- Arrest van 2 november 2012

02/11/2012 - C.09.0436.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de vaststelling dat de wetgever met de invoering van artikel 53, §1, eerste lid, WHPC, mede beoogde de consument te beschermen, enerzijds, en het antwoord van het Hof van Justitie dat slechts de nationale wettelijke regelingen betreffende oneerlijke handelspraktijken die 'alleen' de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaars uit de werkingssfeer van de richtlijn zijn gesloten, anderzijds, volgt dat voormelde bepaling onder het toepassingsveld van de richtlijn 2005/29/EG oneerlijke handelspraktijken valt (1). (1) Zie Cass. 21 feb. 2011, AR C.09.0436.N, AC 2011, nr. 151, met concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0436.N

INNO nv, met zetel te 1000 Brussel, Nieuwstraat 111,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. UNIE VAN ZELFSTANDIGE ONDERNEMERS (UNIZO) vzw, met zetel te 1000 Brussel, Spastraat 8,

2. ORGANISATIE VOOR DE ZELFSTANDIGE MODEDETAIL-HANDEL (MODE UNIE) vzw, met zetel te 1000 Brussel, Spastraat 8,

3. COUTURE ALBERT bvba, met zetel te 1750 Sint-Kwintens-Lennik, Markt 3,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassa-tie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerders woon-plaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 mei 2009.

Gelet op het arrest van het Hof van 21 februari 2011 en op de beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 december 2011.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

1. Bij arrest van 21 februari 2011 heeft het Hof iedere nadere uitspraak aange-houden tot het Hof van Justitie van de Europese Unie zal hebben geantwoord op de volgende prejudiciële vraag:

"Moet de richtlijn 2005/29 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Pb. L 149, 11 juni 2005, 22) en in het bijzonder de artikelen 1, 2-d, 3.1. en 5 ervan, aldus worden uitgelegd dat deze artikelen zich verzetten tegen een nationale wetgeving, zoals artikel 53, § 1, eerste en derde lid, van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, die, voor de sectoren vermeld in artikel 52, § 1, van die wet, handelaars verbiedt om, gedurende de sperperiodes van 15 november tot en met 2 januari en van 15 mei tot en met 30 juni en ongeacht de plaats of de aangewende communicatiemiddelen, aankondigin-gen van prijsverminderingen te verrichten, evenals aankondigingen die een prijs-vermindering suggereren, zoals bedoeld in artikel 42 van die wet, alsmede vóór een sperperiode aankondigingen evenals suggesties van prijsverminderingen te verrich-ten, die uitwerking hebben gedurende deze sperperiode, ook zo de bedoelde maatre-gel, ondanks de door de nationale wetgever aangevoerde dubbele doelstelling, te weten, enerzijds, de belangen van de consumenten te beschermen en, anderzijds, de concurrentiële relaties tussen de handelaars te regelen, er in werkelijkheid toe strekt de concurrentiële relaties tussen de handelaars te regelen en, gelet op de overige garanties door de wet geboden, niet effectief bijdraagt tot de consumentenbescher-ming"?

2. Bij beschikking van 15 december 2011 heeft het Hof van Justitie van de Euro-pese Unie - zaak C-126/11 - deze vraag beantwoord.

III. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert navolgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1, 2-d, 3.1 en 5 van de EG-Richtlijn nr. 2005/29 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Pb. L 149, 11 juni 2005, 22), hierna de ‘Richtlijn oneerlijke handelspraktijken' genoemd;

- artikel 53, inzonderheid § 1, van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, zoals vervangen door de wet van 5 november 1993 en gewijzigd bij de wet van 13 januari 1999, hierna "WHPC" genoemd.

Aangevochten beslissingen

Het hof van beroep bevestigt de beslissing van de eerste rechter dat de door de verweersters bestreden actie van de eiseres een inbreuk vormt op artikel 53, WHPC en beslist op grond o.a. van de volgende overwegingen:

"22. (...)

