- Arrest van 2 november 2012

02/11/2012 - C.11.0018.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Uit artikel 6.1 EVRM vloeit voort dat aan de procespartijen de mogelijkheid wordt geboden om tegenspraak te voeren omtrent elk stuk of elk betoog dat van aard is het oordeel van de rechter te beïnvloeden; het beginsel van de tegenspraak, zoals gewaarborgd door deze verdragsbepaling, heeft betrekking op het geding voor de rechtbank en niet op het door de rechter bevolen deskundigenonderzoek; het deskundigenonderzoek moet evenwel op zulke wijze verlopen dat de partijen de mogelijkheid hebben voor de rechter op doeltreffende wijze hun opmerkingen te formuleren op het deskundigenverslag dat door de rechter als een essentieel bewijselement wordt aangemerkt; dit impliceert, mede in acht genomen de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die de tegensprekelijkheid van het gerechtelijk deskundigenonderzoek waarborgen, alsmede deze inzake de mededeling van de stukken, dat de partijen de stukken die zij in het kader van het deskundigenonderzoek willen aanwenden in de regel aan elkaar moeten overleggen en dat zij niet alleen het recht hebben inzage ervan te nemen, maar ook het recht deze af te schrijven of nog afschrift ervan te nemen (1). (1) Zie de concl. van het O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0018.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Federale regering, voor wie optreedt de Eerste minister, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 16, en de staatssecretaris voor Mobiliteit, bevoegd voor de Noordzee, met kantoor te 1000 Brussel, Koningsstraat 180,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. ELECTRABEL nv, met zetel te 1000 Brussel, Regentlaan 8,

2. ONDERNEMINGEN JAN DE NUL nv, met zetel te 9308 Hofstade, Tragel 60,

3. ELECTRABEL SEANERGY nv, met zetel te 1000 Brussel, Regentlaan 8

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kan-toor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerders woonplaats kiezen,

4. NEXANS NORWAY AS, vennootschap naar Noors recht, met zetel te 0509 Oslo (Noorwegen), Oestre Aker Vei 33, PO Box 130 Oekerm,

5. VESTAS NEDERLAND WINDTECHNOLOGIE BV, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 6991 EV Rheden (Nederland), Dr. Langemeijerweg 1A/63,

6. VESTAS WIND SYSTEMS AS, vennootschap naar Deens recht, met zetel te 6950 Ringkobing (Denemarken), Smed Sorensens Vey 5,

7. CEGELEC nv, met zetel te 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe, Woluwedal 60,

8. VICTOR BUYCK STEEL CONSTRUCTION nv, met zetel te 9900 Eeklo, Pok-moere 4,

9. ELIA ASSET nv, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 20,

10. ELIA SYSTEM OPERATOR nv, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 20,

verweersters, minstens in bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 29 juni 2009.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft op 16 juli 2012 een conclu-sie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden bepalingen

- de artikelen 6.1 en 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rech¬ten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (afgekort EVRM);

- de artikelen 1315, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 870, 962, 972bis, § 1, eerste lid, 973, § 1, eerste lid, 1042 Gerechte¬lijk Wetboek;

- artikel 736 Gerechtelijk Wetboek, zowel in de versie vóór als na de wijziging bij artikel 17 van de wet van 10 juli 2006 betreffende de elektroni¬sche procesvoering;

- de artikelen 972, eerste lid, 973, derde lid, 978, eerste lid en 979, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij respec¬tievelijk de artikelen 9, 11, 16 en 17 van de wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek en tot herstel van artikel 509quater Strafwetboek;

- artikel 34 van de wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wet¬boek betreffende het deskundigenonderzoek en tot herstel van artikel 509quater Strafwet-boek;

- het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdedi¬ging voor-schrijft.

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep gegrond als volgt, her¬vormt de bestreden beslissing in zoverre uitspraak wordt gedaan over de pro¬blematiek van de confidentialiteit van de stukken, en opnieuw recht sprekend, zegt dat in het kader van het deskundig onderzoek na te leven regeling inzake de confidentialiteit van de stukken als volgt is:

