- Arrest van 5 november 2012

05/11/2012 - S.10.0097.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De uitsluiting van de jonge werknemer die de verbintenis die hij is aangegaan in de overeenkomst, waarin hij zich ertoe verbindt werk te zoeken, bedoeld in artikel 59quinquies, §5, vijfde lid, en §6 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, niet heeft nageleefd, is geen sanctie maar een maatregel ten aanzien van een jonge werknemer die niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van wachtuitkeringen, meer bepaald actief werk zoeken en, bijgevolg, wegens omstandigheden buiten zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn, en die bijgevolg geen recht heeft op die uitkeringen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0097.F

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

D.D.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 22 juni 2010 van het arbeidshof te Luik, afdeling Namen.

De raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 14 van de Grondwet;

- de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goed-gekeurd bij de wet van 13 mei 1955 en, voor zoveel als nodig, alle bepalingen van die wet;

- de artikelen 7, 14 en 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, ondertekend te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981 en, voor zoveel als nodig, alle bepalingen van die wet;

- de artikelen 2, 7 en 7bis van het Strafwetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel betreffende het begrip administratieve sanctie;

- artikel 7, §1, derde lid, i), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

- de artikelen 36, 44, 56, §1, 58, §1, 59bis, §1, 59ter, eerste en tweede lid, 59quater, §1, eerste lid en §5, eerste en tweede lid, 59quinquies, §1, eerste lid, §5, eerste en vijfde lid, §6, eerste lid en §7, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.

Aangevochten beslissingen

Het arrest vervangt de maatregel van vier maanden uitsluiting van het genot van de werkloosheidsuitkeringen die de eiser in zijn beslissing van 17 november 2008 jegens de verweerder heeft genomen door een verwittiging.

Die beslissing steunt op de volgende overwegingen:

"3.2 De omschrijving van de sanctie van uitsluiting die op grond van artikel 59quinquies is opgelegd.

Hoewel de uitsluiting van het recht op uitkeringen wegens onvrijwillig zonder ar-beid zijn of wegens onbeschikbaarheid voor de arbeidsmarkt voortvloeit uit het niet-naleven van een toekenningsvoorwaarde van de uitkeringen (wat kan leiden tot uitsluiting als de werkloze voorbehoud maakt bij zijn wedertewerkstelling of een passend werk weigert of nog wanneer hij niet langer is ingeschreven als werkzoekende) en hoewel het Hof van Cassatie het verlies van een recht wegens het niet-vervullen van een toekenningsvoorwaarde niet omschrijft als een strafrechtelijke sanctie, moet toch worden vastgesteld, enerzijds, dat die stelling niet unaniem aanvaard wordt vooral sedert de inwerkingtreding van artikel 53bis, krachtens hetwelk de directeur zich kan beperken tot het geven van een verwittiging of de beslissing gepaard kan laten gaan met een uitstel (wat betreft het onvrijwillig zonder arbeid zijn) en, anderzijds, nagaan of de sanctie in de ruime betekenis van het woord, na de vaststelling dat men zich onvoldoende actief heeft getoond op de arbeidsmarkt, niet valt onder het begrip strafsanctie, ongeacht het feit dat de artikelen 58, 59bis en volgende behoren tot afdeling 2 met als opschrift 'Beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt' en aldus tot de toekenningsvoorwaarden behoren.

Er dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen het automatisch ge-volg van het niet of niet meer vervuld zijn van een toekenningsvoorwaarde, te weten het verlies van een recht en niet een tijdelijke uitsluiting, en de sanctie wegens een onaangepast gedrag, zelfs als dat wordt beoordeeld over een bepaalde min of meer lange periode en niet gerelateerd is aan een afzonderlijke daad.

Aldus valt best te begrijpen dat het verlies van het recht op uitkeringen wordt be-schouwd als het gevolg van de schrapping van de inschrijving; in dat geval is het stopzetten van de uitkeringen een gevolg van een vaststelling.

Bij activatie daarentegen wordt het gedrag van de werkloze bestraft met een sanctie die niet kan worden aangepast na een onderhoud en de ondertekening van een 'overeenkomst' en naderhand een nieuw onderzoek van zijn gedrag met mogelijk een nieuwe overeenkomst die op haar beurt kan leiden tot een definitieve uitsluiting zonder meer.

