- Arrest van 5 november 2012

05/11/2012 - C.12.0187.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Aangezien de vrederechter bevoegd is om uitspraak te doen over een vordering tot vergoeding wegens uitzetting overeenkomstig artikel 25, eerste lid, 3°, van de wet van 30 april 1951 op de handelshuurovereenkomsten, heeft de omstandigheid dat de rechter, bij de beoordeling van het verweer dat is afgeleid uit de afstand die de failliete vennootschap heeft gedaan van de vergoeding als uitgezette huurder, uitspraak moest doen over het tegenstelbaar karakter van die afstand aan de boedel, hetgeen op grond van artikel 17, 1°, van de wet van 8 augustus 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord wordt betwist, geen weerslag op de volstrekte bevoegdheid van de vrederechter.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0187.F

T. D.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

F.D.V., q.q.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 15 november 2011 in hoger be-roep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

De eerste voorzitter heeft de zaak bij beschikking van 18 september 2012 naar de derde kamer verwezen.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 9, 17, 18, 574, 2°, 602, 1°, 639 en 640 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 17, inzonderheid 1°, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997;

- de artikelen 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart "het hoger beroep van [de verweerder] qualitate qua ontvankelijk en gegrond; het vernietigt het beroepen vonnis, doet opnieuw uitspraak en veroordeelt [de eiseres] om aan [de verweerder], als curator over het faillissement van de bvba Oka & C° het bedrag van 108.000 euro (honderd en achtduizend euro) te betalen vermeerderd met de gerechtelijke interest; veroordeelt [haar] om [hem] het bedrag van 10.288,52 euro te betalen".

Het bestreden vonnis stelt eerst vast dat:

"[De eiseres] op 1 mei 2005 het gelijkvloers, de eerste verdieping en een kelder van een gebouw gelegen aan het nummer .. van de ... te ... aan de bvba Oka & C° (in dat vonnis aangewezen als huurder) heeft verhuurd met een handelshuurovereenkomst met een looptijd van negen jaar vanaf 1 mei 2005 'die van rechtswege eindigt op 30 april 2013' (lees: 2014). De huurovereenkomst wordt op 19 juni 2006 geregistreerd;

De plaatsen worden verhuurd om daarin een handel van 'restaurant, traiteur en banketten' te drijven (artikelen 1 en 13 van de huurovereenkomst);

De basishuurprijs wordt op 3.000 euro per maand vastgesteld;

Er is uitdrukkelijk bepaald dat 'de huurder tijdens de eerste zes maanden, dat wil zeggen tot 30 oktober 2005, geen huur zal betalen' (artikel 3, tweede lid, van de huurovereenkomst) en dat de verhuurder nieuwe ramen zal plaatsen als tegenprestatie voor de werken aan de elektriciteit, de loodgieterij en de verwarming door de huurder (artikel 21 van de huurovereenkomst);

Er wordt een huurwaarborg van 12.000 euro gesteld, wat overeenkomt met vier maanden huur (artikel 9 van de huurovereenkomst);

Conform artikel 3, vijfde lid, van de Handelshuurwet van 30 april 1951, bepaalt artikel 19, a), van de huurovereenkomst dat de verhuurder het recht heeft de huur te beëindigen bij het verstrijken van elke driejarige periode, mits hij één jaar tevoren opzegt, teneinde in het onroerend goed werkelijk zelf een handel te drijven of die werkelijk te laten drijven door een bij de wet bepaalde persoon;

Het restaurant, Oriad genaamd, opent in april 2006:

De werken die de [huurder] heeft uitgevoerd, hebben echter langer dan voorzien aangesleept en de eerste huur die in november 2005 verschuldigd was, werd niet betaald. Op 11 juni 2006 dagvaardt [de eiseres] de bvba Oka & C° voor de vrederechter te Elsene om de achterstallen, ten belope van 24.000 euro , langs gerechtelijke weg te verkrijgen evenals de beëindiging van de huur ten laste van de [verweerder] te verkrijgen;

De vrederechter veroordeelt de vennootschap Oka & C° op 27 juni 2006 bij verstek tot betaling van een provisioneel bedrag van 20.000 euro ;

De vennootschap tekent op 22 augustus 2006 verzet aan tegen dat vonnis;

Het dossier van de rechtspleging op verzet is pas in juni 2007 in staat van wijzen en daarna komen de partijen tot een akkoord omdat [de eiseres] in het kader van dat verzet, waarop op 16 december 2008 uitspraak wordt gedaan, enkel de veroordeling van de vennootschap Oka & C° in de kosten vordert. Gelet op het tijdsverloop stelt de rechtbank vast dat de vennootschap Oka & C° op dat ogenblik reeds failliet is;

De inhoud van het akkoord wordt niet meegedeeld aan de rechtbank.

