- Arrest van 22 oktober 2012

22/10/2012 - S.11.0087.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De partij in een arbeidsovereenkomst die beweert bevrijd te zijn van haar verplichting om die overeenkomst uit te voeren omdat de andere partij in gebreke is gebleven en aldus haar wil heeft te kennen gegeven om de overeenkomst te wijzigen en bijgevolg te beëindigen, moet, overeenkomstig het tweede lid van artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek, het bewijs leveren van die wil van de andere partij (1). (1) Zie de conclusie van het openbaar ministerie in Pas. nr. …


Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0087.F

Y. C.,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

M. B.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 6 oktober 2010.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 20 september 2012 een conclusie neergelegd op de griffie.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot werd in zijn conclusie gehoord.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 39, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsover-eenkomsten;

- algemeen rechtsbeginsel betreffende de eerbiediging van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het hervormt het beroepen vonnis in zoverre het de oorspronkelijke vordering van de verweerder tot betaling van een vergoeding wegens willekeurig ontslag heeft aangenomen en verklaart, bij wege van nieuwe beschikkingen, die vordering ongegrond en wijst ze af, maar bevestigt dat vonnis in zoverre het de eiser had veroordeeld 1. tot de betaling van een verbrekingsvergoeding van 4.603,97 euro bruto en een eindejaarspremie van 771,74 euro bruto, te vermeerderen met de intrest tegen de wettelijke rentevoet vanaf 27 juli 2001, 2. tot het afleveren van de sociale documenten en 3. in de kosten van de procedure. Het arrest verklaart de tegenvorderingen van de eiser verjaard of ongegrond en veroordeelt de eiser in de kosten van het hoger beroep. Het arrest steunt zijn beslissing op volgende gronden:

"III.1.2. Standpunt van het arbeidshof

III.1.2.1. De partijen spreken mekaar tegen over de feiten en geen van beiden reikt voldoende elementen aan om het arbeidshof te overtuigen. Er zijn verschillende tegenstrijdigheden in elke aangehangen stelling:

a) [De verweerder] betwist niet dat hij geen recht meer had op vakantiedagen. Hij beweert regelmatig overuren te hebben gepresteerd om enkele recuperatiedagen te krijgen maar hij levert geen enkel bewijs van die bewering. Hij legt al zijn loonbriefjes van november 2000 tot mei 2001 voor en er kan alleen maar worden vastgesteld dat geen enkel loonbriefje gepresteerde overuren vermeldt;

b) [De verweerder] beweert maar bewijst niet dat zijn werkgever zijn aanvraag voor vakantie had ingewilligd. Hij bewijst zelfs niet die vakantiedagen te hebben gevraagd. Waarom heeft hij zijn werkgever geen schriftelijke bevestiging gestuurd van het onderhoud dat hij met laatstgenoemde beweert te hebben gehad, op een datum die hij niet nader bepaalt maar wel degelijk situeert voor 13 juli 2001?

c) In zijn verklaring heeft de heer K. H. het over een ontmoeting op dinsdag 17 juli 2001 in de kantoren van de marmerslijperij (die volgens [de verweerder] die dag weliswaar gesloten was), om het loon van de maand juni te ontvangen. [De eiser] betwist dat onderhoud. Uit stuk 10 van [eisers] dossier blijkt dat de bankrekening van [laatstgenoemde] op 20 juli 2001 gedebiteerd werd met de som van 24.168 frank (599,11 euro), wat de stelling van een onderhandse overschrijving lijkt te bevestigen die vóór 20 juli 2001 (de datum waarop [de verweerder] beweert naar Marokko te zijn vertrokken) in de brievenbus van de bank werd gedeponeerd;

