- Arrest van 13 september 2012

13/09/2012 - C.11.0172.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een vordering tot veroordeling tot ondertekening van een akte van overdracht van onverdeelde rechten in een pand, die haar grondslag vindt in de uitvoering van een contractuele verbintenis, is geen geschil inzake onroerende goederen in de zin van artikel 22, 1, van de Verordening van de raad van 22 december 2000 (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2012, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0172.F

S. F.,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

C. R.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis dat op 15 oktober 2010 in hoger be-roep is gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Bergen.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft op 14 mei 2012 een conclusie neerge-legd ter griffie.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert drie middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 Grondwet;

- de artikelen 1, inzonderheid § 2, a), 22, inzonderheid § 1, en 25 van de verordening 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk een internationale rechtsnorm die rechtstreekse gevolgen heeft in de interne rechtsorde voorrang moet krijgen op het interne recht.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis heeft het volgende vastgesteld: 1. de partijen zijn op 29 februari 2000 met name overeengekomen dat de eiser aan de verweerster een onderhoudsuitkering na echtscheiding van 619,73 euro (25.000 frank) zou uitkeren en dat hij zijn onverdeelde rechten op het pand, gelegen te P. (Frankrijk), zou overdragen; 2. de echtscheiding van de partijen werd uitgesproken bij vonnis van 6 april 2000; 3. "de partijen hebben, bij proces-verbaal van vrijwillige verschijning, (voor de vrederechter van het kanton Bergen) op 26 oktober 2000 gevraagd 'het akkoord te bekrachtigen dat zij bereikt hebben over de onderhoudsuitkering van 25.000 frank die (de eiser aan de verweerster), krachtens artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek, met ingang van 1 januari 2000 verschuldigd is"; 4. de verweerster heeft, bij een voor de vrederechter ingestelde tussenvordering, ge-vorderd om de eiser, in hoofdorde, te veroordelen tot betaling van een maandelijkse uitkering van 619,73 euro (25.000 frank), te rekenen vanaf de overschrijving van de echtscheiding, en tot ondertekening, binnen de maand na de betekening van het te wijzen vonnis, van de akte tot overdracht van zijn rechten in het pand te P., overeenkomstig het akkoord van 29 februari 2000.

Het bestreden vonnis 1. bevestigt de beslissing van de vrederechter, in zoverre laatstgenoemde de tussenvordering van de verweerster ontvankelijk heeft verklaard en heeft beslist dat "de eerste rechter bevoegd was om kennis te nemen van (de) (tussen)vordering, (in zoverre zij betrekking had op de overdracht van de on-verdeelde rechten op een pand gelegen in Frankrijk), en (dat) de rechtbank bevoegd is om van die vordering kennis te nemen in hoger beroep" en 2. "doet", voor het overige, "uitspraak bij wege van nieuwe beschikkingen ... en veroordeelt (de eiser) om (aan de verweerster) vanaf 3 juli 2000 een uitkering na echtscheiding te betalen tot beloop van een geïndexeerd maandelijks bedrag van 619,73 euro; machtigt, conform de tussen de partijen gesloten overeenkomst van 29 februari 2000, het verlijden van de authentieke akte van overdracht aan de eiseres, zonder opleg, van de onverdeelde rechten (van de eiser) op het onverdeelde pand van de partijen, met name een bungalow opgericht op een perceel bouwgrond gelegen te P. (H.), gekadastreerd afdeling D, nr. 1663, C..., met een oppervlakte van 2 are 01 centiare, nummer 58, gelegen in het "parc résidentiel de loisirs ‘...'", zoals dat goed afgebeeld wordt op het plan dat gevoegd is bij de koopakte van 30 december 1990 en dat door de partijen is ondertekend; veroordeelt (de eiser) tot ondertekening, binnen de maand na de betekening van het vonnis, van de voormelde akte tot overdracht van de rechten".

Het bestreden vonnis grondt die beslissing inzonderheid op de volgende redenen:

"Het staat vast dat de partijen de zaak bij de eerste rechter aanhangig hebben gemaakt door een proces-verbaal van vrijwillige verschijning neer te leggen waarvan de bewoordingen duidelijk, helder en ondubbelzinnig zijn.

In dat proces-verbaal vragen zij het akkoord te bekrachtigen dat zij bereikt hebben over de onderhoudsuitkering die (de eiser), krachtens artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek, aan (de verweerster) is verschuldigd.

Die overeenkomst blijkt uit de neerlegging van het proces-verbaal op de zitting van 26 oktober 2000, terwijl het vonnis dat de echtscheiding tussen de partijen uitspreekt, op 3 juli 2000 was overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand [...].

De overdracht van de onroerende rechten

Dit punt van de vordering werd ingediend bij conclusie voor de eerste rechter. (De eiser) betwist in hoger beroep de bevoegdheid van de rechtbank om van dat punt kennis te nemen, op grond dat die vordering tot overdracht van onverdeelde rech-ten geen samenhang vertoont met de oorspronkelijk vordering tot uitkering van onderhoud.

Vorderingen hangen samen wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht (artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek).

De beoordeling van de samenhang is een feitelijke kwestie (A. Kohl, Code judiciaire, Jurisprudence, Classeur, nr. 30/1, uitg. La Charte).

De in artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde samenhang tussen ver-schillende vorderingen staat ter vrije beoordeling van de feitenrechter (Cass., 25 januari 1991, A.C., 1990-91, nr. 279).

Uit de uitleg van (de verweerster), die door (de eiser) op dat punt niet bekritiseerd wordt, blijkt dat bij het vaststellen van het overeengekomen bedrag van de uitkering na echtscheiding met name ook rekening werd gehouden met het feit dat (de eiser) zich bovendien ertoe had verbonden haar zijn rechten op het pand te P. over te dragen.

