- Arrest van 25 oktober 2012

25/10/2012 - C.11.0496.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Werquin.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0496.F

KERKFABRIEK SAINT-HADELIN DE LAMINE,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

GEMEENTE REMICOURT,

Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 18 januari 2010.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft op 12 september 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 1 en 23 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte;

- de artikelen 1 en 9 van de wet van 27 mei 1870 houdende vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten inzake onteigening ten algemenen nutte.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt eerst, onder meer met verwijzing naar het feitenrelaas en het voorwerp van de vordering die vervat zijn in de beslissing van de eerste rechter, de volgende feiten vast: 1. de eiseres was eigenaar in Remicourt van een perceel van 5006 m²; ter zitting van 25 september 1990 heeft het college van burgemeester en schepenen van de verweerster de wens geuit dat perceel ten algemenen nutte aan te kopen om er een nieuw scholencomplex te bouwen; de verweerster heeft het aankoopcomité te Luik opgedragen de kwestieuze aankoopprocedure in te zetten en zij heeft de eiseres ingelicht; 2. de raad van de eiseres heeft op een vergadering van 22 januari 1991 beslist het voornoemde perceel "uit de hand en om redenen van openbaar nut te vervreemden, onder voorbehoud van machtiging door de Koning en met de toestemming van de diocesane overheid, ten voordele van het gemeentebestuur van Remicourt om er een scholencomplex op te trekken" tegen de prijs van 2.240.000 frank, inclusief alle vergoedingen; onder meer met betrekking tot die beslissing heeft de gemeenteraad van de verweerster ter zitting van 23 febru-ari 1991 beslist het perceel ten algemenen nutte tegen die prijs aan te kopen; op 6 december 1991 heeft de eiseres een verkoopbelofte ondertekend om de grond aan de verweerster te verkopen tegen een prijs van 2.240.000 frank; de gemeenteraad van de verweerster heeft op 7 december 1991 beslist het perceel aan te kopen onder de in die belofte vervatte voorwaarden en het aankoopcomité te Luik opgedragen de akten op te maken en te tekenen ten name van en voor rekening van het gemeentebestuur; de aankoopakte werd op 29 januari 1992 getekend; 3. het plan om een school te bouwen op de door de verweerster gekochte grond werd opgegeven; de eiseres heeft in een brief van 9 april 2008 de verweerster gevraagd het perceel terug te geven op grond dat het werd onteigend maar niet de geplande bestemming had gekregen; de verweerster heeft die vordering betwist op grond dat het perceel uit de hand werd verkocht en niet werd onteigend; 4. bij exploot van 12 juni 2008 heeft de eiseres de verweerster gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Luik teneinde de teruggave van het litigieuze perceel te verkrijgen tegen de prijs van 55.528,15 euro (het equivalent van 2.240.000 frank) krachtens artikel 23 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte; de rechtbank heeft bij vonnis van 2 september 2009 de vordering van de eiseres afgewezen; de eiseres heeft hoger beroep ingesteld,

vervolgens verklaart het arrest het hoger beroep niet-gegrond, bevestigt het beroepen vonnis en veroordeelt de eiseres in de kosten.

Het arrest grondt die beslissing op de onderstaande redenen:

"(De eiseres) betoogt dat zij recht heeft op teruggave van de grond krachtens artikel 23 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte, en meer bepaald krachtens het woord ‘aangekochte' dat de wetgever gebruikt in het begin van het artikel dat als volgt luidt: ‘Indien de voor werken van algemeen nut aangekochte gronden [...]'. Zij is van oordeel dat het woord ‘aangekochte' betekent dat zowel bij minnelijke overdracht als bij onteigening teruggave verschuldigd is, daar artikel 23, volgens haar, een algemene draagwijdte heeft en doelt op elke aankoop voor werken van algemeen nut, dus zowel de minnelijke overdracht als de door de rechter bevolen overdracht.

Krachtens artikel 1 van de wet van 27 mei 1870 houdende vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten inzake onteigening ten algemenen nutte geschiedt ‘de onteigening ten algemenen nutte (...) krachtens een wet of een koninklijk besluit waarbij de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, wordt toegestaan'. In deze zaak blijkt uit geen enkel stuk waarop het hof [van beroep] vermag acht te slaan dat het litigieuze perceel dat vóór 29 januari 1992 toebehoorde aan (de eiseres) het voorwerp heeft uitgemaakt van een wet of van een koninklijk besluit. Daaruit volgt dat er voor het litigieuze goed geen enkele onteigeningsprocedure werd ingesteld, daar de verkoop uit de hand niet via een dergelijke procedure is gebeurd. Dat blijkt ook uit de stukken van vóór de verkoop van 29 januari 1992, aangezien geen enkel van die stukken ook maar enigszins gewag maakt van enige onteigening. Bovendien hangt het begrip openbaar nut niet noodzakelijk samen met onteigening.