Naar luid van artikel 1 van de richtlijn 2005/29 bestaat het doel van de richtlijn erin om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren.

Verder bepaalt artikel 3.1 van de richtlijn dat zij van toepassing is op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, voor, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.

In overweging 6 van de preambule van de richtlijn wordt uitdrukkelijk vermeld dat de richtlijn niet van toepassing of van invloed is op de nationale wetten betreffende oneerlijke handelspraktijken die alleen de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaren.

Daaraan voegt overweging 8 van de preambule nog toe dat er uiteraard andere handelspraktijken zijn waardoor weliswaar niet de consumenten maar wel concurrenten en zakelijke klanten worden benadeeld. Deze handelspraktijken blijven buiten het toepassingsgebied van de richtlijn.

Bijgevolg staat het vast dat de richtlijn 2005/29 enkel de eerlijkheid van handelspraktijken ten aanzien van de consument harmoniseert.

23. De wetgever streeft met de sperperiode een tweeledig doel na. Enerzijds moet de sperperiode de doorzichtigheid en juistheid van de prijzen die onmiddellijk voor en tijdens de soldenperiodes werden toegepast, verzekeren (Parl. St., Kamer, 1992-93, nr. 1158/1, 2). Volgens de wetgever geeft het bestaan van de sperperiode aan de consument de mogelijkheid om de omvang van de prijsvermindering tijdens de koopjes ten aanzien van de referentieprijs te beoordelen en doet het een transparantie over de toegestane prijzen ontstaan, wat de bescherming van de consument ten goede komt (Grondwettelijk Hof, 2 maart 1995, www.arbitrage.be, rolnummer 703). Anderzijds beoogt het invoeren van de sperperiode de bescherming van de detailhandel, meer bepaald de kleinhandel. Door de sperperiode wordt getracht de gelijkheid in verkoopkansen tussen de handelaars te waarborgen en de vervalsing van de concurrentievoorwaarden te voorkomen (Gedr. St., Senaat, 1993-94, nr. 862-2, 5 en 6; Grondwettelijk Hof, 2 maart 1995, www.arbitrage.be, rolnummer 703).

Conform de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volstaat het echter niet dat de consumentenbescherming formeel wordt ingeroepen ter rechtvaardiging van een regel. Er moet worden nagegaan of de maatregel ook daadwerkelijk kan bijdragen tot de consumentenbescherming: de maatregel moet evenredig zijn aan het beoogde doel en dit doel moet niet door maatregelen kunnen worden bereikt die het intracommunautaire handelsverkeer minder belemmeren (...).

In het licht van deze rechtspraak overtuigt het motief van de consumentenbescherming niet ter verantwoording van het verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode. Wat de juistheid en de transparantie van de prijzen betreft, worden er waarborgen ingebouwd door de artikelen 2, 3 en 94/12, WHPC. Wat de aankondigingen van prijsvermindering betreft, garandeert de regeling van artikel 43 WHPC dat de consument de nodige en correcte informatie krijgt op een transparante wijze. Rekening houdend met al deze maatregelen die reeds voorhanden zijn op het vlak van de prijsaanduiding en de aankondiging van prijsverminderingen, is het verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode niet evenredig aan het ermee beoogde doel van consumentenbescherming.

De conclusie luidt dan ook dat het verbod niet kan worden gezien als een maatregel van consumentenbescherming. Het beoogt enkel de concurrentiële relaties tussen handelaars te regelen. Zodoende valt het verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode buiten het toepassingsgebied van de richtlijn 2005/29 (H. De Bauw, De impact van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken op de regeling van de verkooppromoties onder WHPC, DCCR, 2006, 3; J. Stuyck, De nieuwe richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Gevolgen voor de wet op de handelspraktijken, T.B.H., 2005, 901).

De vraag of dit verbod verenigbaar is met de richtlijn 2005/29 is bijgevolg niet aan de orde".

