- Arrest van 24 september 2012

24/09/2012 - C.10.0676.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel waarbij overmacht de fout uitschakelt en het verval belet van de uitoefening van een recht die de wet afhankelijk stelt van een bepaalde termijn (1). (1) Zie de concl. van het O.M. in Pas. nr. ....

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0676.F

1. AXA BELGIUM nv,

2. D. P.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS, onderlinge verze-keringsvereniging,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 2 april 2010.

De zaak is bij beschikking van 6 september 2012 door de eerste voorzitter verwe-zen naar de derde kamer.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 31 juli 2012 een conclusie neergelegd op de griffie.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals het van toepassing was voor de opheffing ervan bij de wet van 22 augustus 2002;

- artikel 19bis-11, inzonderheid § 1, 7°, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;

- artikel 21, inzonderheid § 1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals het van toepassing was voor de opheffing ervan bij het koninklijk besluit van 11 juli 2003;

- artikel 25, inzonderheid § 1, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende de vaststelling van de toelatingsvoorwaarden en de werking van het Belgisch Bureau en het Gemeenschappelijk Waarborgfonds;

- algemeen rechtsbeginsel dat overmacht de fout uitschakelt en het verval belet van de uitoefening van een recht die de wet afhankelijk stelt van een bepaalde termijn;

- voor zover nodig, artikel 1148 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart de hogere beroepen van de eisers niet gegrond, bevestigt het beroepen vonnis in al zijn beschikkingen, en in het bijzonder in zoverre het de vorderingen van de eisers niet ontvankelijk had verklaard, en veroordeelt de eisers in de kosten van het hoger beroep van de verweerder, op grond van alle redenen en in het bijzonder op grond dat:

"Bespreking van verval van recht

1° Artikel 80, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, (artikel 19bis-11, § 1, 7°, van de wet van 21 november 1989) bepaalt de vergoeding die [de verweerder] verschuldigd is voor het herstel van de door de benadeelden geleden schade ‘wanneer de identiteit van het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet is vastgesteld; in dat geval wordt [de verweerder] in de plaats gesteld van de aansprakelijke persoon';

2° Volgens artikel 21, § 1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 (thans artikel 25, § 1, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003) tot uitvoering van voornoemde wet, 'moeten de benadeelden, op straffe van verval van recht, binnen de termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag van het ongeval, dit laatste aan [de verweerder] aangeven. Evenwel treedt geen verval van recht op voor hen die het schadegeval niet hebben aangegeven binnen de gestelde termijn, maar bewijzen dat [de verweerder] er op een andere wijze kennis van had.'

De partijen zijn het erover eens dat het een vervaltermijn betreft (niet vatbaar voor schorsing of stuiting) die in principe op de dag van het ongeval ingaat.

De voorwaarden die uitdrukkelijk zijn opgesomd in artikel 19bis-11, § 1, 1° tot 3°, van de wet van 21 november 1989 voor het uitstellen van de aanvang van de termijn, zijn hier niet van toepassing (afstand door de verzekeraar van zijn toelating of intrekking van zijn toelating, een opgelegd verbod van activiteit, faillissement van de verzekeraar of toevallig feit).

Er wordt niet betwist dat het ongeval niet binnen de termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de dag van het ongeval van 27 november 2000 aan [de verweerder] is aangegeven, en niets weerlegt de verklaring [van de verweerder] dat [hij] er niet op een andere wijze kennis van had.

Bijgevolg leidt het verstrijken van de termijn van vijf jaar in principe niet tot het verval van recht en derhalve tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering.

[De eisers] beroepen zich echter op een geval van overmacht - en het staat aan hen dat te bewijzen - wat kan leiden tot een verlenging van de termijn.

Zij menen dat het feit dat zij, zolang het strafonderzoek voortduurde waarvan ze de inhoud niet konden kennen voor dat onderzoek was afgesloten, in de onoverkomelijke onwetendheid verkeerden over de vraag of de bestelwagen al dan niet geïdentificeerd was. In hun ogen is dit een geval van overmacht wat ervoor zou hebben gezorgd dat de verjaringstermijn van vijf jaar niet is ingegaan voor het strafonderzoek werd afgesloten op 4 april 2001, namelijk de dag waarop het theoretisch mogelijk werd om het strafdossier te raadplegen. De vorderingen die zij voor 4 april 2006 hebben ingesteld zouden bijgevolg ontvankelijk zijn.