"a) Een partij die meent dat bepaalde stukken, die betrekking hebben op haar toekomst-strategie en interne studies en prognoses bevatten met betrekking tot de evolutie op de elektriciteitsmarkt naast informatie inzake de verdiensten van personeelsleden of de eigen know-how van de onderneming of haar commerci‘le strategie, ter staving van haar claim confidentieel zijn omdat ze bedrijfsgevoelige informatie bevatten, stelt een gedetailleerde inventaris van deze stukken op en maakt deze inventaris tezamen met een omstandige omschrijving van de reden(en) voor deze confidentialiteit van deze stukken over aan het college van deskundigen en de belanghebbende partijen,

b) Opdat de rechten van verdediging te allen tijde gewaarborgd zouden blijven, zorgt de betrokken partij ervoor dat deze confidentiële stukken ter inzage be¬schikbaar zijn in een door haar in België te organiseren datakamer (dataroom),

c) Partijen ontvangen een harde kopie (hardcopy) van de datakamerinventaris en de toevoegingen erbij,

d) Partijen kunnen kennis nemen van de in de datakamer opgenomen docu¬menten op de door het college van deskundigen bepaalde tijdstippen,

e) Partijen verbinden zich ertoe de datakamerregels die voorafgaandelijk aan het bezoek aan hen zullen overgemaakt worden te zullen naleven,

f) Partijen krijgen enkel inzage in de in de datakamer opgenomen documenten, kopie- of notitiename onder welke vorm dan ook is uitgesloten,

g) Partijen ondertekenen voorafgaandelijk aan het bezoeken van de datakamer de aan hen voorgelegde vertrouwelijkheidovereenkomst",

en dit op volgende gronden:

"(Eerste, tweede en derde verweersters) stellen terecht dat de confidentialiteit van bedrijfsgeheimen als grondrecht wordt erkend. Het recht op de eerbiediging van het privéleven van natuurlijke personen en van rechtspersonen omvat de bescherming van hun zakengeheimen. (Artikel 22 Gerechtelijk Wetboek, artikel 8 EVRM en artikel 17 BUPO).

Daar tegenover staat het algemeen principe van het tegensprekelijk karakter van het deskundigenonderzoek dat toelaat de hieruit geputte gegevens als bewijs¬middelen aan te wenden. Terecht stelt het college van deskundigen dan ook de tegensprekelijke mededeling van de in het kader van de expertise aangewende stukken als regel voorop (cfr. verslag inhoudende samenvatting van de experti¬severgadering van 16 november 2004, stuk 10 bundel appellanten).

In ditzelfde verslag wordt de, na discussie (waaraan ook de Belgische Staat deelnam) bereikte modus vivendi, met betrekking tot de problematiek van de confidentialiteit van stukken, nadien nog vereenvoudigd met het oog op de werkbaarheid ervan, als volgt weergegeven:

‘1) De tegensprekelijke mededeling van stukken blijft de regel, de vertrouwelijke (en bij definitie niet - tegensprekelijke) mededeling de uitzondering, dit laatste kan enkel mits een akkoord van alle partijen.

2) Wanneer één van de partijen meent vertrouwelijke informatie te moeten overmaken, zal haar raadsman aan de raadslieden van alle andere partijen en onszelf laten weten over welke informatie het precies gaat (v.b. informatie van financiële of strategische aard) en de reden waarom deze informatie als ver¬trouwelijk moet worden aanzien. De raadslieden zullen dan onderling tot een akkoord moeten komen dat de voormelde informatie als vertrouwelijk dient te worden beschouwd en de wijze waarop de andere partijen hiertoe toegang krij¬gen (vb., inzage zonder harde kopie, inzage enkel door een bedrijfsrevisor, in-zage ter plekke op het bedrijf, inzage enkel door ons, etc.).

3) Van zodra informatie door alle partijen als vertrouwelijk wordt aanzien en er tussen alle partijen een akkoord bestaat nopens de wijze waarop deze informa¬tie ons wordt overgemaakt en de wijze waarop de tegenpartijen inzage hierin krijgen, wordt deze informatie door ons aan het ‘geheime' deel van het dossier toegevoegd; wij zullen enkel in ons verslag opnemen dat we deze informatie hebben bekeken en dat hieruit al dan niet kan worden bevestigd wat de belang¬hebbende partij hierdoor tracht te claimen.'

De afwijking van het principe van het tegensprekelijk karakter van het deskundig onderzoek vindt slechts uitzonderlijk plaats, hetzij - zoals de deskundigen terecht aannemen - wanneer partijen dienaangaande een consensus hebben bereikt, hetzij ingevolge een rechterlijke beslissing.

Dergelijke afwijking kan voortvloeien uit het conflict ontstaan naar aanleiding van de botsing van twee fundamentele rechten, zo het recht op de bescherming van zakengehei-men opgenomen in artikel 8 EVRM en het beginsel van de tegen¬spraak dat vervat is in het recht van verdediging verankerd in artikel 6 EVRM.

Zij kan erin bestaan dat bepaalde vaststellingen en onderzoeksverrichtingen plaats vinden in afwezigheid van partijen of nog dat bepaalde stukken slechts beperkt toegankelijk zijn, aldus bij voorbeeld enkel middels de ter beschikking¬stelling van een niet vertrouwelijke versie van enkel de noodzakelijks stukken teneinde het recht van verdediging van de wederpartij te waarborgen.