Later zal [de eiseres] aan [de verweerder] melden 'dat zij niet van plan is haar kosten te verhalen aangezien zij een zeer goede verstandhouding met haar ex-huurder heeft behouden';

Intussen, op 15 december 2006, betekent [de eiseres] aan de vennootschap Oka & C° de beëindiging van de huurovereenkomst bij het einde van de eerste driejarige periode 'om persoonlijk in het pand een andere handelsactiviteit uit te oefenen'. De opzeg loopt af op 30 april 2008.

Het restaurant sluit in januari 2007, enkele weken na de brief tot beëindiging van de huur. Nadien worden nieuwe werken uitgevoerd om de plaats tot 'champagnebar' om te vormen.

Op 29 januari 2007 vraagt de vennootschap Oka & C° een stedenbouwkundige vergunning aan voor "de bestemmingswijziging [van het ] restaurant in een café met spektakelzaal en het aanbrengen van een uithangbord'. [De eiseres] ondertekent mede die aanvraag 'voor akkoord';

De nieuwe activiteit begint in juni 2007:

Op 30 april 2008 eindigt de huurovereenkomst van de vennootschap Oka & C° ten gevolge van de opzegging die op 15 december 2006 werd betekend;

Op 22 mei 2008 sluit [de eiseres] een nieuwe handelshuurovereenkomst met de naamloze vennootschap V.D.Z. Invest. Die huur gaat met terugwerkende kracht in op 1 mei 2008 (handelshuurovereenkomst van 22 mei 2008);

Op de afschriften die aan de rechtbank worden voorgelegd is het bedrag van de huur 'doorgehaald', zodat de nieuwe huur die [de eiseres] voor het verhuurde goed ontvangt, niet kan worden achterhaald;

Bij overeenkomst van 23 mei 2008 doet de vennootschap Oka & C° 's anderendaags afstand van de uitzettingsvergoeding die is bepaald bij de artikelen 25, 3°, en 26 van de Handelshuurwet;

Op 3 september 2008 doet de vennootschap Oka & C° aangifte van faillissement;

Bij vonnis van 8 september 2008 spreekt de rechtbank van koophandel te Brussel het faillissement uit en stelt [de verweerder] aan als curator;

Het vonnis van 20 februari 2009 van de rechtbank van koophandel stelt de staking van betaling vast op 8 maart 2008. Het bevoorrecht passief bedraagt 34.000 euro en het niet-bevoorrecht 90.000 euro .

De rechtbank neemt ook nog kennis van de volgende elementen:

In 2007 is een geschil gerezen tussen de twee vennoten-bestuurders van de vennootschap Oka & C°, de heer K. en mevrouw I. De rechtbank van koophandel te Brussel, zitting houdend als in kortgeding, heeft op 19 oktober 2007 beslist mevrouw I. uit te sluiten als vennoot en zaakvoerder en de gedwongen overdracht bevolen van al haar aandelen aan de heer K.. Dat vonnis was uitvoerbaar. Hoger beroep werd ingesteld tegen die beslissing maar het resultaat ervan wordt niet meegedeeld;

Enkele weken later, op 5 december 2007, neemt de heer K. ontslag als zaakvoerder, in zijn plaats wordt de heer G.M. aangesteld. Er wordt niet betwist dat de heer M. een personeelslid is van de naamloze vennootschap Vander Zijpen die hoofdzakelijk toebehoort aan de heer M.V. die verder ter sprake komt.