Het is aannemelijk dat [de eiser] - of [de eiseres] - niet a priori kon weten of iemand de nummerplaat van die bestelwagen heeft kunnen noteren, aangezien de eiser zeer ernstig gewond was en onmiddellijk met een ziekenwagen was weggevoerd en dat één van hen pas na de afsluiting van het strafdossier te weten kon komen dat voornoemd voertuig niet geïdentificeerd was.

De vervaltermijn van vijf jaar kan echter slechts worden verlengd wegens overmacht als degene die eraan is onderworpen tijdens de hele duur van die termijn niet heeft kunnen handelen.

In dat geval zou de termijn opnieuw beginnen lopen vanaf het tijdstip dat de onmogelijkheid tot handelen is opgehouden.

In casu werd het strafonderzoek afgesloten op 4 april 2001 en restte er dus vier en een half jaar om de aangifte [aan de verweerder] te doen. Zelfs de andere data die [de eiseres] of [de eiser] opgeven, (met name 23 februari 2005, datum waarop AGF, WAM-verzekeraar [van de eiser], heeft meegedeeld dat het strafdossier was geseponeerd, of 21 september 2005, datum waarop P&V, WAM-verzekeraar van de heer P., zijn weigering tot vergoeding heeft meegedeeld), die beduidend minder pertinent lijken, vallen nog binnen de termijn van vijf jaar.

Wat dat betreft maakt het niet uit te beschouwen dat er gedurende het gehele strafonderzoek niet kan worden gehandeld of dat, integendeel, een voorlopige aangifte van het ongeval [aan de verweerder] steeds een mogelijkheid is om zijn rechten te vrijwaren daar [de eiseres] en [de eiser] in elk geval met volledige kennis van zaken konden handelen na kennis te hebben genomen van het afgesloten strafdossier en voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar.

Zij kunnen zich niet beroepen op overmacht (cf. Bergen, 10 januari 1978, R.G.A.R., 1981, p. 10311): ' de oorspronkelijke eisers waren bij een vastgestelde termijn met verval tot gevolg niet verhinderd te handelen door overmacht, maar door nalatigheid of om een andere reden, die enkel van hun wil afhankelijk is, waardoor zij niet hebben voldaan aan de dwingende vormvereiste op grond waarvan [de verweerder] in het geding kon zijn betrokken').

Zoals de eerste rechter heeft beslist, moeten zowel de hoofdvordering als de vordering tot vrijwillige tussenkomst onontvankelijk worden verklaard wegens verval van recht. Het vonnis wordt bevestigd".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 80, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals het van toepassing was voor de opheffing ervan bij de wet van 22 augustus 2002, bepaalde:

"Elke benadeelde kan [van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds] de vergoeding bekomen van de schade voortvloeiende uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt;

1° wanneer de identiteit van het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet is vastgesteld; in dat geval wordt [het Fonds] in de plaats gesteld van de aansprakelijke persoon".

Artikel 19bis-11, § 1, 7°, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, ingevoegd bij de wet van 22 augustus 2002, bepaalt evenzo dat "elke benadeelde [van het Fonds] de vergoeding kan bekomen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt indien het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt niet kan worden geïdentificeerd" en dat [het Fonds] in dat geval in de plaats wordt gesteld van de aansprakelijke persoon.

Krachtens artikel 21, § 1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981, zoals het van toepassing was voor de opheffing ervan bij het koninklijk besluit van 11 juli 2003 "moeten de benadeelden, op straffe van verval van recht, binnen de termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag van het ongeval, dit laatste aan [het Fonds] aangeven. Evenwel treedt geen verval van recht op voor hen die het schadegeval niet hebben aangegeven binnen de gestelde termijn, maar bewijzen dat [het Fonds] er op een andere wijze kennis van had.'

