor het eerst in hoger beroep een vordering tegen een andere partij kan instellen wanneer tussen die partijen in eerste aanleg geen vorderingen waren ingesteld", en door gebruik te maken van de uitdrukking "geding tussen de partijen".

Het bestreden vonnis, dat beslist dat "er voor de politierechtbank geen geding aanhangig was tussen de [eiseres] en de andere verzekeraars die [de verweerder sub I] had gedagvaard", legt de uitdrukking "geding tussen de partijen" op onjuiste wijze uit.

Het Hof van Cassatie neemt immers aan dat de vordering waardoor een geding tussen partijen ontstaat, bij conclusie kan worden ingesteld (Cass., 18 februari 2008, A.C., nr. 118 ; Cass., 10 oktober 2002, C.990516.N, www.juridat.be).

Er moet worden vastgesteld dat de verzekeringsmaatschappijen die door de ver-weerder sub I zijn gedagvaard, of althans verschillende onder hen, in eerste aanleg in hun syntheseconclusie een vordering hebben ingesteld tegen de eiseres.

In de syntheseconclusie van de verweerster sub 7 is die vordering geformuleerd in de volgende bewoordingen: "De vordering tot schadevergoeding die ingesteld wordt op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, mag in ieder geval alleen maar worden gericht tegen de WAM-verzekeraar van het voertuig waarin de passagiers de verweerster sub 2 en haar zoon plaatsgenomen hadden".

In haar tweede conclusie formuleert de [verweerder sub 10] die vordering in de volgende bewoordingen: "In ieder geval moet worden opgemerkt dat, met toepassing van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 op de zwakke weggebruikers, de verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de Citroen ZX waarin de passagiers [de verweerster sub 2 en haar zoon] hadden plaatsgenomen, laatstgenoemden moet vergoeden, zodat de verweerder sub 10 met betrekking tot die slachtoffers in ieder geval buiten zake moet worden gesteld".

In haar aanvullende syntheseconclusie formuleert de verweerster sub 5 die vor-dering in de volgende bewoordingen: "Wat betreft de schade waarvan de verweerders sub 1 en 2] de vergoeding vorderen. Met toepassing van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 op de zwakke weggebruikers, moet de verzekeraar die de Citroën ZX verzekerde waarin de passagiers de verweerster sub 2 en haar zoon hadden plaatsgenomen, laatstgenoemden vergoeden".

Die vordering wordt door de verweerster sub 5 nogmaals geformuleerd in het beschikkend gedeelte van haar conclusie: "Voor recht zeggen dat de verzekeraar van de Citroën ZX waarin de passagiers de verweerster sub 2 en haar zoon hadden plaatsgenomen, met toepassing van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 op de zwakke weggebruikers laatstgenoemden moet vergoeden."

Bijgevolg moet worden aangenomen dat er op rechtsgeldige wijze een geschil tussen de eiseres en verschillende, door de verweerder sub I gedagvaarde verzekeringsmaatschappijen aanhangig is gemaakt, doordat zij in hun voor de politierechtbank neergelegde conclusies een vordering hebben geformuleerd.

Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het bestreden vonnis, door te beslissen dat er, met toepassing van artikel 812, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, "voor de politierechtbank geen geding aanhangig was tussen de [eiseres] en de andere verzekeraars die [de verweerder sub I] had gedagvaard", de uitdrukking "geding tussen de partijen" op onjuiste wijze uitlegt.

2. Artikel 1054 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep kan instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of vóór de betekening erin berust heeft.

In de rechtsleer wordt het volgende aangenomen: "le recours incident peut être dirigé contre toute partie dont on a été l'adversaire en première instance et qui est présente à la cause devant le juge d'appel à quelque titre que ce soit" (A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, Faculté de droit de Liège, 1987, p. 515).

Dus moet worden aangenomen, zoals hierboven is beklemtoond, dat de verweer-ders sub 5, 7 en 10] in eerste aanleg tegenpartij van de eiseres waren, wegens de vordering die zij in hun conclusie tegen haar hadden ingesteld.

3. De eiseres verzoekt het Hof bijgevolg te beslissen dat het bestreden vonnis de artikelen 812, tweede lid, en 1054 van het Gerechtelijk Wetboek schendt.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Middel

Het middel verwijt het bestreden vonnis dat het de tussenvordering van de eiseres tegen de verweerster 3 tot 8 niet-ontvankelijk verklaart omdat die vordering voor het eerst is ingesteld in hoger beroep en gericht was tegen partijen tegen wie de eiseres voor de eerste rechter geen geding aanhangig had gemaakt.

Die grief houdt geen verband met artikel 1054 Gerechtelijk Wetboek.

Voor het overige bepaalt artikel 812, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dat een tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal kan plaatsvinden in hoger beroep.

Die bepaling sluit uit dat een partij voor het eerst in hoger beroep een vordering tot vrijwaring instelt tegen een andere partij wanneer tussen die partijen in eerste aanleg geen vorderingen waren ingesteld.

Uit de stukken waaruit het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres en de verweersters sub 3 tot 8 geen enkele vordering tegen elkaar hebben ingesteld voor de eerste rechter.

Het bestaan van een geding tussen die partijen kan niet worden afgeleid uit de in het middel weergegeven passages uit de conclusies die de verweersters sub 5 en 7 in eerste aanleg hebben ingediend en die, teruggeplaatst in hun context, alleen er-toe strekten de vordering te betwisten die de verweerders sub 1 en 2, in hun hoe-danigheid van wettelijke beheerders van de persoon en de goederen van hun zoon, en de verweerster sub 2, in eigen naam, tegen hen hadden ingesteld op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989.

Het bestreden vonnis, dat vaststelt dat tussen de eiseres en de verweersters sub 3 en 8 geen geding voor de politierechtbank aanhangig was, verantwoordt derhalve naar recht zijn beslissing dat de tussenvordering van de eiseres, die voor het eerst in hoger beroep is ingesteld, niet ontvankelijk is.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Sylviane Velu en Michel Lemal, en in openbare terecht-zitting van 13 september 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Incidentele vordering voor het eerst ingesteld in hoger beroep

  • Geen geding met bepaalde partijen

  • Geschonden wettelijke bepaling

  • Vaststelling