Grieven

Eerste onderdeel

Schending van de artikelen 1, 2-d, 3.1 en 5 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

1. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 23 april 2009 in de gevoegde zaken C-261/07 en C-299/07, blijkt dat voor de toepasselijkheid van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken de rechter dient na te gaan of de betrokken praktijk een handelspraktijk is in de zin van artikel 2, sub d, van de Richtlijn, welke het Hof ook omschrijft als een marketingpraktijk die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering en afzet van producten van een onderneming aan een consument (zie randnrs. 48 en 50 e.v. van het arrest van het Hof van Justitie).

Artikel 2, d, van de richtlijn omschrijft dit begrip als volgt: een "handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten".

2. Te dezen heeft het hof (van beroep) in het bestreden arrest zelf vastgesteld dat de actie van de eiseres een aankondiging, minstens een suggestie van een prijsvermindering is (zie randnrs. 11-19). En zoals het zelf aangeeft op p. 8 bovenaan van het bestreden arrest wanneer het artikel 42, § 1, WHPC citeert, houdt een aankondiging van een prijsvermindering in dat het gaat om een "aankondiging van verminderingen van de verkoopprijs aan de consument, ...". M.a.w. om tot een inbreuk te besluiten op artikel 53 WHPC (hetgeen een regeling is van aankondigingen van prijsverminderingen, m.n. een inbreuk op het verbod van aankondiging van prijsverminderingen in de sperperiode), heeft het hof (van beroep) reeds, impliciet maar zeker, vastgesteld dat het gaat om een ‘handelspraktijk' van een onderneming (aankondiging of suggestie van prijsverminderingen) jegens de consument.

Besluit

Door nu op grond van de overwegingen dat "het verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode niet evenredig (is) aan het ermee beoogde doel van consumentenbescherming", alsmede dat het verbod "enkel de concurrentiële relaties tussen handelaars (beoogt) te regelen", te oordelen dat "het verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode buiten het toepassingsgebied van de richtlijn 2005/29 (valt)" en dat "de vraag of dit verbod verenigbaar is met de richtlijn 2005/29, (...) bijgevolg niet aan de orde (is)", schendt het bestreden arrest de in het onderdeel ingeroepen bepalingen van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, nu het hof (van beroep), na nochtans zelf te hebben vastgesteld dat de gewraakte actie van de eiseres een aankondiging is met een publiek karakter van een prijsvermindering aan de consument, op grond van voormelde overwegingen, niet wettig de toepassing van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken kan uitsluiten en aldus een niet naar recht verantwoorde invulling geeft aan het toepassingsgebied van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (schending van de artikelen 1, 2-d, 3.1 en 5 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken).

Tweede onderdeel

Schending van de artikelen 53, inzonderheid § 1, WHPC, 1, 2-d, 3.1 en 5 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

1. Artikel 1 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken bepaalt:

"Het doel van deze richtlijn is om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren".

2. Artikel 2, d, van de richtlijn omschrijft dit begrip "handelspraktijk" als volgt: een "handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten".

3. Rechtsoverweging 6 van de Richtlijn luidt als volgt:

"Deze richtlijn is niet van toepassing of van invloed op de nationale wetten betreffende oneerlijke handelspraktijken die alleen de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaren".

Conform hiermee bepaalt artikel 3.1 van de Richtlijn:

"Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product".

4. Om te verantwoorden dat de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken te dezen niet van toepassing is oordeelt het hof (van beroep) i.v.m. artikel 53 WHPC dat (a) "... moet worden nagegaan of de maatregel ook daadwerkelijk kan bijdragen tot de consumentenbescherming" en meer bepaald of hij al dan niet "evenredig" is met dit beoogde doel, en (b) de betrokken maatregel "enkel beoogt de concurrentiële relaties tussen handelaars te regelen", waaruit het vervolgens afleidt dat bedoeld "verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode buiten het toepassingsgebied van de richtlijn 2005/29 valt" en dat de vraag of dit verbod verenigbaar is met de richtlijn 2005/29 bijgevolg niet aan de orde is.