De eerste sanctie als betwist in het beroep dat bij het [arbeids]hof is ingesteld, kan niet worden aangepast rekening houdend met de inspanningen van de werkloze, terwijl precies dat gedrag de procedure in gang heeft gezet (en niet zijn vroeger gedrag, aangezien als de voorwaarden van de eerste overeenkomst als vervuld worden beschouwd, de procedure eindigt zonder dat er gevolgen zijn voor de werkloze), maar enkel in functie van de familiale of financiële toestand van de werkloze en van het feit of hij al dan niet werkloosheidsuitkeringen of wachtuitke-ringen ontvangt.

De criteria die het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrij-heden in aanmerking neemt voor het omschrijven van een strafrechtelijke sanctie moeten in het licht van de reglementering worden beoordeeld om te zien of ze ver-vuld zijn; (...).

Het [arbeids]hof deelt dus de mening van J.-Fr. N. en E. D., die stellen dat:

'L'application aux sanctions prévues en matière d'activation de recherche d'emploi des critères qui, dans la jurisprudence de la Cour de cassation, permettent d'identifier le caractère pénal d'une sanction, conduirait aux constatations suivantes :

- l'obligation de rechercher activement un emploi a un caractère général ; elle concerne la majorité des chômeurs, seules certaines catégories de chômeurs dotés de statuts particuliers (notamment les plus de cinquante ans) en sont exclus ;

- il est manifeste que la réglementation impose un comportement déterminé (de re-cherche active d'emploi) dont elle réprime le non-respect ;

- le processus mis en place tend à éviter la réitération d'une attitude passive en matière de recherche d'emploi ;

- les sanctions sont connues d'avance (et clairement annoncées), de sorte qu'elles sont destinées à inciter le chômeur à respecter l'obligation de rechercher activement un emploi ;

- la réglementation témoigne d'une certaine sévérité par rapport au comportement visé : il suffit à cet égard de penser aux situations dans lesquelles une suppression intervient alors qu'une partie seulement des engagements n'a pas été respectée.

Les sanctions apparaissent ainsi comme n'étant pas dénuées de caractères à la fois préventif et répressif. L'objectif est d'inciter les chômeurs à « remettre le pied à l'étrier » de l'emploi mais aussi de sanctionner ceux qui, malgré les diverses invitations en ce sens, ne font pas d'efforts et les démarches nécessaires'.

De maatregelen of sancties die op grond van artikel 59quinquies worden genomen zijn bijgevolg wel degelijk van strafrechtelijke aard in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Wanneer dus in de bovenvermelde omstandigheden een gedrag wordt bestraft dat inzake activatie als onaangepast wordt beschouwd, legt men in feite een strafrechtelijke sanctie op ondanks het feit dat de reglementaire bepaling als een toekenningsvereiste wordt aangemerkt.

Wat betekent die omschrijving?

(...) Het beginsel van de evenredigheid van de sanctie maakt het mogelijk een maatregel op te leggen die minder zwaar is dan die welke door het reglement wordt bepaald. De rechter mag immers onderzoeken, zonder de sanctie naar haar opportuniteit of billijkheid te beoordelen, of de strafsanctie niet buiten verhouding staat tot de ernst van de 'inbreuk' en beschikt derhalve over de bevoegdheid om een sanctie op te leggen die minder zwaar is dan die in artikel 59quinquies.

(...) Er moet evenwel met twee elementen rekening worden gehouden: die bevoegdheid om een mindere straf op te leggen hangt doorgaans samen met hetzij het bestaan van een strafrechtelijke overtreding (die niet wordt toegepast maar wordt vervangen door een sanctie van strafrechtelijke aard die de rechter kan aanpassen rekening houdend met de bevoegdheid van de strafrechter en niet enkel met de bevoegdheid van de administratie), hetzij met de erkenning van de be-voegdheid van de administratie om de straf te verlagen tot beneden het minimum, welke bevoegdheid vervolgens ook aan de rechter toekomt.

Wanneer de administratieve overheid de sanctie mag individualiseren en bijgevolg een verwittiging mag geven of een geheel of gedeeltelijk uitstel verlenen, dient de rechter over dezelfde bevoegdheid te beschikken als de administratie zodat ook hij een verwittiging kan uitspreken of uitstel kan verlenen. Ongeacht of de administratie die bevoegdheid heeft, geldt dat evenzeer als het feit dat tot de strafrechtelijke sanctie leidt ook een strafrechtelijke overtreding is.

Overigens zou het overschrijden van de redelijke termijn bestraft kunnen worden met het opleggen van een sanctie die lager is dan het wettelijk minimum.

Kan die bevoegdheid om de sanctie te verminderen of te individualiseren, door ze te vervangen door een verwittiging of door het verlenen van uitstel, zonder meer aan de rechter worden verleend door het feit dat het een strafrechtelijke sanctie betreft wanneer de administratie die bevoegdheid niet uitdrukkelijk bezit en het ten laste gelegde feit geen strafrechtelijke overtreding is?