d) Uit stuk 17 van [verweerders] dossier blijkt dat de bankrekening van laatstgenoemde op 21 juli gecrediteerd werd met de som van 24.168 frank (599,11 euro), namelijk het loon van de maand juni, wat overeenstemt met het voorgaande. Uit dat document blijkt echter dat [de verweerder] op 23 juli 2001 van diezelfde rekening contant geld heeft afgehaald hetgeen zijn vertrek naar Marokko vanaf 20 juli 2001 tegenspreekt. Het is dus verwonderlijk, ook volgens [de eiser], dat [de verweerder] niet gereageerd heeft op de ingebrekestelling die hem op 20 juli 2001 aangetekend en per gewone post werd toegezonden;

e) Het feit dat [het] formulier C78 op 13 juli 2001 was opgesteld, namelijk de laatste dag waarop de kantoren en werkplaatsen van de firma Crombé geopend waren, is vrij verwarrend in zoverre alle andere formulieren van hetzelfde type die aan het dossier van [de verweerder] zijn toegevoegd, op het einde van de maand werden ondertekend;

f) Als [de eiser] rekende op de aanwezigheid op het werk van [de verweerder] vanaf 16 juli 2001, waarom heeft hij dan gewacht tot vrijdag 20 juli om hem naar de reden van zijn afwezigheid te vragen?

Het is onmogelijk te weten welke van beide partijen de waarheid spreekt en het getuigenbewijs dat [de verweerder] aanreikt kan niet worden aangenomen aangezien het niet redelijk is om tien jaar na de feiten een onderzoek op te starten.

III.1.2.2. De beginselen die hier van toepassing zijn staan hoe dan ook niet toe de stelling te volgen van de stilzwijgende verbreking van de arbeidsovereenkomst door [de verweerder]

Het Hof van Cassatie heeft herhaaldelijk (...) erop gewezen dat 'het verzuim van haar verplichtingen door een partij de overeenkomst als dusdanig niet beëindigt'. Om er een einde aan te stellen moet er een duidelijke wilsuiting aanwezig zijn in die zin.

De afwezigheid van de arbeider op het werk, al is die niet gerechtvaardigd, stelt op zich geen einde aan de arbeidsovereenkomst. Hoewel men door niet-gerechtvaardigd afwezig te zijn tekortkomt aan de verplichting de overeengekomen arbeid te verrichten, kan dit worden uitgelegd met redenen die vreemd zijn aan elke wil om de arbeidsrelatie te beëindigen.

De partij die de stilzwijgende verbreking door de andere partij aanvoert, moet bewijzen dat de medecontractant de overeenkomst eenzijdig wil beëindigen.

III.1.2.3. In dit geval kan de afwezigheid [van de verweerder] op het werk gezien worden als een fout, aangezien hij niet bewijst dat zijn werkgever het ermee eens was dat hij vanaf 16 juli 2001 vakantie nam.

Toch bewijst die contractuele fout op zich niet de wil [van de verweerder] om de overeenkomst eenzijdig te beëindigen en levert [de eiser] niet het bewijs van de omstandigheden waardoor een dergelijke intentie [van de verweerder] kan worden bewezen.

Bijgevolg heeft [de eiser] onterecht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst [door de verweerder] vastgesteld.

[De verweerder] heeft recht op een opzeggingsvergoeding en een eindejaarspremie. Het beroepen vonnis wordt op die punten bevestigd.

III.1.2.4. Rekening houdend met wat voorafgaat, kan [de eiser] geen aanspraak maken op een opzeggingsvergoeding ten laste van [de verweerder]. (...).

III.3. Inzake de vordering tot schadevergoeding wegens, ‘tergende, roekeloze niet-gegronde procesvoering'

De procedure kan niet worden beschouwd als ‘tergend, roekeloos en niet-gegrond' aangezien de oorspronkelijke vordering [van de verweerder] ruimschoots werd ingewilligd."

Grieven

Artikel 39, § 1, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt dat als de overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten is, de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in de artikelen 59, 82, 83, 84 en 115, gehouden is de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn.

In casu ontving de door de eiser tewerkgestelde verweerder de gevraagde compenserende opzeggingsvergoeding en eindejaarspremie, terwijl de tegenvorderingen van de eiser betreffende een opzeggingsvergoeding en een vergoeding wegens tergende, roekeloze en niet-gegronde procesvoering ten laste van de verweerder werden verworpen omdat de eiser onterecht de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de verweerder had vastgesteld.