Vijf dagen later, op 10 december 2007, draagt de heer K. 50 pct. van zijn aandelen in de vennootschap Oka & C° over aan de heer M.V. met aankoopoptie op de overblijvende 50 pct. De heer M.V. licht die optie op 10 januari 2008 en verwerft de overblijvende 50 pct van de aandelen. De totale prijs die voor de aankoop van de vennootschap wordt betaald bedraagt 51 euro (1 euro + 50 euro);

Bij het sluiten van de huurovereenkomst op 22 mei 2008 wordt de naamloze vennootschap V.D.Z. Invest, de nieuwe huurder, vertegenwoordigd door haar afgevaardigd bestuurder, de heer M.V., die tevens bestuurder is van de naamloze vennootschap Vander Zijpen;

Bij de overeenkomst van 23 mei 2008 tot afstand van uitzettingsvergoeding werd de vennootschap Oka & C° vertegenwoordigd door haar zaakvoerder de heer G.M.;

Op 22 april richt de heer M.V. de bvba Intersiz op met zetel op de plaats die thans in het geding is:... . Hij bezit alle aandelen van die vennootschap en is zaakvoerder. Het maatschappelijk doel van die vennootschap is de exploitatie van 'discotheken, dancings en soortgelijke', volgens de gegevens van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen;

Hoewel de heer G.M. zaakvoerder was van de vennootschap Oka & C°, werden de beheerskosten door de naamloze vennootschap V.D.Z. Invest aan die vennootschap aangerekend;

Er wordt niet betwist dat er een nauwe band bestaat tussen de uitgezette huurder en de nieuwe huurder".

Wijst vervolgens op het volgende:

"[De verweerder] heeft als curator van de bvba Oka & C° op 27 januari 2009 [de eiseres] gedagvaard om te verschijnen voor de vrederechter van het kanton Elsene om haar te doen veroordelen in de betaling van de hoofdsom van 108.000 euro als uitzettingsvergoeding, vermeerderd met de gerechtelijke intrest en de kosten;

[Hij] vroeg tevens de voorlopige tenuitvoerlegging van het te wijzen vonnis;

[De eiseres] heeft een tegenvordering ingesteld tot veroordeling van [de verweerder] in de betaling van een vergoeding van 3.500 euro wegens tergend en roekeloos geding;

De vrederechter heeft bij een op tegenspraak gewezen vonnis van 5 januari 2010 de oorspronkelijke eis van [de verweerder] q.q. afgewezen en hem veroordeeld in de kosten ten belope van 5000 euro als rechtsplegingsvergoeding. Hij heeft tevens de tegenvordering van [de eiseres] afgewezen en haar veroordeeld in de kosten ten belope van 650 euro als rechtsplegingsvergoeding;

De eerste rechter heeft het vonnis uitvoerbaar verklaard;

[De verweerder] q.q. heeft bij verzoekschrift van 19 januari 2010 hoger beroep ingesteld;

In zijn appelconclusie herneemt [de verweerder] zijn oorspronkelijke vordering. Bijgevolg vraagt hij de veroordeling van [de eiseres] tot betaling van het bedrag van 108.000 euro vermeerderd met de gerechtelijke intrest. Bovendien vraagt hij [haar] veroordeling in de 'gedingkosten' die hij op 10.288,52 euro bepaalt;

[De eiseres] besluit dat het hoger beroep niet gegrond is. Zij vraagt bijgevolg dat de eis van [de verweerder] wordt afgewezen, dat het beroepen vonnis wordt bevestigd en dat [de verweerder] qualitate qua in de 'gedingkosten wordt veroordeeld, inclusief de rechtsplegingsvergoeding, ten belope van 5.000 euro vermeerderd met de gerechtelijke intrest vanaf de datum van het uit te spreken vonnis (Cass. 30 maart 2001)'. Zij bepaalt de rechtsplegingsvergoeding op 5.000 euro per aanleg", en verder nog dat:

"[De verweerder] q.q. betoogt dat [de eiseres] niet zelf de plaats heeft geëxploiteerd en bijgevolg de vergoeding wegens uitzetting moet betalen;

Hij voert aan dat de overeenkomst van afstand van de vergoeding wegens uitzetting (door de partijen 'overeenkomst van afstand van vergoeding' genaamd), die op 23 mei 2008 is ondertekend, dus tijdens de verdachte periode, niet tegenstelbaar is aan de boedel met toepassing van artikel 17, 1°, Faillisementswet;