Artikel 1 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte begint als volgt: ‘Bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen zullen het besluit en het aanwijzingsplan der werken en der te onteigenen percelen [...]'. Met de uitdrukking ‘bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen' heeft de wetgever beslist dat minnelijke, onderhandse overdrachten noodzakelijkerwijs buiten de toepassingssfeer vallen van de wetsbepalingen over de onteigeningsprocedure.

Uit al die overwegingen volgt dat de vordering van (de eiseres), in zoverre zij steunt op de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemenen nutte, niet gegrond is.

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 23, eerste en tweede lid, van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte bepaalt: "Indien de voor werken van algemeen nut aangekochte gronden die bestemming niet krijgen, zal een volgens in artikel 6, titel II van de wet van 8 maart 1810 aangeduide wijze afgekondigd bericht de gronden doen kennen die het bestuur kan weerverkopen. Binnen drie maanden na die bekendmaking zijn de oude eigenaars, die de eigendom van bedoelde gronden willen terugkopen, op straf van vervallenverklaring gehouden zulks te verklaren. Ingeval het bestuur dat bericht niet afkondigt, kunnen de oude eigenaars of hun rechthebbenden de teruggave van die gronden vragen; en die teruggave zal in rechte worden bevolen op de verklaring van het bestuur dat ze niet meer bestemd zijn om te dienen voor de werken waarvoor ze werden aangekocht".

Die bepaling is van toepassing op alle " voor werken van algemeen nut aangekochte gronden", zonder onderscheid tussen de gronden die via gerechtelijke weg werden onteigend overeenkomstig de artikelen 1 tot 22 van die wet en die welke in der minne werden overgedragen na een beslissing van de onteigenende overheid om het goed voor openbaar nut aan te kopen. Wie aanvaard heeft zijn goed over te dragen voor een bestemming van openbaar nut die de administratie beslist heeft eraan te geven, verliest immers zijn eigendom om redenen van openbaar nut, net als degene die zijn goed niet vrijwillig wil overdragen, waardoor de administratie verplicht wordt het via gerechtelijke weg te onteigenen.

Artikel 1 van de wet van 17 april 1835 luidens hetwelk "bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen [...] het besluit en het aanwijzingsplan der werken en der te onteigenen percelen, alsmede de stukken van het bestuurlijk onderzoek [zullen] worden neergelegd op de griffie van de rechtbank waar de goederen gelegen zijn, op welke griffie de betrokken partijen zonder kosten inzage ervan mogen nemen tot de vergoeding definitief geregeld is" staat niet eraan in de weg dat artikel 23 van die wet geldt voor aankopen voor openbaar nut die gebeuren via een "overeenkomst tussen de partijen". De bewoordingen " bij gebreke van een minnelijke overeenkomst" vertalen de voorkeur van de wetgever om aankopen van openbaar nut in der minne te regelen. Zodra een aankoop voor openbaar nut is gebeurd, ofwel in der minne, ofwel na afloop van de procedure als bepaald bij de artikelen 1 tot 22 van de wet, kunnen de voormalige eigenaars wier goederen "voor werken van openbaar nut" zijn aangekocht, aanspraak maken op het in artikel 23 van de wet bedoelde recht.

Artikel 1 van de in de aanhef van het middel vermelde wet van 27 mei 1870 bepaalt weliswaar dat "de onteigening ten algemenen nutte geschiedt krachtens een wet of een koninklijk besluit waarbij de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, wordt toegestaan" en dat "het koninklijk besluit [...] niet [kan] genomen worden dan na onderzoek", maar behoudt het recht op teruggave van de goederen die zijn aangekocht voor werken van algemeen nut in de zin van artikel 23 van de wet van 17 april 1835 niet uitsluitend voor aan de eigenaars van goederen die onteigend zijn volgens de onteigeningsprocedures waarvoor een wet of een koninklijk besluit de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, heeft toegestaan. De bepalingen van de wet van 27 mei 1870 hebben immers niet alleen betrekking op onteigeningen via gerechtelijke weg, aangezien artikel 9 van die wet ook "de minnelijke overeenkomsten" betreft.