Eerste onderdeel

Overeenkomstig artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek, moet de werknemer die de onrechtmatige verbreking van zijn arbeidsovereenkomst door zijn werkgever aanvoert daarvan het bewijs leveren.

De verweerder eiste een compenserende opzeggingsvergoeding en een vergoeding wegens willekeurig ontslag (en ook de eindejaarspremie). Hij moest bijgevolg het bewijs leveren dat de eiser de arbeidsovereenkomst op onrechtmatige wijze had beëindigd.

Zoals het arrest vaststelt, had de eiser in zijn aangetekend schrijven van 27 juli 2001 geoordeeld dat de verweerder de arbeidsovereenkomst vrijwillig had beëindigd en dat hij dus niet langer meer zijn werknemer was. De eiser stelde derhalve vast dat de werknemer de arbeidsovereenkomst had verbroken.

De partij die onterecht de impliciete beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de andere partij inroept, verbreekt zelf de arbeidsovereenkomst.

De verweerder die oorspronkelijk eiser was, moest bijgevolg het bewijs leveren dat de eiser onterecht ervan was uitgegaan dat de verweerder de arbeidsovereenkomst impliciet had beëindigd. Daartoe kon de verweerder bewijzen dat hij niet verzaakt had aan een verplichting uit de arbeidsovereenkomst of, zo er sprake was van verzuim, hij hierbij niet de wil had geuit om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

Het arrest stelt niet-bekritiseerd vast, dat "in casu, de afwezigheid op het werk [van de verweerder] als een fout kan worden beschouwd". De verweerder moest bijgevolg het bewijs leveren dat hij niet de wil had om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

Door de bewijslast van de omstandigheden die een dergelijke intentie van de verweerder kunnen aantonen daarentegen bij de eiser te leggen, miskent het arrest de regels betreffende de bewijslast (schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek) en kon het bijgevolg niet wettig de vordering van de verweerder gedeeltelijk ontvankelijk verklaren en de tegenvorderingen van de eiser verwerpen.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het arrest vermeldt dat de eiser de verweerder met een arbeidsovereenkomst heeft aangeworven, hij de afwezigheid van de verweerder heeft vastgesteld en hem tweemaal in gebreke heeft gesteld om de redenen van die afwezigheid niet mede te delen en, in een laatste aangetekend schrijven, "geoordeeld heeft dat [de ver-weerder] vrijwillig een einde aan zijn arbeidsovereenkomst had gesteld en niet meer zijn werknemer was".

Eerste onderdeel

Artikel 1315 Burgerlijk Wetboek bepaalt in het eerste lid dat hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan moet bewijzen, en in zijn tweede lid dat, omgekeerd, hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweegge-bracht. Luidens artikel 870 Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs le-veren van de feiten die zij aanvoert.

De partij in een arbeidsovereenkomst die beweert bevrijd te zijn van haar ver-plichting om die overeenkomst uit te voeren omdat de andere partij in gebreke is gebleven en aldus haar wil heeft te kennen gegeven de overeenkomst te wijzigen en bijgevolg te beëindigen, moet, overeenkomstig het tweede lid van artikel 1315 Burgerlijk Wetboek, het bewijs leveren van die wil van de andere partij.

Het arrest dat uitspraak doet over de vordering van de verweerder tot het betalen van een opzeggingsvergoeding en eindejaarspremie, legt de bewijslast "van de omstandigheden die de intentie van de verweerder om de arbeidsovereenkomst eenzijdig te beëindigen kunnen aantonen" bij de eiser en schendt hiermee de voornoemde wettelijke bepalingen niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille De-lange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 22 oktober 2012 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Arbeidsovereenkomst

  • Wijziging van de overeenkomst

  • Wil om de overeenkomst te beëindigen

  • Bewijs

  • Bewijslast