Voor de arresten van 12 december 2008 en 13 februari 2009 kon de rechtsleer uit de arresten van het Hof van Cassatie afleiden dat de rechter geen grotere bevoegdheid had dan de administratie Sindsdien dient de vraag echter opnieuw te worden gesteld.

Een eerste stap was reeds gezet door het afwijzen van de straffen die duidelijk buiten verhouding stonden tot het bestrafte gedrag. S. V. D. was de mening toegedaan dat de overstap naar een administratieve sanctie niet a priori diende te worden uitgesloten.

Wanneer het [arbeids]hof oordeelt dat het gaat om een strafrechtelijke sanctie, heeft de vraag of er een discriminatie bestaat tussen de gerechtigden op werkloosheidsuitkeringen geen belang meer aangezien de rechter, enerzijds, de mogelijkheid heeft een verwittiging te geven of uitstel te verlenen en, anderzijds, een lagere sanctie op te leggen dan het bepaalde 'eenheidstarief', wanneer hij oordeelt dat het volstrekt buiten verhouding is.

Wat met betrekking tot de sancties inzake activering?

Wanneer de administratie beslist die procedure op te starten, is zij uitdrukkelijk niet bevoegd om de straf te individualiseren noch om een lagere straf op te leggen dan de tekst bepaalt. De aard van de sanctie impliceert echter dat de rechter daartoe wel bevoegd is.

3.3. Toepassing van het recht op dit specifiek geval.

Het [arbeids]hof wijst erop in zijn arrest van 17 november 2009 dat [de verweerder] ontegensprekelijk nuttige actieve stappen heeft ondernomen.

Hij heeft ingezet op opleiding zodat hij een vaste betrekking heeft gevonden.

Die inspanning werd sterk gesteund door de gewestelijke arbeidsdienst van de arrondissementen Namen en Dinant (Mirena) en heeft een einde gemaakt aan zijn werkloosheid.

Hoewel de overeenkomst niet strikt werd nageleefd staat toch vast dat [de verweerder] zijn wil heeft getoond om uit de werkloosheid te stappen door [aanzienlijke] inspanningen te leveren op het vlak van opleiding die snel resultaat hadden, waarbij hij niet aarzelde om grote verplaatsingen te doen om die oplei-dingen te volgen.

In die specifieke omstandigheden past bij die tekortkomingen een verwittiging beter dan de sanctie van uitsluiting voor vier maanden, die volledig buiten verhouding staat en onredelijk is gelet op de onbetwistbare goede wil [van de verweerder].

Het [arbeids]hof vervangt de sanctie dus door een verwittiging".

Grieven

Eerste onderdeel

1. Een strafrechtelijke of administratieve sanctie is een door of krachtens de wet ingestelde repressieve maatregel ten gevolge van de overtreding van een rechtsregel (de artikelen 6 en 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, 7, 14 en 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, 14 van de Grondwet, 2, 7 en 7bis van het Strafwetboek en van het in het middel aangewezen algemeen rechtsbeginsel).

Wanneer de toekenning of de handhaving van een door een wet of een verordenende bepaling toegekend voordeel afhangt van het vervullen van bepaalde voorwaarden, kunnen noch de weigering tot toekenning van dat voordeel noch de schorsing ervan als een straf- of administratieve sanctie worden omschreven, wanneer die weigering of schorsing enkel het gevolg zijn van het niet vervullen van die voorwaarden of van de handhaving ervan. Die weigering of schorsing be-teugelen immers geen overtreding van een rechtsregel.

2. Artikel 7, §1, derde lid, i), van de besluitwet betreffende de sociale zekerheid dat het wettelijk kader van de werkloosheidsreglementering vaststelt bepaalt: "onder de voorwaarden, die de Koning bepaalt, heeft de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening tot taak met behulp van de te dien einde opgerichte of nog op te richten organismen, aan de onvrijwillige werklozen en aan hun gezin de uitbetaling van de hun verschuldigde uitkeringen te verzekeren".

Volgens artikel 44 van afdeling 1 "Onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn" van hoofdstuk III "Toekenningsvoorwaarden" van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, moet de werkloze, om uitkeringen te kunnen genieten, "wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn".

Om werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten moet de werkloze bovendien beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt (artikel 56, §1, van het koninklijk besluit) en actief naar werk zoeken (artikel 58, §1, van het koninklijk besluit), waarbij die laatste bepaling ook behoort tot afdeling 2 "Beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt" van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloos-heidsreglementering.