In de conclusie die (de eiser) op 5 maart 2002 heeft neergelegd ter griffie van het vredegerecht, vermeldde (de eiser) bovendien, zonder hierop kritiek uit te oefenen, dat het bedrag van 620 euro of 25.000 frank volgens (de verweerster) gekoppeld was aan de overdracht, zonder opleg, aan (de verweerster) van zijn rechten op een pand gelegen te P. (Frankrijk). Dit is ook de teneur van het totaalakkoord dat de partijen oorspronkelijk hadden bereikt op 29 februari 2000.

De vordering van (de verweerster), die strekt tot uitvoering van die verbintenis van overdracht, hangt dus nauw samen met de uitvoering van het akkoord dat daarenboven werd bereikt over de betaling van een uitkering na echtscheiding. De samenhang tussen die vorderingen moet immers beoordeeld worden los van de litigieuze kwesties over de geldigheid van die verbintenissen.

De eerste rechter was bevoegd om van die vordering kennis te nemen met toepas-sing van de artikelen 30 en 566 Gerechtelijk Wetboek en de rechtbank kan van die vordering kennisnemen in hoger beroep.

De vordering van (de verweerster) is gegrond op de verbintenis die (de eiser) op 29 februari 2000 is aangegaan om haar, zonder opleg, zijn onverdeelde rechten op het pand te P. over te dragen (cf. de officiële brief van mr. B., medeondertekend door mr. B., en de persoonlijke, handgeschreven verbintenis van de eiser).

(De eiser) voert aan dat die overeenkomst nietig is wegens schending van artikel 1595, 4°, Burgerlijk Wetboek, dat de overdracht van onverdeelde rechten tussen echtgenoten verbiedt, tenzij (...) de rechter hen hiertoe machtigt. De eerste rechter heeft dat middel aangenomen, op grond dat die overeenkomst werd gesloten vóór de verbreking van de huwelijksband.

De overdracht van onverdeelde rechten tussen echtgenoten is op zich niet verboden: zij moet door de rechter worden toegestaan. 'Rien ne pourrait faire obstacle à ce qu'une telle cession soit convenue entre les époux lors de leur divorce et à ce qu'ils fassent acter cette cession dans le jugement de divorce puisqu'elle ne sortira alors ses effets qu'au jour de la dissolution du mariage des parties (J.-L. R., noot onder Brussel, 29 maart 2007, Rev. trim. dr. fam., 2008, 440).

Niet elke overeenkomst vóór echtscheiding is de facto nietig: zij heeft alleen ver-bindende kracht wanneer zij door de rechter wordt goedgekeurd. Zo heeft een overeenkomst die vóór de echtscheiding tussen de partijen wordt gesloten met het oog op de vaststelling van het bedrag van de uitkering na echtscheiding, bedoeld in (het oude) artikel 301 Burgerlijk Wetboek, slechts verbindende kracht indien ze wordt goedgekeurd door de rechter bij wie het geding tot echtscheiding aanhangig is (Cass., 14 november 1974). Zij zou even goed kunnen worden voorgelegd aan het toezicht - inzonderheid wanneer het gaat om een echtscheiding op grond van artikel 232 Burgerlijk Wetboek - en worden goedgekeurd door een andere rechter, wanneer die bijvoorbeeld kennisneemt van een geschil dat tussen de partijen is gerezen met betrekking tot de uitvoering van hun overeenkomst (Brussel, 29 maart 2007, Rev. trim. dr. fam., 2008, p. 428 en volgende, inz. p. 435).

(De verweerster) heeft voor de eerste rechter en ook nog voor de rechtbank aan-gevoerd, zonder op dit punt te zijn tegengesproken, dat de partijen de echtscheidingsrechter gevraagd hebben hun akkoord over het bedrag van de uitkering na echtscheiding en over de overdracht, zonder opleg, van de onverdeelde rechten (van de eiser) op het pand te P. te bekrachtigen.

Uit het onderzoek van het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt, volgt dat de rechter bij wie het geding tot echtscheiding aanhangig was, geen akte heeft genomen van die vordering en dat hij geen uitspraak heeft gedaan met het oog op de bekrachtiging van dat akkoord.

Toch blijft het een feit dat de partijen een akkoord hebben bereikt en dat zij dat akkoord aan de echtscheidingsrechter hebben voorgelegd ter goedkeuring. Bij gebrek aan goedkeuring door die rechter kon het akkoord over de overdracht van onverdeelde rechten dus ter goedkeuring worden voorgelegd aan de eerste rechter.

(De eiser) voert geen enkel middel aan om zich tegen de goedkeuring van die overdracht te verzetten.

Aangezien er geen grond bestaat om die goedkeuring te weigeren, moet (de eiser) veroordeeld worden tot ondertekening van die akte van overdracht. [...]

De vordering (van de verweerster), die voor het overige ertoe strekt voor recht te doen zeggen dat het vonnis zal gelden als authentieke akte van overdracht van de litigieuze rechten (van de eiser) indien hij die akte van overdracht niet ondertekent binnen de maand na de betekening van het vonnis, kan echter voor problemen zorgen met betrekking tot de plaats waar het litigieuze pand gelegen is. Er moet immers rekening worden gehouden met de bepalingen van internationaal recht die van toepassing zijn op de gedwongen tenuitvoerlegging, op Frans grondgebied, van een Belgische rechterlijke beslissing over een pand dat gelegen is in Frankrijk. Aangezien de partijen hierover geen tegenspraak hebben gevoerd, moet de uitspraak hierover worden aangehouden en het debat dienaangaande worden her-opend".