In deze zaak werd het litigieuze goed, zoals het arrest vaststelt, weliswaar niet onteigend via een onteigeningsprocedure waarvoor een wet of een koninklijk besluit de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, zou hebben toegestaan, maar toch volgt uit de vaststellingen van het arrest en inzonderheid uit die van eerste rechter waarnaar het verwijst, dat het college van burgemeester en schepenen van de verweerster de wens heeft geuit om de gronden van de eiseres "ten algemenen nutte [aan te kopen] om er een nieuw scholencomplex te bouwen"; dat de eiseres besloten heeft de grond "uit de hand" maar "om redenen van opbaar nut" te vervreemden, dat de gemeenteraad van de verweerster beslist heeft die aankoop "ten algemenen nutte" te doen. Het arrest dat de eiseres het recht ontzegt op teruggave van het overgedragen goed nadat het plan om een school te bouwen werd opgegeven, op grond dat het litigieuze goed niet het voorwerp heeft uitge-maakt van een onteigeningsprocedure voorafgegaan door een wet of een koninklijk besluit waarbij de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, wordt toegestaan, maar in der minne werd overgedragen, schendt bijgevolg de artikelen 1 en 23 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte alsook de artikelen 1 en 9 van de in de aanhef van het middel vermelde wet van 27 mei 1870.

Bovendien moeten wetten bij voorkeur worden uitgelegd in de zin waarin ze met de Grondwet stroken. Indien het in artikel 23 bedoelde recht slechts zou gelden voor de eigenaars van goederen die werden onteigend krachtens een wet of een koninklijk besluit waarbij de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, wordt toegestaan, met uitsluiting van de eigenaars van de goederen die om redenen van algemeen nut werden overgedragen waarvoor een dergelijke procedure niet wordt aangewend, dan zou artikel 23 van de wet van 17 april 1835 een discriminatie doen ontstaan tussen de personen wier goed hun om redenen van algemeen nut wordt ontnomen en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Betreffende de door de verweerster tegen het onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel heeft geen belang

Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid is nauw verbonden met dat van het middel.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

De gegrondheid van het middel

Artikel 23, eerste en tweede lid, van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte bepaalt dat, indien de voor werken van algemeen nut aange-kochte gronden die bestemming niet krijgen, een volgens in artikel 6, titel II van de wet van 8 maart 1810 aangeduide wijze afgekondigd bericht de gronden zal doen kennen die het bestuur kan weerverkopen. Binnen drie maanden na die be-kendmaking zijn de oude eigenaars, die de eigendom van bedoelde gronden willen terugkopen, op straf van vervallenverklaring gehouden zulks te verklaren. Ingeval het bestuur dat bericht niet afkondigt, kunnen de oude eigenaars of hun rechthebbenden de teruggave van die gronden vragen; en die teruggave zal in rechte worden bevolen op de verklaring van het bestuur dat ze niet meer bestemd zijn om te dienen voor de werken waarvoor ze werden aangekocht.

Die bepaling doelt op alle wijzen van verkrijging, dus zowel via een minnelijke regeling als via gerechtelijke onteigening overeenkomstig de artikelen 1 tot 22 van die wet van 17 april 1835.

Uit het arrest blijkt dat de verweerster de wens heeft geuit het perceel van de eise-res "ten algemenen nutte [aan te kopen] om er een nieuw scholencomplex te bou-wen", dat eiseres beslist heeft dat perceel "uit de hand" "om redenen van open-baar nut" te vervreemden en dat de gemeenteraad van de verweerster beslist heeft die aankoop "om redenen van openbaar nut" te doen.

Het arrest dat de eiseres het recht ontzegt om het verkochte perceel terug te krij-gen nadat het plan voor de bouw van een school was opgegeven en die beslissing grondt op het feit het litigieuze goed niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een onteigeningsprocedure voorafgegaan door een wet of een koninklijk besluit waar-bij de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, wordt toegestaan, maar in der minne werd overgedragen, schendt de artikelen 1 en 23 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemenen nutte.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 25 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadri-pont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Gemeenteraadsbesluit

  • Beslissing om werkzaamheden van algemeen nut uit te voeren op een privéterrein

  • Minnelijke overdracht van het perceel voor algemeen nut

  • Geen bestemming van algemeen nut

  • Vordering tot teruggave door de voormalige eigenaar

  • Wijze van verkrijging

  • Toepassing