In dergelijk geval is er dan ook geen sprake van een schending van het recht van verdediging noch van de regels van de bewijsvoering aangezien de betref¬fende afwijkingen conventioneel dan wel op grond van een rechterlijke beslissing tot stand kwamen nadat partijen dan wel de rechter zijn overgegaan tot de afwe¬ging van tegenstrijdige belangen gesteund op conflicterende grondrechten.

In casu dringt zich een belangenafweging op naar aanleiding van de vraag van (eerste, tweede en derde verweersters) tot bescherming van het vertrouwelijk karakter van informatie die als ‘bedrijfsgevoelig' wordt aangemerkt waarbij ge¬doeld wordt op stukken die onder meer hun toekomststrategie bevatten alsook interne studies en prognoses die de evoluties op de elektriciteitsmarkt schetsen, meer bepaald de analyse van hun huidige en toekomstige positie op de elektriciteitsmarkt, personeelsgegevens, zo onder meer inzake de verdiensten van personeelsleden.

Aan de hand van de bijgebrachte stukken blijkt dat (tweede verweerster) de in¬formatie met betrekking tot de voor- en nacalculatie tevens als confidentieel be¬schouwt om reden dat dit know-how betreft die `het hart van de onderneming raakt'.

(Vijfde verweerster) beschouwt een aantal stukken als confidentieel omdat zij ‘van com-mercieel strategische aard' zijn en deel uitmaken van de vertrouwelijke handelsrelatie tussen haarzelf en haar leveranciers/onderaannemers.

Het meedelen van deze stukken zonder meer zou er, aldus nog (vijfde verweer¬ster), toe leiden dat concurrenten inzage zouden krijgen in haar ‘marges en prijsstructuren' het-geen in deze zeer competitieve markt ertoe zou leiden dat zij hun offertes aan deze van (vijfde verweerster) zouden aanpassen om net iets betere condities te kunnen aanbieden.

Terecht voeren (eerste, tweede en derde verweersters) en hun aannemers aan op dit punt dat in de mate gegevens die in het kader van het gevoerde deskun¬dig onderzoek worden vrijgegeven betrekking hebben op hun toekomststrategie en interne studies en prognoses bevatten met betrekking tot de evolutie op de elektriciteitsmarkt naast informatie inzake de verdiensten van personeelsleden of nog inzake de eigen know-how van de onderneming of haar commerciële stra¬tegie zij in casu als ‘bedrijfsgevoelig' kunnen worden aangemerkt.

Rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak, meer be¬paald met het feit dat het hier een zeer enge, gespecialiseerde markt betreft waarin veelal dezelfde concurrerende bedrijven opereren en beroep wordt ge¬daan op dezelfde technische raadlieden/adviseurs inzonderheid door (eiser), die hierbij eveneens in de meeste gevallen een belangrijke rol speelt al situeert zijn deelneming zich weliswaar op een ander vlak, met name niet als concurrent maar in andere hoedanigheden, zo onder meer als initiatiefnemer/opdrachtgever/machtigende instantie en als dusdanig evenzeer als dermate betrokken moet worden beschouwd en na belangenafweging moet ook ten aanzien van (eiser) de confidentialiteit van deze gegevens worden gewaarborgd.

In zoverre bepaalde stukken derhalve uit hoofde van hun confidentieel karakter bescherming verdienen bij het voeren van het expertiseonderzoek past het te onderzoeken in welke mate het verlenen van deze bescherming kan georgani¬seerd worden op een wijze die toelaat het tegensprekelijk karakter van het des¬kundig onderzoek optimaal te vrijwaren.

(Eerste, tweede en derde verweersters) hadden daartoe reeds eerder zelf een procedure uitgewerkt, meer bepaald via de organisatie van een datakamer, pro¬cedure waaromtrent partijen evenwel geen overeenstemming konden bereiken.

De voormelde procedure is vervat in een overeenkomst inhoudende enerzijds een regeling inzake confidentialiteit, waarin uiteengezet wordt op welke wijze de als confidentieel aangemerkte stukken worden geïnventariseerd en ter beschik¬king gesteld aan deskundigen en betrokken partijen en een geheel van dataka¬mer regels en anderzijds een vertrouwelijkheidovereenkomst werd overgemaakt aan (eiser) die hierop slechts met betrekking tot enkele specifieke punten op¬merkingen formuleerde waaromtrent partijen geen akkoord konden bereiken.

Zo werd in dit verband gesteld en door de Belgische Staat niet bekritiseerd dat een partij die meent dat bepaalde stukken ter staving van haar claim confidenti¬eel zijn omdat ze bedrijfsgevoelige informatie bevatten, een gedetailleerde lijst opstelt van deze stukken en deze inventaris tezamen met een omstandige om¬schrijving van de reden(en) voor deze confidentialiteit van deze stukken over¬maakt aan het college van deskundigen en de belanghebbende partijen.