Artikel 25, § 1, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende de vaststelling van de toelatingsvoorwaarden en de werking van het Belgisch Bureau en [het Fonds] bepaalt op gelijke wijze dat "de benadeelden, op straffe van verval van recht, binnen de termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag van het ongeval, dit laatste aan [het Fonds] moeten aangeven. Evenwel treedt geen verval van recht op voor hen die het schadegeval niet hebben aangegeven binnen de gestelde termijn, maar bewijzen dat [het Fonds] er op een andere wijze kennis van had".

Het litigieuze ongeval deed zich voor op 27 november 2000, en de eisers beschikten zowel overeenkomstig artikel 21 van het koninklijk besluit van 18 december 1981 als artikel 25 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 over een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf die datum om voornoemd ongeval [aan het Fonds] aan te geven. Die termijn wordt als een vervaltermijn beschouwd, en kan dus in principe niet verlengd worden op grond van schorsing of stuiting. Die termijn kan evenwel verlengd worden als degene die eraan onderworpen is, door overmacht tijdens de volledige termijn of een gedeelte ervan verhinderd was om te handelen.

[Het bestreden vonnis] stelt vast dat de eisers het ongeval niet overeenkomstig de artikelen 21 van het koninklijk besluit van 16 december 1981 en 25 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 aan de verweerder hebben aangegeven binnen de termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het ongeval, aangezien de voornoemde termijn is verstreken voor de dagvaarding en de vrijwillige tussenkomst van de eisers, die dagtekenen van 25 januari 2006 en 10 maart 2006.

De eisers beroepen zich echter op overmacht als rechtvaardigingsgrond voor de verlenging van de termijn. De eisers verklaren immers dat zij tijdens de gehele duur van het strafonderzoek in de onoverkomelijke onwetendheid verkeerden over het feit dat de litigieuze bestelwagen niet was geïdentificeerd en dat die onoverkomelijke onwetendheid een geval van overmacht was. De eisers hebben dus pas na de seponering van het strafdossier op 4 april 2001 kunnen vaststellen dat de bestelwagen nog steeds niet geïdentificeerd was en dus de vergoeding van de verweerder kunnen vorderen. De eisers voerden aan dat zij op 25 januari 2006 en 10 maart 2006 nog mochten optreden tegen de verweerder, aangezien de termijn van vijf jaar was verlengd met de duur van de onmogelijkheid die de overmacht had veroorzaakt.

[Het bestreden vonnis] aanvaardt het bestaan van overmacht aan de zijde van de eisers tot op de datum van het afsluiten van het strafonderzoek en stelt dat "men kan aannemen dat [de eiser] - of [de eiseres] - niet a priori kon weten of iemand de nummerplaat van die bestelwagen heeft kunnen noteren, aangezien de eiser zeer ernstig gewond was en onmiddellijk met een ziekenwagen was weggevoerd en dat één van hen pas na de afsluiting van het strafdossier te weten kon komen dat voornoemd voertuig niet geïdentificeerd was".

Het overweegt "echter" dat de vervaltermijn van vijf jaar slechts kan worden verlengd wegens overmacht als degene die eraan onderworpene is, tijdens de hele duur van die termijn niet heeft kunnen handelen".

[Het bestreden vonnis] oordeelt bijgevolg dat de eisers zich niet kunnen beroepen op overmacht en dat hun recht om tegen de verweerder op te treden vervallen is, op grond dat de eisers niet in de onmogelijkheid verkeerden om te handelen "tijdens de gehele termijn" van vijf jaar waarbinnen zij het ongeval [aan de verweerder] moesten aangeven, maar enkel tijdens een gedeelte van die termijn.

[Het bestreden vonnis] beslist aldus dat een termijn waarbinnen een partij een handeling moet vervullen, slechts wegens overmacht kan worden verlengd als die overmacht tijdens die gehele termijn heeft voortgeduurd.

Het is bijgevolg niet naar recht verantwoord.

