- Arrest van 26 oktober 2012

26/10/2012 - C.11.0168.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter kan de afwezigheid van goede trouw van de derde afleiden uit de aard van de door de lasthebber gestelde handelingen en de bijzondere omstandigheden waarin deze plaatsgrepen (1). (1) Zie A. VAN OEVELEN, “De juridische grondslag en de toepassingsvoorwaarden van de verbondenheid van de lastgever bij een schijnmandaat”, noot onder Cass. 20 juni 1998, RW 1989-1990, (1426) 1430.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0168.N

1. M. P.,

2. M. B.,

3. M. B.,

4. C. B.,

5. A. B.,

allen handelend zowel in eigen naam als in hun hoedanigheid van rechtsopvolgers van M. B., overleden op 11 december 2000,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eisers woonplaats kie-zen,

tegen

AXA BANK EUROPE, nv, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 16 september 2010.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De verweerster voerde in haar appelconclusie aan dat:

- de eisers aangeven dat "zij een zogenaamde ‘wachtrekening' (wat dit ook moge zijn) wilden openen";

- de eisers daarmee de bedoeling hadden successierechten te ontduiken;

- opdat de leer van de schijnvertegenwoordiging zou kunnen worden toegepast, er sprake dient te zijn van goede trouw in hoofde van de derde;

- de eisers hun goede trouw niet bewijzen;

- zij te dezen immers minstens hebben meegewerkt aan een "constructie" waar-van zij weten dat een bank die niet aanbiedt;

- zij weten, minstens dienen te weten dat banken niet werken met "wachtreke-ningen".

2. Het onderdeel dat geheel ervan uitgaat dat de verweerster voor de appel-rechters niet had aangevoerd dat het gebrek aan goede trouw in hoofde van de ei-sers moest worden afgeleid uit het inzicht de successierechten te ontduiken, mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. Een lastgever kan op grond van een schijnbare lastgeving verbonden zijn niet alleen wanneer hij die schijn op een foutieve wijze heeft gewekt, maar ook bij ontstentenis van enige fout die hem ten laste kan worden gelegd, als het geloof van de derde in de omvang van de machten van de lasthebber terecht is.

De rechter kan de afwezigheid van goede trouw van de derde afleiden uit de aard van de door de lasthebber gestelde handelingen en de bijzondere omstandigheden waarin deze plaatsgrepen.

4. De appelrechters oordelen dat:

- uit de gegevens van het dossier onbetwistbaar blijkt dat de verrichtingen die in oktober 2000 werden uitgevoerd - namelijk het afhalen van gelden van de spaarrekeningen van de ouders, die dan terug werden overhandigd aan V. G. die beloofde ze op een wachtrekening te plaatsen in afwachting dat ze op een nieuwe spaarrekening zouden worden geplaatst - kaderden in een poging om successierechten te ontduiken;

- het een vaststaand feit is dat de eisers of hun rechtsvoorganger zijn meegestapt in de voorstellen van V. G. omdat hen door deze laatste werd voorgespiegeld dat aldus geen successierechten zouden moeten worden betaald op het spaar-geld;

- de eisers onmogelijk te goeder trouw hebben kunnen menen dat dergelijke op fiscale fraude gerichte transacties behoren tot de handelingen die de verweer-ster haar agenten toelaat te verrichten.

5. Op grond van deze redenen konden de appelrechters wettig oordelen dat de eisers of hun rechtsvoorganger te dezen er niet rechtmatig mochten op vertrouwen dat V. G. door de bank gemandateerd was om de door hem voorgestelde transac-ties uit te voeren.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 604,01 euro en voor de verweerster op 109,69 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 26 oktober 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

G. Jocqué

K. Mestdagh

A. Smetryns

B. Deconinck

E. Stassijns

Vrije woorden

  • Schijnlastgeving

  • Lastgever

  • Verbondenheid

  • Derde

  • Goede trouw

  • Afwezigheid

  • Taak van de rechter

  • Beoordeling

  • Criteria