Opdat de rechten van verdediging te allen tijde zouden gewaarborgd blijven werd tevens voorzien dat de betrokken partij ervoor zou zorgen dat deze confi¬dentiële stukken ter inzage beschikbaar zouden zijn in een door haar in België daartoe te organiseren dataka-mer.

Voor zover de betreffende stukken bedrijfsgevoelige informatie bevatten zoals hoger om-schreven komt de inzageregeling gebaseerd op de ontvangst van een datakamer-inventaris en toevoegingen en de mogelijkheid tot kennisname van de in de datakamer opgenomen documenten op de door het college van des¬kundigen bepaalde tijdstippen in het kader van de daartoe georganiseerde data¬kamer voldoende tegemoet aan de vereisten van tegensprekelijkheid en waar¬borgt aldus het recht van verdediging van (eiser).

Op de vraag van (eiser) het confidentieel karakter van de betreffende stukken zelf ter discussie te stellen en deze betwisting, bij gebreke aan minnelijke rege¬ling, aan de bevoegde rechter voor te leggen wordt niet ingegaan om reden dat zelfs de als confidentieel aangemerkte stukken onbeperkt ter inzage worden ge¬steld van de wederpartijen en het voeren van dergelijke discussies, in voorko¬mend geval, het deskundig onderzoek nodeloos verlamt terwijl de rechten van verdediging voldoende zijn gewaarborgd inzonderheid voor wat betreft de als confidentieel beschouwde stukken.

Het feit dat de betrokken datakamer bezoekers geen kopie dan wel nota kunnen nemen van de aldaar te consulteren stukken (en derhalve in de datakamer niet over het daartoe nodige materiaal - zoals notitiemateriaal en/of een draagbare computer - mogen beschik-ken) is niet van aard het algemeen principe van de tegenspraak te schenden nu daartoe ook voldoende waarborgen voorhanden zijn aangezien er geen beperking wordt voorzien voor wat betreft het aantal en de duur van de kwestieuze bezoeken noch voor wat betreft de identiteit van de bezoekers althans voor zover zij optreden als vertegenwoordigers dan wel de juridische/technische raadgevers van de partij die van het inzagerecht gebruik wil maken.

Bovendien moet ervan uitgegaan worden dat het datakamer reglement de mo¬gelijkheid voorziet tot vraagstelling waarop binnen 7 dagen een antwoord volgt.

De ondertekening van een vertrouwelijkheidovereenkomst zoals door (eerste, tweede en derde verweerster) voorgesteld en gevoegd in bijlage 2 bij het stuk ‘Regeling inzake con-fidentialiteit' gehecht aan het aan de raadsman van (eiser) gerichte schrijven van hun raadsman van 27 juni 2005 is niet van aard het tegensprekelijk karakter van het deskundig onderzoek te belemmeren zodat het desbetreffende door (eiser) geuite bezwaar wordt afge¬wezen.

Tenslotte dient benadrukt dat de door (eerste, tweede en derde verweersters) voorgestelde werkwijze (zoals weergegeven in het aan de brief van 27 juni 2005 van de raadsman van (eerste, tweede en derde verweersters) gericht aan de raadsman van (eiser) gehechte stuk ‘Regeling inzake confidentialiteit' sub II met bijlage 1 en 2 met navolgen wijzigingen in het algemeen onder meer doordat de niet-confidentiële stukken het voorwerp kunnen uitmaken van inzage/kopiename en de als confidentieel aangemerkte stukken in elk geval onbe¬perkt ter inzage van partijen zijn in casu, rekening houdend met de uitzonderlijke omstandigheden van deze zaak, noch van een schending van het tegenspreke¬lijk karakter van het deskundig onderzoek noch van een inbreuk op het vereiste tot mededeling van stukken doet blijken en dat zij niet in de weg staat aan de redactie van een gemotiveerd en controleerbaar deskundig verslag.

Gelet op wat voorafgaat is het hoger beroep gegrond zoals hierna volgt".

Grieven

1. Overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde van een fout recht op vergoeding van de schade veroorzaakt door deze fout.

Naar luid van de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en arti¬kel 870 Gerechtelijk Wetboek, draagt de benadeelde de bewijslast van fout, schade en oorzakelijk verband.

De benadeelde dient het bestaan en de omvang van zijn schade te bewijzen, zodat, wan-neer hij weigert de gegevens over te leggen waarover hij beschikt en op grond waarvan de omvang van zijn schade in concreto kan wor¬den beoordeeld, hij moet worden afgewe-zen van zijn vordering.

