- Arrest van 6 november 2012

06/11/2012 - P.12.1704.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De kamer van inbeschuldigingstelling die, na de wettelijke omschrijving van een in het aanhoudingsbevel bedoelde feit te hebben gewijzigd, de beslissing van de raadkamer bevestigt om de voorlopige hechtenis van de verdachte te handhaven, hoeft dit niet met eenparigheid van stemmen te doen (1). (1) Cass. 22 april 1998, AR P.98.0500.F, AC 1998, nr. 206.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1704.N

D. S.,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie te Hasselt.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 oktober 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 410, laatste lid, Strafwetboek, artikel 211bis Wetboek van Strafvordering en artikel 16, § 1, Voorlopige Hechte-niswet: het bevel tot aanhouding was onder meer verleend voor een inbreuk op ar-tikel 398, eerste lid, Strafwetboek (opzettelijke slagen en verwondingen) waarvan de maximumstraf geen voorlopige hechtenis toelaat; het arrest heromschrijft de te-lastlegging door het aannemen van de verzwarende omstandigheid dat de feiten werden gepleegd op een persoon met wie de eiser samenleeft of samengeleefd heeft en een duurzame, affectieve en seksuele relatie heeft of gehad heeft, waar-door de maximumstraf verhoogd wordt tot één jaar gevangenisstraf en aanhouding mogelijk wordt; het arrest stelt niet vast dat de feiten zouden gepleegd zijn ten aanzien van een persoon met wie de eiser samenleeft of samengeleefd heeft; bij afwezigheid van die vaststelling is de verzwarende omstandigheid niet van toepassing zodat het arrest dat de hechtenis bevestigt onwettig is; door het aannemen van verzwarende omstandigheden heeft het arrest de uitspraak van de eerste rechter verzwaard; het schendt de wet doordat het niet vaststelt dat dit met eenparigheid van stemmen gebeurde.

2. Artikel 211bis Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Is er een vrijsprekend vonnis of een beschikking tot buitenvervolgingstelling, dan kan het gerecht in hoger beroep geen veroordeling of verwijzing uitspreken dan met eenparige stemmen van zijn leden. Dezelfde eenstemmigheid is vereist voor het gerecht in hoger beroep om tegen beklaagde uitgesproken straffen te kunnen verzwaren. Dit geldt eveneens inzake voorlopige hechtenis om een voor de beklaagde gunstige beschikking te kunnen wijzigen."

3. De beroepen beschikking van de raadkamer van 5 oktober 2012 handhaafde de voorlopige hechtenis opgelegd bij bevel tot aanhouding van 1 oktober 2012, onder meer voor de telastlegging C, slagen en verwondingen (inbreuk op artikel 398, eerste lid, Strafwetboek).

Het arrest, op het hoger beroep van de eiser heromschrijft overeenkomstig artikel 23, 1°, Voorlopige Hechteniswet, de feiten onder telastlegging C, "met toevoeging dat de slagen en verwondingen werden gepleegd op een persoon met wie verdachte een duurzame, affectieve en seksuele relatie had" (inbreuk op artikel 410, laatste lid, Strafwetboek). Het verklaart eisers hoger beroep ongegrond en handhaaft de voorlopige hechtenis.

De appelrechters, niettegenstaande de wijziging van de omschrijving, hebben geen beschikking gewijzigd die de verdachte ten goede kwam, aangezien zij, zoals de raadkamer beslist had, de voorlopige hechtenis gehandhaafd hebben; zij hoefden bijgevolg geen uitspraak te doen met eenparigheid van stemmen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de herom-schrijving werd gevorderd door het openbaar ministerie en dat de eiser zich daar-op heeft verdedigd. Daaruit blijkt niet dat de eiser heeft geconcludeerd over de samenstellende bestanddelen van het geherkwalificeerde misdrijf.

Bij gebrek aan conclusie daarover dienden de appelrechters het bestaan van elk van de verschillende samenstellende bestanddelen van het misdrijf niet uitdrukke-lijk vast te stellen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 5.1 EVRM en de artikelen 16, 23.4° en 30, § 3 en § 4, Voorlopige Hechteniswet en miskenning van de verplich-ting om op een conclusie te antwoorden: de eiser werd een eerste maal aangehou-den op 24 juli 2012 op verdenking van poging moord; ingevolge een procedure-fout werd hij op 26 september 2012 in vrijheid gesteld; op 1 oktober 2012 werd hij opnieuw aangehouden ingevolge een burgerlijke partijstelling die alleen als doel had hem onmiddellijk terug van zijn vrijheid beroofd te zien; de Voorlopige Hechteniswet werd van haar doel afgewend om een ander doel te bereiken, name-lijk zijn aanhouding verzekeren in de zaak waar hij wegens een procedurefout in vrijheid werd gesteld, zodat het aanhoudingsbevel van 1 oktober 2012 onwettig is; de appelrechters die oordelen dat "geen wettelijke of verdragsrechtelijke bepa-lingen zijn geschonden" verantwoorden hun beslissing niet naar recht; het arrest antwoordt niet op eisers conclusie waarin hij argumenteerde dat de huidige gang van zaken de toets van artikel 5.1 EVRM niet kan doorstaan; het antwoordt ook niet op eisers verweer dat die bepaling werd geschonden doordat het aanhou-dingsmandaat uitsluitend steunt op de partijdige uiteenzetting van de burgerlijke partij.