Grieven

Eerste onderdeel

1. Artikel 1, § 1 en 2, van de verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 decem-ber 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken bepaalt wat volgt:

"1. Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratief-rechtelijke zaken.

2. Zij is niet van toepassing op:

a) de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijksgoederenrecht, testamenten en erfenissen".

Artikel 25 van de verordening 44/2001 bepaalt dat "het gerecht van een lidstaat waarbij een geschil aanhangig is gemaakt met als inzet een vordering waarvoor krachtens artikel 22 een gerecht van een andere lidstaat bij uitsluiting bevoegd is, zich ambtshalve onbevoegd verklaart ".

Die exceptie van onbevoegdheid is van openbare orde, zodat de rechter bij wie de zaak ten onrechte aanhangig is gemaakt, zich ambtshalve onbevoegd moet verklaren om van de zaak kennis te nemen, ook al heeft de verweerder artikel 25 van de voormelde verordening niet aangevoerd.

Een van de in artikel 22 bedoelde gevallen van exclusieve bevoegdheid is de aangelegenheid van de "zakelijke rechten op onroerend goed": in dat geval zijn alleen "de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is" bevoegd (artikel 22, § 1, van de verordening 44/2001).

Het in voormeld artikel 22, § 1, bedoelde begrip "zakelijke onroerende rechten" is door het Hof van Justitie van de Europese Unie zelf uitgelegd: in zijn arrest-Reichert heeft het Hof beslist dat "de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed is gelegen, niet alle mogelijke rechtsvorderingen omvat die een zakelijk recht op onroerend goed betreffen, maar alleen die welke zowel binnen het toepassingsgebied (van de verordening 44/2001) vallen, als tot de rechtsvorderingen behoren die ertoe strekken de omvang, de hoedanigheid, de eigendom of het bezit van een onroerend goed of het bestaan van andere zakelijke rechten op dit onroerend goed vast te stellen en om de rechthebbenden de bescherming van de aan hun titel verbonden bevoegdheden te verzekeren" (arrest-Reichert van 10 januari 1990, C-115/88, Jur. H.v.J., 1990, I-27 ; beschikking G. t/ C. van 5 april 2001, C-518/99).

Zijn daarentegen niet beschouwd als vorderingen die betrekking hebben op "zakelijke rechten op onroerend goed" in de zin van artikel 22, § 1, van de verordening 44/2001, de vordering tot ontbinding van verkoop van onroerend goed en tot betaling van schadevergoeding wegens die ontbinding (beschikking G. t/ C., voormeld) en de door een schuldeiser ingestelde rechtsvordering die ertoe strekt dat een beschikkingshandeling betreffende een zakelijk recht op onroerend goed, waarvan hij stelt dat zij door zijn schuldenaar met bedrieglijke benadeling van zijn rechten is verricht, hem niet tegenstelbaar wordt verklaard op grond dat de zogenoemde "actio Pauliana" haar grondslag vindt in de schuldvordering, een persoonlijk recht van de schuldeiser jegens zijn schuldenaar waarmee de schuldeiser het hem eventueel toekomende verhaalsrecht op het vermogen van de schuldenaar kan veiligstellen . Wordt de vordering toegewezen, dan heeft zij tot gevolg dat alleen tegenover de schuldeiser geen beroep kan worden gedaan op de beschikkingshandeling die zijn schuldenaar met bedrieglijke benadeling van zijn rechten heeft verricht" (arrest-Reichert, voormeld).

Uit de voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap volgt dat alleen de vordering die uitsluitend of op zijn minst hoofdzakelijk betrekking heeft op het bestaan, de geldigheid, de nietigheid, de ontbinding en de tegenstelbaarheid, aan derden, van een overeenkomst, niet beschouwd wordt als een "rechtsvordering die zakelijke rechten op onroerend goed betreffen".

Dit geldt niet voor de vordering waarvan het einddoel erin bestaat een onver-deeldheid op een pand te doen eindigen, met name door de overdracht, aan één enkele mede-eigenaar, van alle rechten van de mede-eigenaar(s) van dat pand. Een dergelijke vordering, die hetzelfde doel heeft als een vordering tot verdeling - de overdracht, door een mede-eigenaar aan een andere mede-eigenaar, van het geheel van zijn onverdeelde rechten is immers een handeling die overeenkomt met een verdeling - vormt ontegenzeglijk een rechtsvordering die ertoe strekt de rechten van een partij op een onroerend goed te doen vaststellen en haar de bescherming van de aan haar titel verbonden voorrechten te verzekeren. Het gaat bijgevolg om een rechtsvordering waarvoor, krachtens voormeld artikel 22, § 1, van de verordening 44/2001, uitsluitend de gerechten van de Lidstaat waar het onroerend goed gelegen is, bevoegd zijn.

2. Te dezen stelt het bestreden vonnis wel vast dat de partijen gehuwd waren onder het stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten, maar blijkt noch uit de redenen van dat vonnis noch uit de andere stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, dat de tussenvordering die de verweerster heeft voorgelegd aan de eerste rechter - een vordering die betrekking had op de overdracht van de onverdeelde rechten van de eiser op een pand gelegen in Frankrijk - was ingesteld in het kader van de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aan-winsten en evenmin dat het pand ooit deel heeft uitgemaakt van de gemeenschap van aanwinsten. Integendeel, het vonnis beslist dat de rechtbank, krachtens artikel 1595, eerste lid, 4°, Burgerlijk Wetboek, de overdracht van het onverdeeld aandeel van de eiser aan de verweerster moet toestaan, wat zou kunnen impliceren dat het niet ging om een gemeenschappelijk pand, daar de verdeling van de gemeenschappelijke goederen in het kader van de vereffening van een gemeenschap of van een gemeenschap van aanwinsten (wegens echtscheiding, overlijden of wijziging van het huwelijksvermogensstelsel) niet valt onder de toepassing van voormeld artikel 1595, eerste lid, 4°.