2. Artikel 6.1 EVRM verleent aan eenieder het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. Uit deze regel en uit het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging vloeit voort dat aan de procespartijen de mogelijkheid wordt gebo¬den om tegenspraak te voeren omtrent elk stuk of elk betoog dat van aard is het oordeel van de rechter te beïnvloeden.

Ten aanzien van artikel 6.1 EVRM zijn maatregelen die de rechten van verdediging beperken slechts legitiem in zoverre ze absoluut noodzakelijk zijn. Indien een minder beperkende maatregel kan volstaan, dient deze te wor¬den toegepast.

3. Met toepassing van artikel 962 Gerechtelijk Wetboek, dat krachtens artikel 1042 van voornoemd wetboek toepasselijk is op het hoger be¬roep, kan de rechter een deskundigenopdracht bevelen teneinde vaststellingen te verrichten en advies te verlenen over het bestaan en de omvang van de door de beweerde benadeelden geleden schade.

Teneinde de rechten van verdediging te waarborgen alsook het door artikel 6.1 van het EVRM gewaarborgd recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak, dient het deskundigenonderzoek tegensprekelijk te verlopen, op straffe van niet tegenwerpelijkheid van het deskundigenverslag aan de partij wier rechten van verdediging werden miskend.

De tegensprekelijkheid van het deskundigenonderzoek wordt o.m. ook gewaarborgd door (1) artikel 972bis, § 1, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, dat, overeenkomstig artikel 34 van de wet van 15 mei 2007 tot wijzi¬ging van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek en tot herstel van artikel 509quater Strafwetboek, ook van toepassing is op de deskundigenonderzoeken die, zoals te dezen, aanhangig zijn bij de inwerking¬treding van de wet op 1 september 2007, en naar luid waarvan de partijen ver-plicht zijn mee te werken aan het deskundigenonderzoek en de rechter, bij ge¬breke daarvan, daaruit de conclusies kan trekken die hij geraden acht, (2) artikel 973, § 1, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek dat, overeenkomstig artikel 34 van de wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek betref¬fende het deskundigenonderzoek en tot herstel van artikel 509quater Strafwetboek, ook van toepassing is op de deskundi-genonderzoeken die, zoals te dezen, aanhangig zijn bij de inwerkingtreding van de wet op 1 september 2007, en naar luid waarvan de rechter die het deskundigenonderzoek heeft be¬volen of de daartoe aangewezen rechter, het verloop van het onderzoek opvolgt, en er met name op toeziet dat de termijnen worden nageleefd en dat de tegen¬spraak in acht wordt genomen, (3) artikel 972, eerste lid, (oud) Gerech¬telijk Wetboek, naar luid waarvan de partijen de deskundigen alle nodige stukken ter hand stellen, (4) artikel 973, derde lid (oud) Gerechtelijk Wetboek, naar luid waarvan de partijen worden opgeroepen om aanwezig te zijn bij alle verrichtingen van de deskundige, tenzij zij hem ervan ontslagen hebben hen te verwittigen, (5) artikel 978, eerste lid (oud) Gerechtelijk Wetboek, naar luid waarvan de deskundigen, na afloop van de verrichtingen, aan de partijen kennis geven van hun bevindingen, wier opmerkingen zij aantekenen, en (6) door artikel 979, tweede lid, (oud) Gerechtelijk Wetboek, naar luid waar¬van het verslag de stukken en nota's vermeldt die de partijen aan de deskundi¬gen hebben overhandigd.

De tegensprekelijkheid van het deskundigenonderzoek vereist o.m. dat partijen ook aan elkaar mededeling doen van de stukken die zij aan de deskundige mededelen, en brengt met zich dat de deskundige zijn verslag niet kan steunen op stukken die niet aan de partij-en zijn medegedeeld.

Het voorschrift van artikel 736 Gerechtelijk Wetboek, zowel in de versie vóór als na de wijziging, met ingang van 1 januari 2011, bij artikel 17 van de wet van 10 juli 2006 betreffende de elektronische procesvoering, naar luid waarvan partijen hun stukken aan elkaar moeten mededelen alvorens er gebruik van te maken, geldt eveneens voor de stukken overgemaakt aan de deskundige. De mededeling impliceert ook het recht afschrift te nemen van de stukken, nu de mededeling een partij in staat moet stellen op nuttige wijze zijn standpunt uiteen te zetten over de gegevens die tegen hem in aanmerking kun¬nen genomen worden.

4. Naar luid van artikel 8 van het EVRM heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling (eerste lid), en is geen in-menging van enig openbaar gezag toegestaan met be¬trekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare fei-ten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (tweede lid).

Het recht op eerbiediging van het privé-leven van rechtspersonen omvat de bescherming van hun zakengeheimen.

