- Arrest van 22 oktober 2012

22/10/2012 - S.11.0076.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 24 juni 2004 volgt dat het sociaal onderzoek moet gebeuren vóór het beginselakkoord van de aanvrager van maatschappelijke hulp voor huisvesting in een opvangcentrum (1) (2). (1) KB 24 juni 2004, vóór de wijziging ervan bij het KB van 1 juli 2006. (2) Zie Cass. 15 juni 2009, AR S.08.0057.F, AC 2009, nr. 407.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0076.F

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BRUSSEL,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

M. N., in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 16 maart 2011 van het arbeids-hof te Brussel.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Luidens artikel 57, § 2, 2°, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt, in afwijking van de andere wetsbepalingen, de taak van het OCMV beperkt tot het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. In dat geval wordt de maat-schappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ont-wikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcen-trum overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels bepaald door de Koning.

Krachtens artikel 3 van het koninklijk besluit van 24 juni 2004 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft, voor de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 1 juli 2006, gaat het OCMW op basis van een sociaal onderzoek na of alle wettelijke voorwaarden vervuld zijn zoals bedoeld in artikel 57, § 2, 2°, van de wet van 8 juli 1976.

Artikel 4 van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt dat, wanneer de voorwaarden vervuld zijn, het OCMW de aanvrager meedeelt dat hij materiële hulp kan aan-vragen in een federaal opvangcentrum.

Uit voornoemde artikelen 3 en 4 kan worden afgeleid dat het sociaal onderzoek moet gebeuren voor het beginselakkoord van de aanvrager van maatschappelijke hulp met huisvesting in een opvangcentrum.

Het arrest vermeldt dat "de rechtbank ook erop gewezen heeft dat het document van de verwerping ter ondertekening was voorgelegd [aan de verweerder] op de dag zelf van de aanvraag, namelijk zeker voordat het sociaal onderzoek (dat ver-ondersteld wordt de omvang van de noden van de kinderen te diagnostiseren) werd gevoerd [...]; dat de rechtbank, op grond van die overwegingen en andere redenen van zijn beslissing, wettig heeft beslist dat de beslissing van [de eiser] niet gerechtvaardigd was en dat de behoeftigheid niet wettig werd vastgesteld; dat artikel 57, § 2, 2°, een afwijkende bepaling is die [de eiser] kan ontslaan van zijn taak om de meest geschikte hulp te bieden en dat daaruit volgt dat [de eiser], als de voorwaarden van artikel 57, § 2, 2°, niet zijn nageleefd, niet ontslaan is van zijn taak", en bijgevolg verantwoordt het arrest zijn beslissing naar recht, namelijk dat de eiser niet ontslaan is van zijn taak om de meest geschikte hulp te bieden aan de minderjarige kinderen van de verweerder.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Die grond van het arrest waartegen het middel tevergeefs opkomt, volstaat om zijn beslissing te verantwoorden zodat het middel voor het overige niet tot cassatie kan leiden en dus niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille De-lange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 22 oktober 2012 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Aanvrager

  • Sociaal onderzoek

  • Huisvesting in opvangcentrum

  • Toestemming van de aanvrager