Het bestreden vonnis stelt daarenboven vast dat de rechter die de echtscheiding tussen de partijen heeft uitgesproken "geen akte heeft genomen van (de) vordering" van de partijen, die strekte tot goedkeuring van hun akkoord "over de overdracht, zonder opleg, van de onverdeelde rechten (van de eiser) op het pand" en dat die echtscheidingsrechter "geen uitspraak heeft gedaan om dat akkoord goed te keuren". Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis en van de processtukken blijkt ten slotte dat de tussenvordering van de verweerster is ingesteld bij conclusie voor de vrederechter, bij wie de zaak oorspronkelijk aanhangig was gemaakt door een proces-verbaal van vrijwillige verschijning van 26 oktober 2000, nadat de echtscheiding van de partijen op 3 juli 2000 was overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Uit het geheel van de aldus weergegeven vaststellingen volgt dat de tussenvordering van de verweerster, die ertoe strekte 1. de authentieke akte van de overdracht aan de verweerster, zonder opleg, van de onverdeelde rechten van de eiser op het pand te doen verlijden, 2. de eiser te doen veroordelen tot ondertekening van die akte van overdracht binnen de maand na de betekening van het te wijzen vonnis en 3. voor recht te doen zeggen dat het vonnis zou gelden als authentieke akte van overdracht van de litigieuze rechten indien de eiser de akte niet binnen voormelde termijn ondertekende, geen vordering was die betrekking had op de vereffening van een huwelijksvermogensstelsel, geen vordering was die deel uitmaakte van een echtscheidingsprocedure en geen vordering was die, op enige wijze, betrekking had op de staat of de bekwaamheid van personen. De tussenvordering van de verweerster is dus niet één van de gevallen die krachtens paragraaf 2 van artikel 1 van de verordening 44/2001, buiten het toepassingsgebied van die verordening vallen.

Aangezien één van de punten van de vordering (onlosmakelijk verbonden met de andere punten) ertoe strekte een eigendomstitel aan de verweerster toe te kennen - hetzij in de vorm van een authentieke akte van overdracht, hetzij in de vorm van een vonnis dat als akte geldt - zodat zij haar rechten als enige eigenaar op het ooit onverdeelde pand kan doen gelden, moet die vordering beschouwd worden als een vordering die "zakelijke rechten op onroerend goed" betreft in de zin van 22, § 1, van de verordening 44/2001.

De rechtbank moest de Belgische hoven en rechtbanken dus ambtshalve onbevoegd verklaren, aangezien de tussenvordering van de verweerster, krachtens de reeds vermelde bepalingen van de verordening 44/2001, uitsluitend behandeld kon worden door de gerechten van de Lidstaat waar het onroerend goed gelegen was, in dit geval dus de Franse gerechten.

Het vonnis, dat zich bevoegd verklaart om van die vordering kennis te nemen, miskent bijgevolg de regel volgens welke de rechter van een Lidstaat zich ambts-halve onbevoegd moet verklaren wanneer hij kennisneemt van een geschil waarvoor uitsluitend een gerecht van een andere Lidstaat bevoegd is (schending van artikel 25 van de verordening 44/2001 en miskenning van het in de aanhef van het middel bedoelde algemeen rechtsbeginsel) en schendt de bepalingen van de voormelde verordening, waaruit volgt dat de vordering die wordt ingesteld na de ontbinding van het huwelijk en die ertoe strekt 1. machtiging te verlenen tot het verlijden van de akte van overdracht, door een ex-echtgenoot aan de andere echtgenoot, van zijn onverdeelde rechten op een pand, 2. de overdrager te veroordelen tot ondertekening van de authentieke akte van overdracht en 3. voor recht te doen zeggen dat het vonnis als authentieke akte van overdracht zal gelden indien de overdrager een dergelijke akte niet ondertekent binnen de door de rechter vastgestelde termijn, een vordering is die betrekking heeft op onroerende zakelijke rechten, waarvan uitsluitend de gerechten van de plaats waar het pand gelegen is, kennis kunnen nemen (schending van de artikelen 22, inzonderheid § 1, en 25 van de verordening 44/2001, en miskenning van het in de aanhef van het middel bedoelde algemeen rechtsbeginsel).

Het bestreden vonnis miskent ook de regel volgens welke de vordering, die ertoe strekt 1. machtiging te verlenen tot het verlijden van de akte van overdracht, door een ex-echtgenoot aan de andere echtgenoot, van zijn onverdeelde rechten op een pand, 2. de overdrager te veroordelen tot ondertekening van de authentieke akte van overdracht en 3. voor recht te doen zeggen dat het vonnis als authentieke akte van overdracht zal gelden indien de overdrager een dergelijke akte niet ondertekent binnen de door de rechter vastgestelde termijn, niet valt onder de exceptie bepaald in artikel 1, § 2, a), van de verordening 44/2001, wanneer die vordering werd ingesteld na de uitspraak van de echtscheiding van de voormalige echtgenoten door een rechtbank en na de overschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van de burgerlijke stand en niet is ingesteld binnen het kader van de volledige vereffening van het huwelijksvermogensstelsel van de voormalige echtgenoten (schending van alle in de aanhef van het middel bedoelde bepalingen van de verordening 44/2001 en miskenning van het in de aanhef van het middel bedoelde algemeen rechtsbeginsel).