5. Wanneer, zoals te dezen, de benadeelden beweren schade te hebben geleden en een deskundige het bestaan en de omvang van deze schade dient te begroten, doch de benadeelden tezelfdertijd de bescherming van hun zakengeheim inroepen ten aanzien van gegevens waarover zij beschikken en die zouden toelaten hun schade in concreto te begroten, moet de bescherming van het zakengeheim van de benadeelden worden afgewogen tegenover de eerbiediging van de rechten van verdediging van de aangesproken partij. Het recht op tegenspraak kan slechts beperkt worden inzoverre hiervoor een absolute noodzaak bestaat, terwijl de inbreuk op het zakengeheim dient beperkt te worden tot hetgeen strikt noodzakelijk is door de kenmerken van de procedure en de gegevens van de zaak.

De belangenafweging wordt in grote mate bepaald door de aard van de procedure en de betrokkenheid van partijen.

Te dezen moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat verweerders als benadeelden zelf de initiatiefnemers van de procedure zijn, de bewijslast dragen van het bestaan en de omvang van hun schade, en geenszins gedwongen zijn de gegevens waarover zij beschikken en die door het za¬kengeheim zouden beschermd zijn, mede te delen, ook al zou de niet mededeling tot geheel of gedeeltelijke afwijzing van hun schadeaanspraken kunnen lei¬den.

Aldus dient niet alleen de bescherming van het zakengeheim van de benadeelden te worden afgewogen tegenover de eerbiediging van de rech¬ten van verdediging van de aangesprokene, maar ook de bescherming van het subjectief recht van de benadeelden op vergoeding van de schade die door de fout van de aangesprokene zou veroorzaakt zijn, tegenover de eerbiediging van de rechten van verdediging van de aangesprokene.

Wat dit laatste betreft bestaat geen dwingende reden op grond waarvan de rechten van verdediging van de aangesprokenen zouden kunnen beperkt worden opdat de benadeelden toch vergoeding van de beweerdelijk door hen geleden schade zouden kunnen bekomen.

De benadeelden dienen het bestaan en de omvang van hun schade te bewijzen, ook al betekent dit een inmenging in hun privé-leven door het mede¬delen van zakengeheimen. De benadeelden dienen zelf de afweging te maken tussen het nadeel dat de mededeling van zakengeheimen in het kader van de op hen rustende bewijslast voor hen kan betekenen, en het voordeel dat zij kun¬nen bekomen bij inwilliging van hun schadeaanspraken.

De inmenging in het privéleven van de benadeelden door het me¬dedelen van bewijsstukken houdende zakengeheimen, in de mate dat dit nood¬zakelijk is om in concreto het bestaan en de omvang van de beweerdelijk door hen geleden schade te bewijzen, is dan ook louter het gevolg van de op de be¬nadeelden rustende bewijslast. De bewijslastverdeling waarbij elke partij de bewijslast draagt van de feiten waarop zij zich beroept, en waarbij de rechter de onzekerheid of twijfel die blijft bestaan na de bewijsvoering in aanmerking moet nemen tegen diegene die de bewijslast draagt, streeft ook een wettig doel na en is evenredig met dat doel.

6. Eiser is te dezen rechtstreeks betrokken partij, in die zin dat hij in tussenkomst, gemeenverklaring en vrijwaring werd gedagvaard in het geding tussen verweerders inzake de schade geleden door het schorsingsarrest van de Raad van State van 25 maart 2003 (nr. 117.482) en de daaruit voortvloei¬ende schorsing van de aannemingsovereenkomsten.

Wanneer, zoals te dezen, de partij die de bewijslast draagt van de omvang van haar schade, zich beroept op de vertrouwelijkheid van haar stuk¬ken die de omvang van haar schade bewijzen, dan dient zij aan de partij tegen wie de vergoedingsaanspraken zijn gericht, en voor wie deze stukken dan ook rechtstreeks grievend kunnen zijn, mededeling te doen van die stukken in de mate dat zij zich hierop wenst te beroepen, minstens dient zij een niet ver¬trouwelijke versie van deze stukken mede te delen.

De rechten van verdediging van de aangesproken partij kunnen, ter eerbiediging van het zakengeheim van de partij die de aanspraken formu¬leert, niet dusdanig beknot worden dat de aangesproken partij geen mede¬deling (afschrift) bekomt van de tegen haar ingeroepen stukken, zelfs niet in niet-vertrouwelijke versie, en dat haar slechts de mogelijkheid wordt geboden tot "inzage" van deze stukken in een "datakamer" op door de deskundigen te bepalen tijdstippen zonder recht "op kopie- of notitiename onder welke vorm ook".