Het hof (van beroep) gaat dus voor de beantwoording van de vraag of de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken van toepassing is op artikel 53 WHPC, enkel na: a) of deze wetsbepaling werkelijk bijdraagt tot consumentenbescherming en b) of zij al dan niet uitsluitend de "concurrentiële relaties tussen handelaars" regelt.

Deze redenering is echter in strijd met de ingeroepen bepalingen van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken waaruit uitdrukkelijk volgt dat de Richtlijn van toepassing is op "oneerlijke handelspraktijken van een onderneming jegens een consument". Volgens de definitie in artikel 2-d van de Richtlijn van het begrip ‘handelspraktijk', volstaat het dat de wetgeving betrekking heeft op een handeling of praktijk jegens een consument.

Zodra dit laatste het geval is, is de vraag of de betrokken bepaling al dan niet "evenredig" is aan het beoogde doel van ‘consumentenbescherming' en of zij "enkel de concurrentiële relaties tussen handelaars regelt" of niet, dus niet relevant voor de toepassing van de Richtlijn, in tegenstelling tot de enige pertinente vraag of de overtreding ervan al dan niet een oneerlijke handelspraktijk van een onderneming jegens een consument oplevert.

5. Welnu, te dezen heeft het hof (van beroep) in het bestreden arrest eerst al vastgesteld dat de actie van de eiseres een aankondiging, minstens een suggestie van een prijsvermindering is. En zoals het zelf aangeeft op p. 8 bovenaan van het bestreden arrest wanneer het artikel 42, § 1, WHPC citeert, houdt een aankondiging van een prijsvermindering in dat het gaat om een "aankondiging van verminderingen van de verkoopprijs aan de consument, ...". M.a.w. om tot een inbreuk te besluiten op artikel 53 WHPC (inbreuk op het verbod van aankondiging van prijsverminderingen in de sperperiode), heeft het Hof reeds vastgesteld dat het gaat om een (handels)praktijk van een onderneming (aankondiging of suggestie van prijsverminderingen) jegens de consument.

Het regelen van prijsverminderingen zoals in de artikelen 42-43 WHPC en a fortiori het totaal verbieden ervan in artikel 53 WHPC, zijn dan ook wettelijke normen die een ‘praktijk jegens consumenten' regelen.

6. Hieruit volgt dat het hof (van beroep), m.b.t. de verenigbaarheid van artikel 53 WHPC met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, niet wettig kon oordelen dat die Richtlijn niet van toepassing is louter omdat artikel 53 WHPC "niet evenredig (is) aan het ermee beoogde doel van consumentenbescherming" en "(enkel) beoogt de concurrentiële relaties tussen handelaars te regelen". (schending van de artikelen 53, inzonderheid § 1, WHPC, 1, 2-d, 3.1 en 5 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken).

Besluit

In zoverre het hof (van beroep) om de hierboven weergegeven redenen, oordeelt dat de "vraag of dit verbod (van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode) verenigbaar is met de richtlijn 2005/29 (...) bijgevolg niet aan de orde (is)", miskent het de regel dat de richtlijn van toepassing is op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten en niet op handelspraktijken die alleen de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaren, en schendt het aldus de artikelen 53, inzonderheid § 1, WHPC, 1, 2-d, 3.1 en 5 van de Richtlijn oneerlijke han-delspraktijken.

Derde onderdeel

Schending van de artikelen 53, inzonderheid § 1, WHPC en 1, 3.1 en 5 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

1. Artikel 1 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken bepaalt dat het doel ervan is bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de harmonisering van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden.

Artikel 3.1 van de richtlijn bepaalt dat deze van toepassing is op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.

Uit deze bepalingen blijkt dat één van de doelstellingen van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken het tot stand brengen van een hoog niveau van consumentenbescherming is.