Tweede onderdeel

De redenen van het bestreden vonnis zouden op zijn minst kunnen betekenen dat, ofwel (eerste uitlegging) het pand de gemeenrechtelijke onverdeelde eigendom was van twee echtgenoten die gehuwd waren onder een stelsel van scheiding van goederen (met bijkomende gemeenschap van aanwinsten, waarvan het pand geen deel uitmaakte), zodat de overdracht van de onverdeelde rechten van de eiser op dat pand geen verrichting was die paste binnen het kader van de volledige vereffening van het huwelijksvermogensstelsel van de ex-echtgenoten, hetzij (tweede uitlegging) dat het pand deel uitmaakte van de gemeenschap van aanwinsten, zodat de akte, die overeenkomt met een verdeling en waarvan de verweerster de uit-voering vordert, een gedeeltelijke verdeling van de goederen uit een voormalige huwelijksgemeenschap vormt. Aangezien het bestreden vonnis onwettig zou zijn in de eerste uitlegging (omdat het in dat geval de regel van de exclusieve bevoegdheid van de Franse gerechten miskent, zoals die regel voortvloeit uit de bepalingen van de in de aanhef van het middel bedoelde verordening 44/2001) en wettig zou zijn in de tweede uitlegging omdat in dat geval artikel 1, § 2, a), van de verordening 44/2001 niet van toepassing is op de vordering, kan het Hof, wegens de dubbelzinnigheid van de voormelde redenen, geen wettigheidstoezicht houden, wat aldus neerkomt op een gebrek aan redengeving (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 Grondwet;

- de artikelen 1319, 1320, 1322, 1349, 1353, 1469, inzonderheid tweede lid, en 1595, eerste lid, 4°, Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 5, 9, 30, 565, inzonderheid tweede lid, 2°, en derde lid, 566, 569, inzonderheid 1° en 4°, 577, inzonderheid eerste lid, 602, 1°, 639, 640, 643, 774, 807, 1068, 1070 en 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel, dat met name wordt toegepast in artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek en krachtens hetwelk de rechter, met eerbiediging van het recht van verdediging, de rechtsnorm dient te bepalen die van toepassing is op de voor hem gebrachte vordering en die norm dient toe te passen.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis heeft het volgende vastgesteld: 1. de partijen zijn op 29 februari 2000 met name overeengekomen dat de eiser aan de verweerster een onderhoudsuitkering van 619,73 euro (25.000 frank) zou uitkeren en dat hij zijn onverdeelde rechten op het pand, gelegen te P. (Frankrijk), zonder opleg zou over-dragen; 2. de echtscheiding van de partijen werd uitgesproken bij vonnis van 6 april 2000; 3. "de partijen hebben, bij proces-verbaal van vrijwillige verschijning, (voor de vrederechter van het kanton Bergen) op 26 oktober 2000 gevraagd ‘het akkoord te bekrachtigen dat zij bereikt hebben over de onderhoudsuitkering van 25.000 frank die (de eiser aan de verweerster), krachtens artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek, met ingang van 1 januari 2000 verschuldigd is"; 4. de verweerster heeft, bij een voor de vrederechter ingestelde tussenvordering, ge-vorderd om de eiser, in hoofdorde, te veroordelen tot betaling van een maandelijkse uitkering van 619,73 euro (25.000 frank), te rekenen vanaf de overschrijving van de echtscheiding, en tot ondertekening, binnen de maand na de betekening van het te wijzen vonnis, van de akte tot overdracht van zijn rechten in het pand te P., overeenkomstig het akkoord van 29 februari 2000.

Het bestreden vonnis beschikt vervolgens afwijzend op de conclusie waarin de eiser aanvoerde dat "de rechtbank ... kennisgenomen heeft van een vordering tot levensonderhoud en niet van een vordering tot opheffing van de onverdeeldheid van een in Frankrijk gelegen pand. Zoals uit het gedinginleidende proces-verbaal van vrijwillige verschijning blijkt, is het nooit de bedoeling geweest om de opheffing van de onverdeeldheid van dat goed te verbinden met de vaststelling van het bedrag van een mogelijke onderhoudsuitkering. Aangezien het dus niet om een samenhangende vordering gaat, is de rechtbank ... niet bevoegd om kennis te nemen van die vordering. (De verweerster) beweert bovendien dat het akkoord over de overdracht gegrond is op de akte van februari 2000, die dus is opgemaakt vóór de echtscheiding van de partijen. Artikel 1595, 4°, Burgerlijk Wetboek verbiedt echter de overdracht van onverdeelde rechten tussen echtgenoten, behalve in geval van openbare verkoping of machtiging van de rechter. De rechtbank heeft voor die verkoop te dezen geen machtiging verleend, zodat het akkoord waarop (de verweerster) zich beroept en dat dagtekent van vóór de echtscheiding nietig moet worden verklaard". Het bestreden vonnis 1. bevestigt vervolgens de beslissing van de vrederechter, in zoverre hij de tussenvordering van de verweerster heeft aangenomen, en beslist dat "de eerste rechter bevoegd was om kennis te nemen van (de) (tussen)vordering, (in zoverre zij betrekking had op de overdracht van onverdeelde rechten op een in Frankrijk gelegen pand) en (dat) de rechtbank van die vordering bevoegd is om kennis te nemen in hoger beroep" en 2. "doet", voor het overige, "uitspraak bij wege van nieuwe beschikkingen ... en veroordeelt (de eiser) om (aan de verweerster) vanaf 3 juli 2000 een uitkering na echtscheiding te betalen tot beloop van een geïndexeerd maandelijks bedrag van 619,73 euro; machtigt, conform de tussen de partijen gesloten overeenkomst van 29 februari 2000, het verlijden van de authentieke akte van overdracht aan de eiseres, zonder opleg, van de onverdeelde rechten (van de eiser) op het onverdeelde pand van de partijen, met name een bungalow opgericht op een perceel bouwgrond gelegen te P. (H.), gekadastreerd afdeling D, nr. 1663, C..., met een oppervlakte van 2 are 01 centiare, nummer 58, gelegen in het "parc résidentiel de loisirs ‘...'", zoals dat goed afgebeeld wordt op het plan dat gevoegd is bij de koopakte van 30 december 1990 en dat door de partijen is ondertekend; veroordeelt (de eiser) tot ondertekening, binnen de maand na de betekening van het vonnis, van de voormelde akte tot overdracht van de rechten".