Door het recht op tegenspraak in de afweging met het zakenge¬heim dusdanig te beperken dat enkel de mogelijkheid tot het "aanschouwen" van de stukken wordt geboden, wordt elk nuttig verweer tegen de stukken en het deskundigenverslag dat op deze stukken steunt, uitgesloten. Het bestre¬den arrest kon dan ook niet wettig oordelen dat de rechten van verdediging van eiser voldoende gewaarborgd zijn door de aangenomen regeling voor de confidentiële stukken, ook al is er geen beperking wat betreft het aantal en de duur van de bezoeken aan de datakamer, noch wat betreft de identiteit van de bezoekers, en ook al bestaat een mogelijkheid tot vraagstelling waarop binnen de 7 dagen een antwoord dient te volgen (schending van de artikelen 6.1 en 8 EVRM, artikelen 1315, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, artikelen 870, 962, 972bis, § 1, eerste lid, 973, § 1, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, artikelen 736, 972, eerste lid, 973, derde lid, 978, eerste lid en 979, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek in hun versies aangehaald in de aanhef van het middel, artikel 34 van de wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek be-treffende het deskundigenonderzoek en tot herstel van artikel 509quater Strafwetboek, artikel 1042 Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbie¬diging van het recht van verdediging voorschrijft).

7. Bovendien moeten de moeilijkheden die één van de partijen bij de uitoefening van haar verdediging zou ondervinden om reden van een be¬perking van haar rechten, worden gecompenseerd door de waarborg van de voor het rechtscollege gevolgde procedure. Indien mogelijk dient een niet-ver¬trouwelijke versie te worden meegedeeld, en dient de rechter alleszins het vertrouwelijk karakter van de stukken te controleren, alsmede het feit of ze juist en relevant zijn.

De door het bestreden arrest uitgewerkte regeling voorziet, naast de mogelijkheid voor partijen de als confidentieel aangewezen stukken "te aanschouwen" in een datakamer zonder recht op kopie- of notitiename onder welke vorm ook, alleen de mededeling van de vertrouwelijke stukken aan de deskundigen, die hun verslag op deze stukken zullen kunnen steunen, zon¬der ze aan hun verslag te moeten voegen. Geen enkele rechterlijke controle is voorzien, noch op de weergave van deze stukken door de deskundigen of de gevolgen die de deskundigen hieruit zouden afleiden, noch op het werkelijk vertrouwelijk karakter van de alsdusdanig ingeroepen stukken.

De enkele door het bestreden arrest geboden mogelijkheid tot in¬zage van de vertrouwelijke stukken in een datakamer, op door de deskundigen te bepalen tijdstippen, zonder recht op kopie- of notitiename onder welke vorm dan ook, kan onmogelijk worden beschouwd als een afdoende procedurele compensatie voor de beperking van het recht op tegenspraak. De omstandig¬heid dat, naar het oordeel van de appelrechters, een rechterlijke controle op het vertrouwelijk karakter van de stukken, het deskundigenonderzoek node¬loos zou verlammen, kan hieraan geen afbreuk doen (schending van de arti¬kelen 6.1 en 8 EVRM, artikelen 1315, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, artikelen 870, 962, 972bis, § 1, eerste lid, 973, § 1, eerste lid, en 1042 Gerechte-lijk Wetboek, artikelen 736, 972, eerste lid, 973, derde lid, 978, eerste lid en 979, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek in de versies aangehaald in de aanhef van het middel, artikel 34 van de wet van 15 mei 2007 tot wijziging van het Ge¬rechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek en tot herstel van ar¬tikel 509quater Strafwetboek, en het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Overeenkomstig artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn bur-gerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld.

2. Uit deze regel vloeit voort dat aan de procespartijen de mogelijkheid wordt gebo-den om tegenspraak te voeren omtrent elk stuk of elk betoog dat van aard is het oordeel van de rechter te beïnvloeden.

Het beginsel van de tegenspraak, zoals gewaarborgd door deze verdragsbepaling, heeft betrekking op het geding voor de rechtbank en niet op het door de rechter bevolen des-kundigenonderzoek.

Het deskundigenonderzoek moet evenwel op zulke wijze verlopen dat de partijen de mogelijkheid hebben voor de rechter op doeltreffende wijze hun opmerkingen te formu-leren op het deskundigenverslag dat door de rechter als een essentieel bewijselement wordt aangemerkt.

Dit impliceert, mede in acht genomen de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die de tegensprekelijkheid van het gerechtelijk deskundigenonderzoek waarborgen, alsmede deze inzake de mededeling van de stukken, dat de partijen de stukken die zij in het kader van het deskundigenonderzoek willen aanwenden in de regel aan elkaar moeten overleggen en dat zij niet alleen het recht hebben inzage ervan te nemen, maar ook het recht deze af te schrijven of nog afschrift ervan te nemen.

3. Overeenkomstig artikel 8 EVRM heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

Deze bepaling houdt ook de bescherming in van het zakengeheim en geldt ook voor rechtspersonen.