Die laatste bepalingen zijn slechts bijzondere toepassingen van de regel dat de betaling van uitkeringen afhangt van de voorwaarde dat de werkloze zonder arbeid is wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.

3. De artikelen 59bis tot 59decies van het koninklijk besluit van 25 november 1991 leggen een procedure vast die de werkloze wil steunen in zijn actieve zoektocht naar een betrekking maar die ook wil nagaan of hij nog steeds de voorwaarde van actief naar werk zoeken vervult en dus of hij zonder arbeid blijft ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.

Artikel 59ter, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering bepaalt dat de werkloze bedoeld in artikel 59bis, vooreerst schriftelijk wordt verwittigd dat hij actief een betrekking moet zoeken tijdens zijn werkloosheid en dat hij actief moet meewerken aan de begeleidings-, opleidings-, werkervarings- of inschakelingsacties die hem door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding worden voorge-steld.

De werkloze wordt bovendien uitgenodigd zich bij deze dienst aan te melden om na te gaan welke zijn mogelijkheden zijn om één of meer van de voormelde acties te volgen. De werkloze wordt eveneens geïnformeerd dat hij later zal worden uitgenodigd voor een gesprek op het werkloosheidsbureau om zijn actieve zoekge-drag naar werk te evalueren, ten vroegste wanneer hij de in artikel 59bis, § 1, eerste lid, 1° bedoelde werkloosheidsduur zal bereikt hebben (artikel 59ter, tweede lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991).

Ten slotte en ten vroegste wanneer de voorwaarden bedoeld in artikel 59bis vervuld zijn, nodigt de directeur de werkloze schriftelijk uit voor een gesprek op het werkloosheidsbureau met als doel de inspanningen te evalueren die hij heeft ver-richt om zich te integreren in de arbeidsmarkt (artikel 59quater, §1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991)

Tijdens het gesprek evalueert de directeur de inspanningen verricht door de werk-loze op basis van de inlichtingen waarover hij reeds beschikt en de inlichtingen meegedeeld door de werkloze zelf over de stappen die hij gezet heeft om werk te zoeken; de werkloze bewijst de inspanningen die hij heeft verricht met alle middelen van recht, met inbegrip van de verklaring op eer (artikel 59quater, §3, eerste lid). In zijn beoordeling van de door de werkloze geleverde inspanningen, houdt de directeur onder meer rekening met de leeftijd van de werkloze, zijn opleidingsniveau, zijn bekwaamheden, zijn sociale en familiale situatie, zijn verplaatsingsmogelijkheden en mogelijke elementen van discriminatie. Hij houdt eveneens rekening met de toestand van de arbeidsmarkt in de subregio waar de werkloze zijn hoofdverblijfplaats heeft (artikel 59quater, §3, vierde lid).

Indien de directeur vaststelt dat de werkloze geen voldoende inspanningen heeft verricht om zich te integreren in de arbeidsmarkt, informeert hij de werkloze over deze negatieve evaluatie. De werkloze wordt bovendien uitgenodigd om een schriftelijke overeenkomst te tekenen waarin hij zich verbindt de concrete acties uit te voeren die van hem verwacht worden tijdens de volgende maanden. Die concrete acties worden, rekening houdend met de specifieke situatie van de werkloze en de bestaande criteria van de passende dienstbetrekking, door de directeur gekozen uit een modellijst van verplichte en facultatieve acties, opgesteld door de Minister, na advies van het Beheerscomité (artikel 59quater, §5, eerste lid).

Ten vroegste na het verstrijken van een termijn van 4 maanden na de ondertekening van de overeenkomst, nodigt de directeur de werkloze uit voor een tweede gesprek, om de inspanningen te evalueren die hij heeft verricht om zich te integreren in de arbeidsmarkt, overeenkomstig de verbintenis die hij in de voormelde overeenkomst is aangegaan (artikel 59quinquies, §1, eerste lid). Indien de directeur vaststelt dat de werkloze de verbintenis die hij is aangegaan in de overeenkomst, niet heeft nageleefd, informeert hij de werkloze van deze negatieve beoordeling en nodigt hij de werkloze uit om een nieuwe schriftelijke overeenkomst te ondertekenen, waarin hij zich ertoe verbindt de concrete acties uit te voeren die van hem worden verwacht in de loop van de volgende maanden (artikel 59quinquies, §5, eerste lid).

De werkloze die wordt verzocht een tweede schriftelijke overeenkomst te onderteken, vormt bovendien het voorwerp van een tijdelijke maatregel tot ontzegging van uitkeringen overeenkomstig de bepalingen van § 6 en 7 (artikel 59quinquies, §5, vijfde lid).