Volgens hem heeft de vennootschap Oka & C° afstand gedaan van een vaststaande, zekere en opeisbare schuldvordering. Het betreft een afstand zonder tegenprestatie die bijgevolg onder toepassing van artikel 17 Faillissementswet valt;

Hij haalt de rechtsleer aan die stelt dat ' l'inopposabilité dont sont frappées les opérations énumérées à l'article 17 de la loi sur les faillites est obligatoire : le tribunal se borne à en vérifier la date et la nature. Il doit prononcer l'inopposabilité dès lors que les opérations qui lui sont soumises sont visées par cette disposition et qu'elles ont été commises pendant la période suspecte, sans égard aux mobiles des parties ou à leur bonne foi. La loi établit de façon irréfragable une présomption de connaissance de l'état de cessation de paiement dans le chef des parties à l'opération. Elle présume de la même manière l'existence d'un préjudice pour la masse, sauf lorsque l'inopposabilité est demandée pour cause d'équivalence des prestations réciproques, qui suppose évidemment l'existence d'un dommage' (A. Zenner, ‘Dépistages, faillites et concordats', Larcier, 1998, p. 741, § 1044-1045) ;

[De verweerder] q.q. wijst erop dat in tegenstelling tot hetgeen [de eiseres] beweert, zij niet meer in staat was de plaats zelf te exploiteren op het ogenblik waarop de overeenkomst van afstand van de vergoeding wegens uitzetting werd ondertekend aangezien zij de plaats de dag voordien aan de naamloze vennootschap V.D.Z. Invest had verhuurd;

Hij betoogt dat uit de chronologie van de feiten blijkt dat het plan om de plaats aan de naamloze vennootschap V.D.Z. Invest te verhuren voorafging aan de afstand door de vennootschap Oka & C° van haar recht op vergoeding" en stelt ten slotte vast dat:

"[De eiseres] wat haar betreft, betoogt dat de eerste rechter bevoegd was om de omstandigheden te beoordelen waarin de verrichtingen tijdens de verdachte periode zijn gebeurd en dat hij in dat verband terecht heeft beslist dat de verhuur van de plaats aan de naamloze vennootschap V.D.Z. Invest en de afstand van de vergoeding wegens uitzetting volstrekt 'onscheidbaar waren';

[Zij] meent dat het 'logisch is dat de overeenkomst van afstand van de vergoeding na de nieuwe huurovereenkomst is gesloten [...] aangezien artikel 25 Handelshuurwet een regel van dwingend recht oplegt zodat de begunstigde van een afstand geen afstand van een dergelijk recht kan doen dan na het ontstaan daarvan';

Zij artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek aanvoert luidens hetwelk alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degenen die deze hebben aangegaan tot wet strekken;

Zij stelt dat '[zij] oprecht de bedoeling had persoonlijk de plaats te betrekken binnen de bij artikel 25,3°, Handelshuurwet bepaalde termijnen" en dienaangaande aanvoert dat niet is aangetoond dat het plan om de plaats aan de naamloze vennootschap V.D.Z. Invest te verhuren voorafging aan de afstand door de vennootschap Oka & C° en dat dat gegeven volgens haar bovendien niet ter zake doet;

Zij stelt dat "hoe dan ook [...] rekening dient te worden gehouden met feit dat de overeenkomst van 23 mei 2008 in een bijzondere context past, in die zin dat zij het goed niet zou hebben verhuurd als er geen instemming was geweest over de afstand door de vennootschap Oka & C° van de voormelde vergoeding wegens uitzetting";

Zij stelt dat de stelling van de automatische toepassing van artikel 17 Faillissementswet genuanceerd dient te worden en dat voormeld artikel alleen van toepassing is 'wanneer de handelingen die in de verdachte periode zijn gesteld ongebruikelijk of abnormaal zijn' en dat de bestanddelen van het ongebruikelijk karakter in dit geval 'niet aangetoond zijn', aangezien de vennootschap Oka & C° in werkelijkheid geen afstand heeft gedaan van enig bedrag waarop zij aanspraak had kunnen maken' aangezien '[de eiseres] de plaats zelf zou hebben betrokken indien de vennootschap geen afstand zou hebben gedaan';