Het bestreden vonnis grondt die beslissing op de volgende redenen:

"De onderhoudsuitkering

Het staat vast dat de partijen de zaak bij de eerste rechter aanhangig hebben gemaakt door een proces-verbaal van vrijwillige verschijning neer te leggen waarvan de bewoordingen duidelijk, helder en ondubbelzinnig zijn.

In dat proces-verbaal vragen zij het akkoord te bekrachtigen dat zij bereikt hebben over de onderhoudsuitkering die (de eiser), krachtens artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek, aan (de verweerster) is verschuldigd.

Die overeenkomst blijkt uit de neerlegging van het proces-verbaal op de zitting van 26 oktober 2000, terwijl het vonnis dat de echtscheiding tussen de partijen uitspreekt, op 3 juli 2000 was overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand

Wanneer het recht op uitkering vaststaat, staat niets eraan in de weg dat de partijen het bedrag van de door de ex-echtgenoot verschuldigde uitkering in onderlinge overeenstemming vaststellen (Cass., 19 november 1974, A.C., 1975, p. 331; Cass., 30 juni 2006, A.C., 2006, nr. 372; Nicole Gallus, Les personnes, Répertoire notarial, deel I, boek IV, nr. 72).

Die overeenkomst, die de partijen strekt tot wet, bindt zowel de partijen als de rechter, voor zover zij de bepalingen van openbare orde van het Burgerlijk Wetboek niet schendt. De rechtbank, die gevraagd wordt het akkoord te bekrachtigen in een vonnis, dat een uitvoerbare authentieke akte is, oefent slechts een marginaal toezicht op de wettigheid van de bewoordingen van de overeenkomst uit (A.-Ch. Van Gysel, ‘Examen de jurisprudence : les personnes, 1991 à 2002', R.C.J.B., 2003, nr. 10, pp. 394-396).

In tegenstelling tot wat (de eiser) beweert, vormt de ondertekening van het proces-verbaal van vrijwillige verschijning geen 'dekking' voor de overeenkomst die vóór de echtscheiding werd gesloten en die nietig is.

Integendeel, door die handtekening verklaart (de eiser) zich nogmaals akkoord met de betaling van een uitkering na echtscheiding aan zijn ex-echtgenote, in de bewoordingen van het akkoord dat is vastgesteld door het proces-verbaal dat de raadslieden van de partijen, die daartoe werden gemachtigd, in juli 2000 hebben ondertekend. Dat akkoord wordt nogmaals bevestigd voor de eerste rechter op de gedinginleidende zitting van 26 oktober 2000.

In de conclusie die (de eiser) heeft neergelegd voor de eerste rechter op 5 maart 2005 (lees: 2002), schreef (de eiser) daarenboven 'dat er over de uitkering een akkoord kan worden gesloten na de echtscheiding, daar zij slechts dwingend is (Cass., 22 juni 1967, A.C., 1967, 12887; Cass., 14 november 1974, A.C., 1975, p. 331); in dit geval was er weliswaar een akkoord op het ogenblik dat de zaak in maart 2000 is ingeleid door het proces-verbaal van vrijwillige verschijning (noot van de rechtbank: lees 'oktober' en niet 'maart', daar de zaak is ingeleid op 26 ok-tober 2000). [...]

[De verweerster] vordert de veroordeling (van de eiser) tot betaling van de uitke-ring na echtscheiding vanaf 3 juli 2000, d.i. de datum van overschrijving van het echtscheidingsvonnis.

Het hoger beroep is op dat punt van de vordering dus gegrond: (de eiser) moet worden veroordeeld tot betaling, aan (de eiseres), van een uitkering na echtschei-ding tot beloop van een geïndexeerd maandelijks bedrag van 619,73 euro, met in-gang van 3 juli 2000.

De overdracht van de onroerende rechten

Dit punt van de vordering werd ingediend bij conclusie voor de eerste rechter. (De eiser) betwist in hoger beroep de bevoegdheid van de rechtbank om van dat punt kennis te nemen, op grond dat die vordering tot overdracht van onverdeelde rech-ten geen samenhang vertoont met de oorspronkelijk vordering tot uitkering van onderhoud.

Vorderingen hangen samen wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht (artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek).

De beoordeling van de samenhang is een feitelijke kwestie (A. Kohl, Code judiciaire, Jurisprudence, Classeur, nr. 30/1, uitg. La Charte).

De in artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde samenhang tussen ver-schillende vorderingen staat ter vrije beoordeling van de feitenrechter (Cass., 25 januari 1991, A.C., 1990-91, nr. 279).

Uit de uitleg van (de verweerster), die door (de eiser) op dat punt niet bekritiseerd wordt, blijkt dat bij het vaststellen van het overeengekomen bedrag van de uitkering na echtscheiding met name ook rekening werd gehouden met het feit dat (de eiser) zich bovendien ertoe had verbonden haar zijn rechten op het pand te P. over te dragen.