De in artikel 36 bedoelde jonge werknemer wordt aldus uitgesloten van het genot van wachtuitkeringen gedurende een periode van vier maanden, gerekend van datum tot datum (artikel 59quinquies, §6, eerste lid).

Uit dat stelsel volgt dat de werkloze die de overeenkomst van actief zoeken naar werk dat zowel aan zijn eigen mogelijkheden en geschiktheden is aangepast als aan de toestand op de arbeidsmarkt van zijn verblijfplaats naleeft, en die aldus doet blijken dat hij actief naar werk zoekt, de toekenningsvoorwaarde van artikel 58, §1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 vervult en dus werkloosheidsuitkeringen of wachtuitkeringen zal kunnen genieten.

De werkloze daarentegen die zijn verplichtingen niet nakomt, kan niet doen gelden dat hij zonder arbeid blijft ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil. Hij vervult dus niet langer de voorwaarden van artikel 7, §1, derde lid, i), van de besluitwet van 28 december 1944 en van de artikelen 44, 56, §1, en 58, §1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 om werkloosheidsuitkeringen of van wachtuitkeringen te kunnen genieten.

4. Het arbeidshof heeft in zijn arrest van 17 november 2009 erop gewezen dat de verweerder de eerste en vierde verbintenis van zijn overeenkomstig artikel 59quater van het koninklijk besluit van 25 november 1991 gesloten overeenkomst, niet was nagekomen en vervangt vervolgens de maatregel van uitsluiting van het voordeel van de wachtuitkeringen, als bepaald in artikel 59quinquies, §6, eerste lid, door een verwittiging op grond dat het een strafrechtelijke sanctie betreft, wat impliceert dat de rechter bevoegd is om de sanctie te verminderen en te individualiseren.

Het bestreden arrest dat aldus de uitsluiting van het voordeel van de wachtuitke-ringen als een strafsanctie aanmerkt, terwijl de weigering om de werkloosheidsuitkeringen of de wachtuitkeringen verder te betalen omdat de werkloze niet meer beschikbaar is voor de arbeidsmarkt daar hij niet actief werk zoekt, enkel volgt uit het feit dat betrokkene niet meer beantwoordt aan de reglementaire voorschriften om die uitkeringen te genieten, miskent het wettelijk begrip sanctie van strafrechtelijke aard (schending van de artikelen 6 en 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, 7, 14 en 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, 14 van de Grondwet, 2, 7 en 7bis van het Strafwetboek en, voor zoveel nodig, miskenning van het algemeen rechtsbeginsel en schending van de andere in het middel aangewezen bepalingen).

Het schendt overigens artikel 59quinquies, §5, inzonderheid vijfde lid, en §6, inzonderheid eerste lid, en 7, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 door aan de daarin bepaalde uitsluitingsmaatregel de draagwijdte van een strafsanctie te verlenen die deze maatregel ontbeert, en de artikelen 7, §1, derde lid, i), van de besluitwet van 28 december 1944, 36, 44, 56, §1, 58, §1, 59bis, §1, 59ter, eerste en tweede lid, 59quater, §1, eerste lid en §5, eerste en tweede lid, 59quinquies, §1, eerste lid, §5, inzonderheid eerste en vijfde lid, §6, (inzonderheid eerste lid) en 7, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 door een werkloze die de voorwaarden gesteld in die bepalingen niet vervulde, een recht op wachtuitkeringen te verlenen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

De uitsluiting van een jonge werknemer die de verbintenis niet is nagekomen die hij is aangegaan in zijn overeenkomst tot vastlegging van de acties waartoe hij zich verbindt om werk te zoeken, zoals bepaald in artikel 59quinquies, § 5, vijfde lid, en 6, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werk-loosheidsreglementering, is geen sanctie maar een maatregel ten aanzien van een jonge werknemer die niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van wachtuitkeringen, meer bepaald actief werk zoeken en, bijgevolg, wegens om-standigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn, en die bijgevolg geen recht heeft op die uitkeringen.

Artikel 6.3 EVRM is niet van toepassing op een dergelijke maatregel.

Het arrest dat anders beslist, schendt de in dit onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigd arrest.

Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt de eiser in de kosten.

Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Daniel Plas, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 5 november 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advo-caat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Arbeidsmarkt

  • Beschikbaarheid

  • Werk zoeken

  • Activering

  • Jonge werknemer

  • Schriftelijke overeenkomst

  • Verbintenis

  • Toekenningsvoorwaarde

  • Niet-naleving

  • Uitsluiting

  • Aard van de uitsluiting