[De eiseres] ook van oordeel is dat artikel 18 van de Faillissementswet evenmin van toepassing is. De overeenkomst van afstand zou evenwel voor haar 'de gewichtige reden zijn, als bepaald in artikel 25, 3°, Handelshuurwet, die haar heeft verhinderd de reden voor de beëindiging van de handelshuurovereenkomst van de vennootschap Oka & C° te verwezenlijken';

Volgens haar ‘de overeenkomst van afstand van de vergoeding volstrekt tegenstelbaar is aan de boedel';

[De eiseres] ten slotte meent dat die overeenkomst, ook al was ze niet tegenstelbaar aan de boedel, quod non volgens haar, 'voor [haar] volstrekt geldig zou blijven'".

Het bestreden vonnis steunt op de volgende motieven:

"Uit het voorgaande volgt dat het geschil in feite hierom gaat: is de overeenkomst tot afstand van de vergoeding wegens uitzetting die de vennootschap Oka & C° heeft gesloten, tegenstelbaar aan de boedel?

Artikel 17 van de Faillissementswet bepaalt verschillende categorieën van niet tegenstelbaarheid. Die bepaling luidt als volgt:

'Aan de boedel kunnen niet worden tegengeworpen, wanneer zij door de schul-denaar zijn verricht sinds het door de rechtbank bepaalde tijdstip van staking van betaling :

1° alle handelingen waarbij om niet wordt beschikt over roerende of onroerende goederen, alsmede handelingen, verrichtingen of overeenkomsten, vergeldend of onder bezwarende titel, indien de waarde van hetgeen de gefailleerde heeft gegeven, de waarde van hetgeen hij daarvoor heeft ontvangen, aanmerkelijk overtreft;

2° alle betalingen, hetzij in geld, hetzij bij overdracht, verkoop, schuldvergelijking of anderszins, wegens niet vervallen schulden, en alle betalingen anders dan in geld of in handelspapier, wegens vervallen schulden;

3° alle bedongen hypotheken en alle rechten van gebruikspand of van pand, op de goederen van de schuldenaar gevestigd wegens voordien aangegane schulden';

[De eiseres] betwist in dit geval niet dat zij de plaats niet persoonlijk heeft geëx-ploiteerd;

Zij betwist evenmin dat het recht van de vennootschap Oka & C° om de vergoeding wegens uitzetting te vorderen ontstaan is door het sluiten van de handels-huurovereenkomst met de vennootschap V.D.Z. Invest (artikel 2 van de overeenkomst tot afstand van de vergoeding). Zij bevestigt dat herhaaldelijk in haar conclusie en bovendien volgt dat ook uit de tekst van artikel 2 van de overeenkomst van afstand van de vergoeding die luidt als volgt: 'De partijen erkennen dat het recht van de vennootschap Oka & C° op de vergoeding wegens uitzetting die overeenstemt met drie jaren huur ten laste van [de eiseres] is ontstaan door het sluiten op 23 mei 2008, met ingang op 23 mei 2008, van de handelshuurovereen-komst tussen [de eiseres] en de vennootschap V.D.Z. Invest';

De rechtbank leidt daaruit af dat [de eiseres] bijgevolg niet betwist dat de toepassingsvoorwaarden van de vergoeding wegens uitzetting als bepaald bij de artikelen 25 en 26 Handelshuurwet te dezen vervuld zijn;

Bijgevolg heeft de vennootschap Oka & C° door afstand te doen van de vergoeding wegens uitzetting waarop zij krachtens de Handelshuurwet recht had, afstand gedaan van een vaststaande, zekere en opeisbare schuldvordering;

Er dient te worden beklemtoond dat de vennootschap Oka & C° die afstand heeft aanvaard zonder tegenprestatie, enkel omdat zij nauwe banden had met de nieuwe huurder, de naamloze vennootschap V.D.Z. Invest, waarvan een van de afgevaar-digde bestuurders inmiddels eigenaar was geworden van de bvba Oka & C°, en omdat er ook een goede verstandhouding bestond tussen die vennootschap en de eigenaar;