In de conclusie die (de eiser) op 5 maart 2002 heeft neergelegd ter griffie van het vredegerecht, vermeldde (de eiser) bovendien, zonder hierop kritiek uit te oefenen, dat het bedrag van 620 euro of 25.000 frank volgens (de verweerster) gekoppeld was aan de overdracht, zonder opleg, aan (de verweerster) van zijn rechten op een pand gelegen te P. (Frankrijk). Dit is ook de teneur van het totaalakkoord dat de partijen oorspronkelijk hadden bereikt op 29 februari 2000.

De vordering van (de verweerster), die strekt tot uitvoering van die verbintenis tot overdracht, hangt dus nauw samen met de uitvoering van het akkoord dat daarenboven werd bereikt over de betaling van een uitkering na echtscheiding. De samenhang tussen die vorderingen moet immers beoordeeld worden los van bedoelde vragen over de geldigheid van die verbintenissen.

De eerste rechter was bevoegd om van die vordering kennis te nemen met toepas-sing van de artikelen 30 en 566 Gerechtelijk Wetboek en de rechtbank kan van die vordering kennisnemen in hoger beroep.

De vordering van (de verweerster) is gegrond op de verbintenis die (de eiser) op 29 februari 2000 is aangegaan om haar, zonder opleg, zijn onverdeelde rechten op het pand te P. over te dragen (cf. de officiële brief van mr. B., medeondertekend door mr. B., en de persoonlijke, handgeschreven verbintenis van de eiser).

(De eiser) voert aan dat die overeenkomst nietig is wegens schending van artikel 1595, 4°, Burgerlijk Wetboek, dat de overdracht van onverdeelde rechten tussen echtgenoten verbiedt, tenzij (...) de rechter hen hiertoe machtigt. De eerste rechter heeft dat middel aangenomen, op grond dat die overeenkomst werd gesloten vóór de verbreking van de huwelijksband.

De overdracht van onverdeelde rechten tussen echtgenoten is op zich niet verboden: zij moet door de rechter worden toegestaan. [...]

(De verweerster) heeft voor de eerste rechter en ook nog voor de rechtbank aan-gevoerd, zonder op dit punt te zijn tegengesproken, dat de partijen de echtscheidingsrechter gevraagd hebben hun akkoord over het bedrag van de uitkering na echtscheiding en over de overdracht, zonder opleg, van de onverdeelde rechten (van de eiser) op het pand te P. te bekrachtigen.

Uit het onderzoek van het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt, volgt dat de rechter bij wie het geding tot echtscheiding aanhangig was, geen akte heeft genomen van die vordering en dat hij geen uitspraak heeft gedaan met het oog op de bekrachtiging van dat akkoord.

Toch blijft het een feit dat de partijen een akkoord hebben bereikt en dat zij dat akkoord aan de echtscheidingsrechter hebben voorgelegd ter goedkeuring. Bij gebrek aan goedkeuring door die rechter kon het akkoord over de overdracht van onverdeelde rechten dus ter goedkeuring worden voorgelegd aan de eerste rechter.

(De eiser) voert geen enkel middel aan om zich tegen die machtiging tot overdracht te verzetten.

Aangezien er geen grond bestaat om die goedkeuring te weigeren, moet (de eiser) veroordeeld worden tot ondertekening van die akte van overdracht".

Grieven

(...)

Tweede onderdeel

De bevoegdheid van de rechter om kennis te nemen van de nieuwe vordering van de verweerster, die strekt tot veroordeling van de eiser tot overdracht van zijn rechten op het pand, moet dus worden bepaald met toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek.

Luidens artikel 807 is een nieuwe vordering ontvankelijk indien zij voldoet aan twee voorwaarden: ze moet behandeld worden in een tegensprekelijk debat en ze moet gegrond zijn op een feit of een akte aangevoerd in de gedinginleidende akte.

Het gedinginleidende proces-verbaal van vrijwillige verschijning van 26 oktober 2000 vermeldde alleen dat de partijen « verklaren dat zij voor (de vrederechter van het eerste kanton te Bergen) verschijnen om hun akkoord te doen bekrachtigen over de onderhoudsuitkering die (de eiser) aan (de verweerster) verschuldigd is krachtens artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek. De modaliteiten van dat akkoord zijn de volgende: (de eiser) stort aan (de verweerster), vanaf 1 januari 2000, een onderhoudsuitkering tot beloop van een geïndexeerd maandelijks bedrag van 25.000 frank. Die onderhoudsuitkering zal één keer per jaar en voor het eerst op 1 januari 2001 worden geïndexeerd, met als basisindex het cijfer van de maand de-cember 1999, te weten 104,61".

Het proces-verbaal verwijst nergens naar het pand en evenmin trouwens naar het akkoord van 29 februari 2000 (dat dagtekent van vóór de echtscheiding), waarin de eiser had verklaard zijn onverdeelde rechten op het pand zonder opleg aan de verweerster te willen overdragen. Het bestreden vonnis verklaart de verbintenis van de eiser om aan de verweerster een onderhoudsuitkering te betalen geldig, op grond dat « de ondertekening van het proces-verbaal van vrijwillige verschijning geen 'dekking' vormt voor de overeenkomst die vóór de echtscheiding werd gesloten en die nietig is. Integendeel, door die handtekening verklaart (de eiser) zich nogmaals akkoord met de betaling van een uitkering na echtscheiding aan zijn ex-echtgenoot".

De vordering van de verweerster, die strekt tot veroordeling van de eiser tot overdracht van zijn onverdeelde rechten op het pand, kan derhalve niet worden aangemerkt als een vordering die gegrond is op een feit of een akte aangevoerd in het voormelde proces-verbaal van vrijwillige verschijning.

