- Arrest van 9 oktober 2012

09/10/2012 - P.11.2120.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het in het eerste lid van het artikel 373 Strafwetboek bedoelde geweld of bedreiging als bestanddeel van het misdrijf aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd, sluit in dat het slachtoffer wegens fysieke dwang niet in de mogelijkheid was zich te onttrekken aan de feiten die het niet vrijwillig zou hebben geduld, of dat het wegens het onverhoeds handelen van de dader geen gelegenheid had om zich ertegen te verzetten, dan wel die feiten slechts duldde ten gevolge van een door morele dwang bij dit slachtoffer verwekte vrees voor een dreigend kwaad; het vermogen van het slachtoffer om zich te verzetten tegen het geweld of de bedreiging moet beoordeeld worden in het licht van de fysieke en mentale weerbaarheid van het slachtoffer waarbij onder meer ook de leeftijd van het slachtoffer of de gezagsrelatie tussen de dader en het slachtoffer medebepalende factoren kunnen zijn (1). (1) Zie: Cass. 7 maart 1989, AR 1930, AC 1988-1989, nr. 380 met conclusie adv.-gen. Guido D’Hoore.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.2120.N

P. J. A. D. H.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Bart Spriet, advocaat bij de balie te Turnhout,

tegen

I. T., in eigen naam en als vertegenwoordigster van haar minderjarige zoon G. T., burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 17 november 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 373 en 483 Strafwetboek: uit de door de appelrechters vastgestelde feiten vermochten zij het bestaan van geweld of bedreiging in de betekenis van voormelde wetsartikelen niet af te lei-den; aldus verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht dat de eiser schuldig is aan aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging.

2. Het in het eerste lid van het artikel 373 Strafwetboek bedoelde geweld of de bedreiging als bestanddeel van het misdrijf aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd, sluit in dat het slachtoffer wegens fysieke dwang niet in de mogelijkheid was zich te onttrekken aan de feiten die het niet vrijwillig zou hebben geduld, of dat het wegens het onverhoeds handelen van de dader geen gelegenheid had om zich ertegen te verzetten, dan wel die feiten slechts duldde ten gevolge van een door morele dwang bij dit slachtoffer verwekte vrees voor een dreigend kwaad.

Het vermogen van het slachtoffer om zich te verzetten tegen het geweld of de be-dreiging moet beoordeeld worden in het licht van de fysieke en mentale weer-baarheid van het slachtoffer. Hierbij kunnen onder meer ook de leeftijd van het slachtoffer of de gezagsrelatie tussen de dader en het slachtoffer medebepalende factoren zijn.

3. Het staat aan de rechter om in feite te oordelen of de door de beklaagde uit-gevoerde handelingen of uitgesproken woorden als geweld of bedreiging in de zin van de vermelde wetsartikelen moeten worden beschouwd. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

In zoverre het middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van feiten door de rechter of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet be-voegd is, is het niet ontvankelijk.

4. De appelrechters stellen vast dat:

- de feiten waaraan zij de eiser schuldig verklaren, meermaals plaatsvonden op niet nader te bepalen data in de periode van 1 mei 2003 tot 31 augustus 2008;

- het slachtoffer geboren is op 1 december 1994;

- de eiser als stiefvader gezag had over het slachtoffer;

- het slachtoffer onder meer verklaarde dat "als ik dat ook niet toeliet kwam die wel s aan spullen van het leger om mee te nemen naar huis", "dus voor Af-ghanistan is hij dat beginnen te zeggen maar dat van dat die mij wat zou aan-doen was van t begin" en "soms sloeg ik hem ook in zijne maag dat die zou stoppen maar dan zei die als ge dat nog s doet dan doe ik u wat."

Met die redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht dat "de door de [eiser] gepleegde aanrandingen werden gepleegd en door het minderja-rige slachtoffer werden ondergaan onder fysieke of zedelijke dwang."

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrech-ters beantwoorden niet het in eisers appelconclusie aangevoerde verweer dat het algemeen opzet als moreel misdrijfbestanddeel niet bewezen is.

6. Aanranding van de eerbaarheid is een opzettelijk misdrijf. Het veronderstelt dat de pleger de bij wet verboden handeling wil stellen, in de objectieve weten-schap dat deze immoreel of obsceen is.