Een dergelijke verrichting behoort ongetwijfeld tot de verrichtingen die zijn bedoeld in artikel 17 van de Faillissementswet en kan dus niet worden tegengeworpen aan de boedel. ' On ne peut tolérer qu'un commerçant s'appauvrisse sans contrepartie à moins de six mois de sa faillite' (Fr. T'Kint en W. Derijcke, ‘La faillite', Répertoire notarial, Larcier, 2006, p. 260, nr. 304) ;

In tegenstelling tot het beroepen vonnis moet de rechtbank beslissen dat de afstand niet aan de boedel kan worden tegengeworpen en beschikt zij over geen enkele beoordelingsruimte (Fr. T'Kint en W. Derijcke, ‘La faillite', Répertoire notarial, Larcier, 2006, p. 259, nr. 300). De eventuele goede trouw van [de eiseres] doet bijgevolg niet ter zake.

Het beroepen vonnis heeft bijgevolg ten onrechte geoordeeld dat de verrichtingen van verhuur aan de naamloze vennootschap V.D.Z. Investment en de afstand door de vennootschap Oka & C° 'volstrekt onscheidbaar waren';

De omstandigheid dat de handelshuur tussen [de eiseres] en de naamloze vennootschap V.D.Z. Invest alleen is gesloten op voorwaarde dat de vennootschap Oka & C° afstand deed van de vergoeding wegens uitzetting staat de toepassing van artikel 17 Faillissementswet geenszins in de weg;

Bovendien kan uit verschillende elementen van het dossier worden afgeleid dat, zoals [de verweerder] q.q. betoogt, het plan om de plaats aan de naamloze vennootschap V.D.Z. Invest te verhuren aan de afstand van de vergoeding wegens uitzetting door de bvba Oka & C° voorafging;

In dat verband wijst de rechtbank erop dat de instemming van [de eiseres] met de aanvraag tot wijziging van de bestemming van de plaats die de vennootschap Oka & C° heeft ingediend bij de dienst stedenbouw niet spoort met haar plan om per-soonlijk in de plaats een andere handelsactiviteit uit te oefenen;

Het chronologisch verloop van de verrichtingen van de heer V. waardoor de naamloze vennootschap V.D.Z. Invest de activiteit van champagnebar in de gehuurde plaats 'heeft overgenomen' (ontslag van de heer K. uit zijn functie als zaakvoerder van de vennootschap Oka & C° in de maand december 2007, overname van alle aandelen van de vennootschap Oka & C° in januari 2008, oprichting van de vennootschap Intersiz in april 2008) wijst erop dat het plan van de naamloze vennootschap V.D.Z. Invest voorafging aan de afstand door de vennootschap Oka & C° van haar recht op vergoeding, wat enkel mogelijk was als er voordien met de eigenaar van de plaats was onderhandeld;

De rechtbank wijst bovendien erop dat [de eiseres] in conclusie weliswaar betoogt dat 'zij de plaats persoonlijk zou hebben betrokken' indien geen afstand zou zijn gedaan van de vergoeding wegens uitzetting, maar niet dat zij in die plaats daadwerkelijk een handelsactiviteit zou hebben uitgeoefend, als vereist bij artikel 3, vijfde lid, Handelshuurwet;

In tegenstelling tot hetgeen [de eiseres] aanvoert, kan de overeenkomst tot afstand van de vergoeding geen gewichtige reden vormen in de zin van artikel 25, 3°, Handelshuurwet aangezien de betrokkene die overeenkomst vrijwillig heeft geslo-ten;

Het argument van [de eiseres] ten slotte dat de overeenkomst tot afstand van de vergoeding wegens uitzetting voor haar hoe dan ook volstrekt geldig blijft, doet niet ter zake;

Als blijkt dat de handelingen die niet aan de boedel kunnen worden tegenworpen niet nietig zijn, dan heft artikel 17 Faillissementswet de litigieuze handeling op voor zover de bescherming van de belangen van de schuldeisers dat vereist;

[De eiseres] betwist niet dat het bedrag van de vergoeding wegens uitzetting overeenstemt met drie jaar huur. Artikel 2 van de overeenkomst tot afstand van de vergoeding bepaalt immers dat 'de partijen erkennen dat de vennootschap Oka & C° het recht heeft een vergoeding wegens uitzetting te vorderen die met drie jaar huur overeenstemt."