6. In zoverre het gericht is tegen het aanhoudingsbevel van 1 oktober 2012 en niet tegen het arrest, is het middel niet ontvankelijk.

7. Het middel dat aanvoert dat de wet van haar doel werd afgewend vergt een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

8. Het arrest oordeelt onaantastbaar dat:

- het bevel tot aanhouding werd uitgevaardigd voor andere feiten dan die van het toegevoegde dossier;

- de ernstige aanwijzingen van schuld niet onregelmatig werden verkregen;

- de omstandigheid dat het gerechtelijk onderzoek werd gestart door een klacht met burgerlijke partijstelling niet belet om een aanhoudingsbevel uit te vaardi-gen;

- de omstandigheid dat de ten laste gelegde feiten dateren van vóór het ten laste gelegde feit van poging moord, geen afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van het bevel tot aanhouding;

- de onderzoeksrechter vrij beslist op welk tijdstip hij voor de feiten het best overgaat tot aanhouding van de inverdenkinggestelden;

- geen wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen zijn geschonden;

- in het aanhoudingsbevel niet alleen de ernstige schuldaanwijzingen werden vastgesteld, maar ook op voldoende wijze in feite werden omschreven.

Aldus omkleden de appelrechters hun beslissing regelmatig met redenen en be-antwoorden zij eisers verweer.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

Eerste onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 23.4° en 30, § 3 en § 4, Voorlopige Hechteniswet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat ingevol-ge een onontvankelijke burgerlijkepartijstelling de strafvordering onontvankelijk is; het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd vermits het enerzijds oordeelt dat het be-vel tot aanhouding werd verleend voor andere feiten dan die welke het voorwerp uitmaken van het dossier inzake de poging moord en anderzijds oordeelt dat de feiten waarvoor de eiser is aangehouden ter sprake komen in dat dossier, rechts-geldig verzameld werden en kunnen gebruikt worden om de aanhouding erop te steunen.

10. De appelrechters oordelen dat het bevel tot aanhouding werd uitgevaardigd voor andere feiten dan die welk het voorwerp uitmaken van het toegevoegde dos-sier, inzake de poging moord. Zij oordelen verder: "In het gevoegde dossier van onderzoeksrechter Lommelen komen de ten laste gelegde feiten, waarvoor [de ei-ser] thans is aangehouden, eveneens ter sprake zonder dat deze onderzoekshande-lingen desbetreffende behept zijn met een nietigheid. Onderzoeksrechter Lommelen werd gevat voor het ten laste gelegde feit van poging moord. De onderzoeks-handelingen eigen aan de bevoegdheid van de onderzoeksrechter, werden bevolen met betrekking tot dit ten laste gelegde feit poging moord. Niets belette deze on-derzoeksrechter of de politie om met betrekking tot de ten laste gelegde feiten waarvoor thans een aanhoudingsbevel werd uitgevaardigd gegevens te verzame-len, aangezien die nuttig of noodzakelijk kunnen zijn in het onderzoek naar de feiten van poging moord."

Met die redenen beantwoorden de appelrechters eisers conclusie zonder enige te-genstrijdigheid.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 55 en 56, § 1, Wetboek van Strafvordering: niettegenstaande het arrest oordeelt dat het door onderzoeks-rechter Jordens verleend bevel tot aanhouding van 1 oktober 2012 andere feiten betreft dan deze die het voorwerp zijn van het gerechtelijk onderzoek van onder-zoeksrechter Lommelen, beslist het dat de onderzoekshandelingen naar deze fei-ten in dit ander gerechtelijk onderzoek niet door nietigheid zijn behept, terwijl de-ze zijn onderzoek ambtshalve uitbreidde tot andere feiten.

12. De onderzoeksrechter vermag zijn gerechtelijk onderzoek niet ambtshalve uit te breiden tot een feit waarop de vordering tot het instellen van het gerechtelijk onderzoek geen betrekking heeft.

Niets belet echter de onderzoeksrechter om met betrekking tot de feiten waarvoor hij gelast is gegevens in te winnen over andere feiten die nuttig of noodzakelijk kunnen zijn voor zijn onderzoek.

In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

13. Met de in het arrest (ro 3-4) vermelde redenen verantwoorden de appelrech-ters hun beslissing dat onderzoeksrechter Lommelen haar saisine niet heeft over-schreden naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Vierde middel

14. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Bur-gerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van het aanhoudingsmandaat doordat het oordeelt dat het bevel tot aanhouding werd verleend voor andere fei-ten dan deze die het voorwerp uitmaken van het toegevoegde dossier, terwijl dit aanhoudingsmandaat op 1 oktober 2012 werd verleend ingevolge een burgerlijke partijstelling van dezelfde datum, de klacht verwijst naar de gegevens van het toe-gevoegd dossier, het openbaar ministerie vroeg aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg om de beide zaken aan eenzelfde onderzoeksrechter toe te ver-trouwen en op 4 oktober 2012 bekwam onderzoeksrechter Jordens een afschrift van het dossier van onderzoeksrechter Lommelen.

15. Met het in het middel bekritiseerde oordeel geeft het arrest van het aanhou-dingsmandaat van 1 oktober 2012 een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 61,11 euro.

K. Vanden Bossche

A. Lievens P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem

E. Goethals

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit eerste voorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 6 november 2012 uitgesproken door eerste voorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingel-gem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Voorlopige hechtenis

  • Handhaving

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Heromschrijving van een in het aanhoudingsbevel bedoelde feit

  • Eenparigheid van stemmen