Artikel 53 WHPC bepaalt, inzonderheid in § 1, dat ‘aankondigingen van prijsverminderingen, evenals die welke een prijsvermindering suggereren, zoals bedoeld in artikel 42', verboden zijn gedurende de zogeheten sperperiodes ‘van 15 november tot en met 2 januari en van 15 mei tot en met 30 juni', ongeacht de plaats of de aangewende communicatiemiddelen, en zelfs vóór een sperperiode wanneer zij uitwerking hebben gedurende deze sperperiode.

2. Zoals bevestigd in het bestreden arrest onder verwijzing naar de parlementaire voorbereiding en een arrest van het Grondwettelijk Hof, had de wetgever met artikel 53 WHPC een dubbel doel voor ogen, m.n.: a) het verzekeren van de doorzichtigheid en juistheid van de prijzen die onmiddellijk voor en tijdens de soldenperiodes werden toegepast, en b) de consument de mogelijkheid bieden om de omvang van de prijsvermindering tijdens de koopjes ten aanzien van de referentieprijs te beoordelen en een transparantie over de toegestane prijzen te doen ontstaan wat "de bescherming van de consument ten goede komt".

3. De omstandigheid, vermeld in het arrest, m.n. dat er andere maatregelen zijn in de WHPC die deze consumentenbescherming ook waarborgen, meer bepaald in de artikelen 2, 3, 43 en 94/12, WHPC, neemt geenszins weg dat het in artikel 53 WHPC bedoelde verbod van aankondiging of suggesties van prijsverminderingen gedurende een sperperiode wel degelijk ook, en zelfs in de eerste plaats, de ‘consumentenbescherming' beoogt en uit dien hoofde dient getoetst aan de Richtlijn, ook al leidt het hof (van beroep) uit eerstgenoemde omstandigheid af - op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie die enkel betrekking heeft op de toepassing van krachtens artikel 30, EG Verdrag ongeoorloofde kwantitatieve invoerbeperkingen (terwijl het te dezen gaat om de toepassing van Richtlijn 2005/29) en dus enkel op grensoverschrijdende maatregelen (terwijl Richtlijn 2005/29 ook op niet-grensoverschrijdende maatregelen van toepassing is en bovendien een eigen toepassingsgebied heeft) - dat het motief van de consumentenbescherming "niet overtuigt" ter verantwoording van het verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode, en dat artikel 53 niet "evenredig" is aan dat doel.

Besluit

Het arrest schendt dan ook de ingeroepen bepalingen, door niet wettig te oordelen dat "het verbod van aankondiging van prijsvermindering tijdens de sperperiode buiten het toepassingsgebied van de richtlijn 2005/29" valt en artikel 53 WHPC niet aan de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken moet getoetst worden omdat het door artikel 53 WHPC beoogde doel van consumentenbescherming "niet overtuigt" of er "niet evenredig" aan is, en het verbod "niet kan worden gezien als een maatregel van consumentenbescherming", maar enkel beoogt "de concurrentiële relaties tussen handelaars te regelen".

Bijgevolg is het arrest in zoverre niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 53 WHPC en 1, 3.1 en 5 van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken).

Ingebrekestelling

Tot slot wenst de eiseres er ook op te wijzen dat de Europese Commissie, naar aanleiding van een klacht van het VBO over de omzetting in België van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, de Belgische overheid in gebreke heeft gesteld wegens niet afdoende omzetting van deze richtlijn (persbericht van 20 april 2009; raadpl. www.vbo.be). De ingebrekestelling van de Commissie betreft ook de onverenigbaarheid van artikel 53 WHPC met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. De eiseres is zo vrij erop te wijzen dat het Hof hierover eventueel meer informatie kan verkrijgen bij de Europese Commissie, die daartoe conform haar verplichting tot samenwerking verplicht is (zie o.m. Arrest Zwartveld, arrest van 13 juli 1990, zaak C-2/88, Jurispr. 1990, 1-03365, in het bijzonder § 22 e.v. Dit arrest werd sindsdien herhaaldelijk bevestigd. Zie o.m.: arrest van 26 november 2002, zaak C-275/00, First en Franex, Jurispr. 2002,1-10943, § 49; Arrest van 28 februari 1991, Zaak C-234/89, Delimitis, Jurispr. 1991,1-935, § 53; Arrest van 11 juli 1996, Zaak C-39/94, SFEI, Jurispr. 1996,1-3547, § 50; Arrest van 4 maart 2004, Zaak C-344/01, Duitsland/ Commissie, Jurispr. 2004, 1-2081, § 79 e.v. ).