Het bestreden vonnis besluit op die gronden dat "de oorspronkelijke vordering en het hoger beroep bijgevolg gegrond zijn".

Grieven

Luidens artikel 574, 2°, Gerechtelijk Wetboek neemt de rechtbank van koophandel, zelfs wanneer partijen geen handelaar zijn, kennis van vorderingen en geschillen rechtstreeks ontstaan uit het faillissement overeenkomstig de voorschriften van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat van toepassing is op het stelsel van het faillissement.

Het bijzonder recht dat van toepassing is op het stelsel van het faillissement in de zin van die bepaling omvat de vordering van niet- tegenstelbaarheid die uitsluitend aan de curator toebehoort ten voordele van de boedelschuldeisers van de gefailleerde en die, op grond van artikel 17, 1°, Faillissementswet, ertoe strekt te doen verklaren dat "niet aan de boedel kunnen worden tegengeworpen, wanneer zij door de schuldenaar zijn verricht sinds het door de rechtbank bepaalde tijdstip van staking van betaling, alle handelingen waarbij om niet wordt beschikt over roerende of onroerende goederen, alsmede handelingen, verrichtingen of overeenkomsten, vergeldend of onder bezwarende titel, indien de waarde van hetgeen de gefailleerde heeft gegeven, de waarde van hetgeen hij daarvoor heeft ontvangen, aanmerkelijk overtreft".

De uitsluitende volstrekte bevoegdheid van de rechtbank van koophandel in deze aangelegenheid raakt de openbare orde, gelet op de artikelen 9, 639 en 640 van het Gerechtelijk Wetboek en 6, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek.

Krachtens de artikelen 9, tweede lid, 639 en 640 van het Gerechtelijk Wetboek verklaart de rechtbank van eerste aanleg die, wanneer geen exceptie van onbevoegdheid is voorgedragen, geen verwijzing naar de arrondissementsrechtbank beveelt, zich immers impliciet doch zeker bevoegd om in hoger beroep kennis te nemen van de beslissing die in eerste aanleg door de vrederechter is gewezen.

Volgens artikel 602, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek is het echter het hof van be-roep dat kennisneemt van het hoger beroep tegen beslissingen in eerste aanleg gewezen over geschillen waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat van toepassing is op het stelsel van het faillissement en die bijgevolg tot de uitsluitende volstrekte bevoegdheid van de rechtbank van koop-handel behoren.

De rechtbank van eerste aanleg, die zich ambtshalve in hoger beroep onbevoegd verklaart, moet met toepassing van artikel 640 van het Gerechtelijk Wetboek, de zaak naar de arrondissementsrechtbank verwijzen.

De schending van de voornoemde regels kan voor het eerst voor het Hof van Cassatie worden aangevoerd als de eiser daartoe over een gewettigd belang be-schikt in de zin van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek.

Volgens de rechtspraak van het Hof geldt dat niet voor een partij die opkomt "tegen een beslissing die overeenkomstig haar conclusie is gewezen", aangezien die partij "geen grief uit tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg dat, op haar hoger beroep en overeenkomstig haar conclusie, de rechter bevoegd verklaart om kennis te nemen van het hoger beroep" (zie Cass. 31 januari 2008, AC 2008, nr. 74; R.C.J.B, 2008, 558, noot J.-Fr. Van Drooghenbroeck, "L'interdiction d'abjurer en cassation même au nom de l'ordre public").

Zo ook wordt geoordeeld dat de eiser geen belang heeft wanneer hij kritiek oefent op een arrest dat, overeenkomstig zijn conclusie, de rechtsvordering aanneemt die hij voor de rechtbank van eerste aanleg heeft ingesteld (Cass., 10 oktober 2002, AC 2002, nr. 527; 22 oktober 2001, AC 2001, nr. 564).

In dezelfde zin is het middel bij gebrek aan belang van de eiser niet ontvankelijk wanneer het gericht is tegen de beslissing die de vordering tot uitlegging van een beslissing aanneemt, wanneer de eiser zelf om de uitlegging ervan heeft gevraagd (Cass., 26 april 2001, AC 2001, nr. 236).