[Het bestreden vonnis] neemt immers terecht aan dat een vervaltermijn, zoals de termijn van vijf jaar waarbinnen een benadeelde zijn ongeval aan de verweerder moet aangeven, kan worden verlengd in geval van overmacht. Zo rechtvaardigt overmacht dat een partij een handeling, die volgens de wet binnen een welbepaalde termijn moet plaatsvinden, niet verricht en dat die partij gedurende de gehele termijn of een gedeelte daarvan die handeling onmogelijk kon verrichten. De overmacht die de betrokkene belet een welbepaalde handeling te verrichten tijdens een gedeelte van de termijn waarover hij daartoe beschikt, heeft tot gevolg dat die termijn wordt verlengd met de tijd die overeenstemt met de door die overmacht veroorzaakte onmogelijkheid om te handelen. Dat zou onder meer het geval zijn als de periode van overmacht zou eindigen daags voor het einde van de wettelijke termijn.

In tegenstelling tot wat het bestreden vonnis beslist, leidt de onmogelijkheid om te handelen gedurende een gedeelte van de wettelijk vervaltermijn tot verlenging wegens overmacht van die termijn met de duur van de onmogelijkheid om te handelen, zodat een wettelijk vervaltermijn dus alleen dan wegens overmacht niet wordt verlengd wanneer de onmogelijkheid om te handelen gedurende de gehele termijn zou hebben voortgeduurd.

[Het bestreden vonnis] is dus niet naar recht verantwoord en schendt alle in het middel aangevoerde wettelijke bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet, daar het beslist dat de eisers zich niet op overmacht kunnen beroepen ter verlenging van de termijn van vijf jaar waarbinnen ze het ongeval aan de verweerder moesten aangeven, op grond dat de bewuste onmogelijkheid niet gedurende de gehele termijn zou hebben voortgeduurd.

Het bestreden vonnis stelt trouwens: " Wat dat betreft maakt het niet uit te beschouwen dat er gedurende het gehele strafonderzoek niet kan worden gehandeld of dat, integendeel, een voorlopige aangifte van het ongeval [aan de verweerder] steeds een mogelijkheid is om zijn rechten te vrijwaren daar [de eiseres] en [de eiser] in elk geval met volledige kennis van zaken konden handelen na kennis te hebben genomen van het afgesloten strafdossier en voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar".

Die reden, namelijk dat het niet uitmaakt "te beschouwen" dat de eisers een voorlopige aangifte aan de verweerder konden doen, houdt geen verband met de beslissing van het bestreden vonnis en rechtvaardigt de beslissing niet om de vorderingen van de eisers wegens verval van recht niet ontvankelijk te verklaren. Het bestreden vonnis stelt immers "dat men kan aannemen dat [de eiser] - of [de eiseres] - niet a priori kon weten of iemand de nummerplaat van die bestelwagen heeft kunnen noteren, aangezien de eiser zeer ernstig gewond was en onmiddellijk met een ziekenwagen was weggevoerd en dat één van hen pas na de afsluiting van het strafdossier te weten kon komen dat voornoemd voertuig niet geïdentificeerd was". Om die reden erkent het bestreden vonnis overmacht aan de zijde van de eisers, waardoor zij het ongeval niet bij de verweerder hebben kunnen aangeven, maar beslist het vervolgens dat die overmacht de termijn van vijf jaar niet verlengt, aangezien de onmogelijkheid om te handelen wegens overmacht niet gedurende de gehele termijn zou hebben voortgeduurd. Zo is de reden op grond waarvan het bestreden vonnis bepaalt dat het niets ter zake doet te overwegen dat de eisers de voorlopige aangifte van het ongeval aan de verweerder konden doen zodra het zich had voorgedaan, overbodig en vreemd aan de beslissing dat de vorderingen van de eisers niet ontvankelijk zijn, aangezien het daarenboven beslist dat de eisers wel degelijk met overmacht te kampen hadden, waardoor ze het ongeval niet aan de verweerder hebben kunnen aangeven zolang het strafonderzoek niet was afgesloten.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste onderdeel

Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk "overmacht de fout uit-schakelt en het verval belet van de uitoefening van een recht die de wet afhankelijk stelt van een bepaalde termijn".

Wanneer overmacht zich voordoet in de loop van een vervaltermijn, wordt die termijn slechts verlengd met de tijd die nodig is om te handelen en niet met die welke overeenstemt met de duur van de verhindering.

Het middel, dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof

Verwerpt de voorziening;

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mi-reille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 24 september 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Overmacht