Prejudiciële vraag

Mocht het Hof niettemin van oordeel zijn dat de uitlegging van de Richtlijn niet duidelijk volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 23 april 2009, dan verzoekt de eiseres het Hof, op grond van artikel 234, EG-Verdrag, hierover volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen:

"Moet de EG-Richtlijn nr. 2005/29 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Pb. L 149, 11 juni 2005, 22), en in het bijzonder de artikelen 1, 2-d, 3.1 en 5 ervan, aldus worden uitgelegd dat deze artikelen zich verzetten tegen een nationale wetgeving, zoals artikel 53, Wet handelspraktijken in België, die handelaars verbiedt om aankondigingen van prijsverminderingen aan consumenten te verrichten (behoudens voor levensmiddelen) tijdens de door de nationale wetgever gedefinieerde "sperperiodes", meer bepaald van 15 november tot en met 2 januari en van 15 mei tot en met 30 juni, zijnde twee periodes van zes weken onmiddellijk voorafgaand aan de door de wet vastgelegde soldenperiodes?"

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Derde onderdeel

1. Het onderdeel voert aan dat het bestreden arrest ten onrechte oordeelt dat het verbod ingesteld door het artikel 53, § 1, eerste lid, van de wet van 14 juli 1991 be-treffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (hierna: WHPC), zoals hier van toepassing, niet onder het toepassingsveld valt van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bij beschikking van 15 de-cember 2011 - in de zaak C-126/11 - verklaard voor recht:

"Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 be-treffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad ("richt-lijn oneerlijke handelspraktijken"), moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale bepaling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die op algemene wijze aankondigingen van prijsverminderingen en suggesties daarvan tij-dens de sperperiode verbiedt, voor zover deze bepaling de bescherming van de con-sumenten beoogt."

Het Hof van Justitie overwoog hierbij:

- ro 28: "Overeenkomstig punt 6 van de considerans van de richtlijn zijn nationale wettelijke regelingen betreffende oneerlijke handelspraktijken die ‘alleen' de eco-nomische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaars, daarentegen uitgesloten van de werkingsfeer van deze richtlijn."

- ro 30: "Indien artikel 53, § 1, WHPC er echter ook toe strekt de consument tegen dergelijke praktijken te beschermen, dan moet geoordeeld dat de in het hoofdgeding verboden aankondigingen van prijsverminderingen en suggesties daarvan handels-praktijken in de zin van artikel 2, sub d, van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken vormen en dus aan de voorschriften van deze richtlijn onderworpen zijn."

3. Uit de vaststelling dat de wetgever met de invoering van artikel 53, § 1, eerste lid, WHPC, mede boogde de consument te beschermen, enerzijds, en het antwoord van het Hof van Justitie dat slechts de nationale wettelijke regelingen betreffende oneerlijke handelspraktijken die "alleen" de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaars uit de werkingsfeer van de richtlijn zijn gesloten, anderzijds, volgt dat voormelde bepaling onder het toepassingsveld van de richtlijn valt.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit oordeelt over het hoger beroep en over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeelte-lijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samenge-steld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stas-sijns, en de raadsheren Alain Smetryns Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in open-bare rechtszitting van 2 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols G. Jocqué K. Mestdagh

A. Smetryns E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Richtlijn 2005/29/EG

  • Oneerlijke handelspraktijken

  • Handelspraktijkenwet 1991

  • Artikel 53, § 1, eerste lid

  • Hof van Justitie van de Europese Unie

  • Uitlegging