In dit geval blijkt uit de vaststellingen van het bestreden vonnis dat 1. de curator [de eiseres] "heeft gedagvaard om te verschijnen voor de vrederechter van het kanton Elsene om haar te doen veroordelen tot betaling van de hoofdsom van 108.000 euro als vergoeding wegens uitzetting, benevens de gerechtelijke intrest en de kosten"; 2. [de eiseres] voor de vrederechter "bij tegenvordering de veroordeling van de [de curator] tot een vergoeding van 3.500 euro wegens tergend en roekeloos geding vroeg"; 3. de curator zijn vordering zag afgewezen door het beroepen vonnis en alleen hoger beroep heeft ingesteld waardoor de zaak aanhangig is gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg. 4. [de eiseres] voor laatstgenoemde de betwistingen heeft herhaald die zij eerder tegen de vordering had aangevoerd; 5. geen van de partijen conclusies heeft genomen over de volstrekte bevoegdheid van de vrederechter en van de rechtbank van eerste aanleg in hoger beroep; 6. de stelling van de curator uitsluitend steunt op de toepassing van artikel 17 Faillissementswet; 7. de rechtbank van eerste aanleg besluit dat "uit het voorgaande volgt dat het geschil in feite hierom gaat dat de overeenkomst tot afstand van de vergoeding wegens uitzetting die de bvba Oka & C° heeft gesloten, niet tegenstelbaar is aan de boedel".

Uit die vermeldingen volgt dat 1. het voorwerp van de vordering van de curator voor de vrederechter en voor de rechtbank van eerste aanleg tot de uitsluitende volstrekte bevoegdheid van de rechtbank van koophandel behoort en dat 2. [de eiseres]in de procedure nooit enig standpunt heeft genomen waardoor zij haar be-lang zou hebben verloren om kritiek uit te oefenen op het bestreden vonnis dat haar schaadt.

Het bestreden vonnis dat het hoger beroep van de curator tegen een beslissing over een geschil dat tot de uitsluitende volstrekte bevoegdheid van de rechtbank van koophandel behoort, ontvankelijk en gegrond verklaart en dat aldus oordeelt dat de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is om daarvan in hoger beroep kennis te nemen zonder zich ambtshalve onbevoegd te verklaren, schendt het geheel van de in het middel aangewezen wetsbepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De volstrekte bevoegdheid die bepaald is naar het onderwerp van de vordering, wordt beoordeeld op grond van de vordering zoals zij door de eiser is gesteld.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de vordering van de verweerder voor de vrederechter strekte tot veroordeling van de eiseres tot betaling van een vergoeding die zij krachtens artikel 25, eerste lid, 3°, Handelshuurwet, verschuldigd zou zijn omdat zij haar voornemen, op grond waarvan zij de gefailleerde vennootschap uit de verhuurde plaats had kunnen uitzetten, niet heeft verwezenlijkt.

Een dergelijke vordering behoort krachtens artikel 591, 1°, Gerechtelijk Wetboek, tot de bevoegdheid van de vrederechter.

De omstandigheid dat de vrederechter, om het verweer te beoordelen dat eiseres afleidt uit de afstand door de gefailleerde vennootschap van de gevorderde ver-goeding, uitspraak diende te doen over het feit of die afstand aan de boedel kon worden tegengeworpen, hetgeen de verweerder op grond van artikel 17, 1°, Fail-lissementswet betwist, beïnvloedt de volstrekte bevoegdheid van de vrederechter niet.

Het bestreden vonnis dat de onbevoegdheid van die rechter niet opwerpt en dus evenmin die van de rechtbank van eerste aanleg om kennis te nemen van het hoger beroep tegen het vonnis dat hij heeft gewezen, schendt geen van de in het middel aangewezen wetsbepalingen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain Si-mon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 5 november 2012 uit-gesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Bevoegdheid

  • Vrederechter

  • Vergoeding wegens uitzetting

  • Afstand

  • Betwisting

  • Faillissement

  • Tegenstelbaarheid aan de failliete boedel

  • Weerslag