Het bestreden vonnis, dat afwijzend beschikt op de conclusie waarin de eiser aan-voerde dat "de rechtbank [...] kennisgenomen heeft van een vordering tot levensonderhoud en niet van een vordering tot opheffing van de onverdeeldheid van een in Frankrijk gelegen pand" en dat de vordering van de verweerster betreffende de overdracht van eisers onverdeelde rechten op het pand ontvankelijk verklaart, terwijl de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van die nieuwe vordering niet waren vervuld, daar ze niet gegrond was op een feit of een akte aangevoerd in het gedinginleidende proces-verbaal, schendt aldus artikel 807 Gerechtelijk Wetboek (schending van dat artikel en, voor zover nodig, van de artikelen 5, 30, 565, 566, 774 en 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het in de aanhef van het middel bedoelde algemeen rechtsbeginsel).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. In tegenstelling tot wat het onderdeel veronderstelt, doet het bestreden von-nis geen uitspraak over de vordering van de verweerster, die ertoe strekt voor recht te doen zeggen dat het vonnis zal gelden als een authentieke akte van over-dracht van de litigieuze rechten van de eiser indien laatstgenoemde die akte van overdracht niet ondertekent binnen de maand na de betekening van het vonnis, maar houdt het vonnis de uitspraak over die vordering aan.

2. Het bestreden vonnis beslist evenmin dat de vordering, die ertoe strekt de akte van overdracht, door een ex-echtgenoot aan de andere echtgenoot, van zijn onverdeelde rechten op een pand goed te doen machtigen en de overdrager te doen veroordelen tot ondertekening van de authentieke akte van overdracht, onder de toepassing valt van de exceptie bepaald in artikel 1, punt 2, a), van de verordening 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

3. Luidens artikel 22, 1), van de verordening 44/2001, zijn, ongeacht de woon-plaats, voor zakelijke rechten op en huur en verhuur van onroerende goederen bij uitsluiting de gerechten bevoegd van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. Die bepaling neemt de bewoordingen over van artikel 16, punt 1, a), van het Executieverdrag

Volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (met name H.v.J., 10 januari 1990, R. en K., C-115/88, en 18 mei 2006, Land Oberös-terreich t/ C., C-343/04) mag artikel 16, punt 1, a) van het Executieverdrag niet in een ruimere zin worden uitgelegd dan het oogmerk ervan vereist en is de voor-naamste reden voor de uitsluitende bevoegdheid van de gerechten van de verdrag-sluitende staat waar het onroerend goed is gelegen, dat het gerecht van de plaats waar het onroerend goed is gelegen, het best in staat is geschillen over zakelijke rechten op en huur en verhuur van onroerende goederen te berechten, daar derge-lijke geschillen in beginsel moeten worden berecht volgens de regels van die staat, en de betwistingen waartoe zij aanleiding geven vaak nopen tot verificaties, on-derzoekingen en expertises die ter plaatse moeten geschieden, zodat de toeken-ning van een exclusieve bevoegdheid aan het gerecht waar het onroerend goed ge-legen is in het belang is van een goede rechtsbedeling. In het licht van deze uitleggingsbeginselen heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat artikel 16, punt 1, a), van het Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de exclusieve be-voegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed gelegen is, niet alle mogelijke rechtsvorderingen omvat die een zakelijk recht op onroerend goed betreffen, maar alleen die welke zowel binnen het toe-passingsgebied van het Executieverdrag vallen als tot de rechtsvorderingen beho-ren die ertoe strekken de omvang, de hoedanigheid, de eigendom of het bezit van een onroerend goed of het bestaan van andere zakelijke rechten op dit onroerend goed vast te stellen en om de rechthebbenden de bescherming van de aan hun titel verbonden rechten te verzekeren

Het bestreden vonnis stelt vast dat de vordering van de verweerster ertoe strekt de eiser te veroordelen tot ondertekening, binnen de maand na de betekening van het te wijzen vonnis, van de akte van overdracht van zijn onverdeelde rechten op het pand van de partijen, gelegen te P., en dat die vordering gegrond is op de door de eiser op 29 februari 2000 aangegane verbintenis om zijn rechten op dat pand zon-der opleg aan de verweerster over te dragen.

Die vordering, die gegrond is op de uitvoering van een contractuele verbintenis, is geen geschil over onroerende goederen in de zin van artikel 22, 1), van de veror-dening 44/2001, zoals het is uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap.

Het bestreden vonnis, dat beslist dat het bevoegd is om uitspraak te doen over die vordering, schendt bijgevolg geen van de in het middel bedoelde bepalingen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Uit de tekst van het bestreden vonnis blijkt ondubbelzinnig dat de partijen welis-waar zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten, maar dat het geschil betrekking heeft op de overdracht, door de eiser aan de verweerster, van zijn onverdeelde rechten op een pand gelegen te P. en niet op de vereffening van de gemeenschap van aanwinsten.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

(...)

Tweede onderdeel

Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek is noch een bepaling van openbare orde noch een dwingende bepaling; de rechter hoeft dus niet ambtshalve na te gaan of de voorwaarden voor de toepassing ervan vervuld zijn.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de feitenrechter heeft aangevoerd dat de nieuwe vordering die de verweerster in haar conclusie had aangevoerd, niet ontvankelijk was omdat zij niet gegrond was op een feit of een akte aangevoerd in de dagvaarding.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout en Alain Simon, en in openbare terecht-zitting van 13 september 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verordening (E.G.) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000

  • Artikel 22, 1)

  • Exclusieve bevoegdheid

  • Vordering tot veroordeling tot ondertekening van een akte van overdracht van onverdeelde rechten in een pand

  • Vordering gegrond op een contractuele verbintenis