De bescherming van het zakengeheim van een partij is derhalve een belang dat de rechter in aanmerking kan nemen om te oordelen dat niet ieder stuk waarmee de deskundige heeft rekening gehouden wordt meegedeeld aan de tegenpartij. Een dergelijke beoorde-ling houdt geen schending in van artikel 6 EVRM.

Of bij het afwegen van de respectieve belangen de tegensprekelijkheid van het deskun-digenonderzoek niet zodanig wordt beperkt dat daaruit een schending van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak voortvloeit, moet in concreto en in het licht van de zaak in haar geheel worden beoordeeld.

4. Anders dan waarvan het middel uitgaat, belet de omstandigheid dat een schadelij-der de bewijslast draagt van het bestaan en de omvang van zijn schade niet dat de rech-ter na een belangenafweging oordeelt dat de schadelijder een beroep kan doen op de be-scherming van het zakengeheim dat door artikel 8 EVRM is gewaarborgd.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

5. Het arrest stelt vast dat in de mate dat de aan de gerechtsdeskundige te overhandi-gen stukken betrekking hebben op de toekomststrategie van de verweersters en interne studies en prognoses bevatten met betrekking tot de evoluties op de elektriciteitsmarkt, alsmede informatie inzake de verdiensten van personeelsleden of nog inzake de eigen know-how van de ondernemingen of hun commerciële strategie, het bedrijfsgevoelige informatie betreft met een confidentieel karakter.

Het oordeelt verder dat:

- na belangenafweging, de confidentialiteit van deze gegevens ook ten aanzien van de eiser moet worden gewaarborgd;

- inzake de stukken die bedrijfsgevoelige informatie bevatten, wordt voorzien in een inzageregeling gebaseerd op de ontvangst van een datakamer-inventaris en toevoe-gingen en op de mogelijkheid tot kennisname van de in datakamer opgenomen do-cumenten op de door het college van deskundigen bepaalde tijdstippen, hetgeen vol-doende tegemoet komt aan de vereisten van tegensprekelijkheid en van eerbiediging van het recht van verdediging;

- de omstandigheid dat de bezoekers van de datakamer geen kopie dan wel nota kun-nen nemen van de aldaar te consulteren stukken, niet van aard is het algemeen princi-pe van de tegenspraak te schenden dat voldoende wordt gewaarborgd daar er geen beperking is voor wat betreft het aantal en de duur van de bezoeken, noch wat betreft de identiteit van de bezoekers, althans voor zover zij optreden als vertegenwoordigers dan wel de juridische/technische raadgevers zijn van de partij die van het inzagerecht gebruik wil maken;

- vermits de niet-confidentiële stukken het voorwerp kunnen uitmaken van inza-ge/kopiename en de als confidentieel aangemerkte stukken in elk geval onbeperkt ter inzage van partijen zijn, in casu, rekening houdend met de uitzonderlijke omstandig-heden van de zaak, noch van een schending van het tegensprekelijk karakter van het deskundigenonderzoek noch van een inbreuk op het vereiste tot mededeling van stukken sprake is;

- de ingevoerde beperking inzake de confidentiële stukken de redactie van een gemoti-veerd en controleerbaar deskundigenverslag niet in de weg staat.

6. Op grond van deze redenen, vermocht het arrest wettig te oordelen dat de doorge-voerde beperking inzake de tegensprekelijkheid van de verrichtingen, geen schending oplevert van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

7. In zoverre het middel aanvoert dat, door het recht op tegenspraak in afweging met het zakengeheim dusdanig te beperken dat enkel de mogelijkheid tot het nemen van in-zage van de stukken wordt geboden, elk nuttig verweer tegen deze stukken en het des-kundigenverslag dat op deze stukken steunt, wordt uitgesloten, is het gericht tegen de beoordeling in feite door de appelrechters en is het mitsdien niet ontvankelijk.

8. In zoverre het middel aanvoert dat ingevolge de afwezigheid van rechterlijke con-trole met betrekking tot het confidentieel karakter van de desbetreffende stukken, de be-perking van het recht op tegenspraak onvoldoende wordt gecompenseerd, is het even-eens gericht tegen de feitelijke beoordeling door de appelrechters dat het recht van de verdediging te dezen voldoende is gewaarborgd.

Het is in zoverre niet ontvankelijk.

Bindendverklaring

9. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt ieder belang aan de vordering tot bindendverklaring.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 1347,15 euro en voor de verweerders 1, 2 en 3 op 175,27 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszit-ting van 2 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van grif-fier Johan Pafenols.

J. Pafenols G. Jocqué K. Mestdagh

A. Smetryns E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Deskundigenonderzoek

  • Beginsel van tegenspraak

  • Begrip