7. Het arrest stelt vast dat de eiser verklaard heeft: "Het klopt dat ik onzedige aanrakingen heb gedaan op Glenn toen ik met hem ging douchen. (...) Hij vroeg zelf regelmatig om dit te doen. Ik vind dat aan de ene kant dat dit niet kan. Het mag inderdaad niet. (..) Ik heb tegen hem gezegd dat ik daarmee ging stoppen als hij groter werd." Aldus stelt het arrest vast dat de eiser ervan bewust was dat hij onzedige aanrakingen heeft gepleegd op het minderjarige slachtoffer toen hij met hem ging douchen. Met die overweging die de onopzettelijke of onbedoelde aard uitsluit van de aan de eiser toegeschreven onzedige aanraking, beantwoordt het ar-rest het bedoelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrech-ters beantwoorden niet het in eisers appelconclusie aangevoerde verweer dat de te-lastlegging niet bewezen is op basis van de concrete besluiten van de door hen aangestelde deskundige; zij halen het deskundigenverslag enkel aan bij de beoor-deling van de strafmaat, maar niet bij de beoordeling van de schuld.

9. De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op argumenten die tot staving van een middel zijn aangevoerd maar geen afzonderlijk middel vormen.

10. Het verweer waarnaar de eiser in het onderdeel verwijst, bevat enkel een bijkomend argument ter staving van zijn verweer dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde feit.

11. De appelrechters hoefden dat argument niet afzonderlijk te weerleggen. Ze beantwoorden eisers verweer over diens schuld met de redenen die het arrest be-vat.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

12. Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8 Probatiewet: de krachtens artikel 378 Strafwetboek verplichte ontzet-ting van de rechten, genoemd in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek, is een bijko-mende straf; krachtens artikel 8 Probatiewet kan ook voor die straf uitstel van de tenuitvoerlegging worden verleend; uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser toepassing heeft gevraagd van de Probatiewet; de appel-rechters gelasten het uitstel van de tenuitvoerlegging van de hoofdgevangenisstraf, maar niet van de bijkomende straf van de ontzetting; die beslissing waarbij het uitstel voor de bijkomende straf wordt geweigerd, is niet met redenen omkleed.

13. Het feit dat de rechter een deskundige aanstelt om het met redenen omkleed advies, bedoeld in artikel 9bis Probatiewet, uit te brengen, houdt niet in dat de ei-ser om uitstel van tenuitvoerlegging heeft gevraagd.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser om uitstel van tenuitvoerlegging van de straf heeft gevraagd.

Bij ontstentenis van daartoe strekkende vraag, vereist artikel 195 Wetboek van Strafvordering niet dat de rechter uitdrukkelijk de redenen vermeldt waarom hij geen uitstel of probatie-uitstel verleent.

De appelrechters vermelden de redenen waarom zij uitstel van tenuitvoerlegging van de hoofdgevangenisstraf verlenen. Zij dienden niet te motiveren waarom zij het niet-gevraagde uitstel van tenuitvoerlegging van de bijkomende straf van de ontzetting niet verlenen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

14. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters veroordelen de eiser tot betaling aan de verweerster I. T. in eigen naam van een morele schadevergoeding van 250 euro, te vermeerderen met de vergoedende inte-rest vanaf 1 januari 2006; zij beantwoorden evenwel niet het in eisers appelcon-clusie aangevoerde verweer dat de verweerster I. T. "zelf stelt pas kennis te hebben gekregen van de feiten sedert 6/2008 zodat in extremis eventuele morele schade derhalve slechts vanaf dan ontstaat."

15. Het arrest veroordeelt de eiser tot betaling van een schadevergoeding van 250 euro aan de verweerster in eigen naam, "meer de vergoedende interesten vanaf de gemiddelde datum 1 januari 2006", zonder eisers verweer over de aan-vangsdatum van verweersters schade te beantwoorden.

Het middel is gegrond.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het arrest in zoverre dit de aan de verweerster I. T. in eigen naam toe-gekende schadevergoeding vermeerdert met de vergoedende interesten vanaf 1 ja-nuari 2006.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de verweerster tot één vijfde van de kosten en veroordeelt de eiser tot de overige kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Bepaalt de kosten op 183,48 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de open-bare rechtszitting van 9 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Lievens

P. Hoet L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging

  • Geweld of bedreiging

  • Begrip

  • Beoordeling

  • Criteria