- Arrest van 8 november 2012

08/11/2012 - C.12.0026.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 56 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen wijkt niet af van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek; wanneer het hoger beroep tegen een vonnis dat uitspraak doet over de vordering tot homologatie van een collectief akkoord wordt ingesteld door een andere partij dan de schuldenaar, moet de eiser in hoger beroep zijn hoger beroep richten tegen alle partijen wier belang strijdig is met het zijne en moet hij bovendien de andere partijen in de zaak betrekken.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0026.F

WILBOIS nv,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. I.B.V. & CIE nv,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. F. H., advocaat bij de balie te Marche-en-Famenne, handelend in de hoedanig-heid van curator in het faillissement van de nv Wilforest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 8 september 2011 van het hof van beroep te Luik.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 16 oktober 2012 een conclusie neerge-legd ter griffie.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 5, 7 en 56 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de con-tinuïteit van de ondernemingen.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk dat de eiseres, samen met de verweerder in zijn hoedanigheid van curator van de naamloze vennootschap Wilforest, heeft ingesteld tegen het vonnis dat het reorganisatieplan van de verweerster homologeert. Het grondt die beslissing op de volgende redenen:

"Volgens artikel 56 van de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen wordt het hoger beroep ‘gericht tegen de schuldenaar of tegen de schuldeisers, naar gelang van het geval'.

1. Artikel 5 van de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen bepaalt in het tweede lid dat ‘behoudens andersluidende bepalingen, tegen de beslissingen van de rechtbank rechtsmiddelen kunnen worden aangewend volgens de in het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven regels en termijnen', terwijl dat artikel, in het vijfde en zesde lid, preciseert dat ‘elke belanghebbende kan tussenkomen in de bij de huidige wet bepaalde procedures, overeenkomstig de artikelen 812 tot 814 van het Gerechtelijk Wetboek', maar dat, bij ontstentenis van een dergelijke tussenkomst, het feit dat een partij is gehoord of zij een geschrift heeft neergelegd op zich niet voldoende is om de ‘hoedanigheid van partij' te verkrijgen.

Daaruit volgt dat ‘het begrip "schuldeisers", waarvan sprake is in artikel 56 van de wet, dat betrekking heeft op de rechtspleging in hoger beroep, bij ontstentenis van een uitdrukkelijke afwijking van het Gerechtelijk Wetboek en [krachtens] artikel 5 van de wet, moet begrepen worden als de schuldeisers die in de zaak zijn tussengekomen. Alleen de schuldeiser die in de zaak is tussengekomen in de zin van artikel 5 van de wet, kan tegen de schuldenaar hoger beroep instellen onder de in artikel 56 van de wet bepaalde voorwaarden' (Luik, 24 juni 2010, RG 2009/1947).

In dezelfde zin mag de schuldenaar die, in geval van weigering van homologatie, hoger beroep instelt, dat alleen richten tegen de schuldeisers die in de zaak zijn tussengekomen in [eerste] aanleg.

2. Wanneer het rechtsmiddel niet wordt aangewend door de schuldenaar maar door een schuldeiser die de hoedanigheid van partij heeft, moet hij het dan alleen richten tegen de schuldenaar of moet hij, zoals het gemeen recht van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt in geval van een onsplitsbaar geschil, het ook richten tegen de partijen wier belang strijdig is met het zijne en moeten daarenboven de andere partijen, die nog niet in beroep zijn gedagvaard of opgeroepen, in de zaak betrokken worden?

Tijdens de parlementaire voorbereiding heeft de wetgever met betrekking tot artikel 5 van de wet betreffende de continuïteit [van de ondernemingen] beklemtoond dat ‘de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek in het algemeen van toepassing zijn op de in dit amendement omschreven procedures. Dit geldt inzonderheid voor de rechtsmiddelen, behalve ingeval een uitdrukkelijke bepaling hiervan afwijkt' (Gedr. St. Kamer, 52 0160/002, p. 47). De wetgever heeft die intentie in de wet opgenomen door in artikel 5, tweede lid, te beklemtonen dat de rechtsmiddelen kunnen worden aangewend onder de in het Gerechtelijk Wetboek bepaalde voorwaarden, ‘behoudens andersluidende bepalingen'.

Daarenboven werd herhaald dat de bepaling betreffende de tussenkomst ‘noodzakelijk was om elke onduidelijkheid te voorkomen inzake de status van "partij" die de belanghebbenden kunnen hebben ingevolge informele of min of meer formele contacten met de rechtbanken. Dit geeft hen meer vrijheid van handelen en voorkomt tegelijkertijd dat diegenen die reeds partij zijn zich moeten afvragen wie bij de aanwending van een rechtsmiddel moet betrokken worden' (Gedr. St. Kamer, 52 0160/002, p. 47).

Uit de bewoordingen van artikel 56 van de wet betreffende de continuïteit [van de ondernemingen] kan niet worden besloten dat het voormelde artikel afwijkt van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek. Voor zover artikel 56 bepaalt dat het beroep van de schuldeiser gericht is tegen de schuldenaar en niet ‘uitsluitend tegen de schuldenaar', sluit het niet uit dat, wanneer andere schuldeisers in eerste aanleg zijn tussengekomen, zij in voorkomend geval in het geding moeten worden betrokken volgens het gemeen recht van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek.

Uit de omstandigheid dat de wetgever, op algemeen wijze, in bepaalde artikelen is afgeweken van het gemeen recht van het Gerechtelijk Wetboek - maar tegelijkertijd wel uitdrukkelijk erop gewezen heeft dat het van toepassing bleef ‘behoudens andersluidende bepalingen' -, dat hij voor het vonnis van homologatie in een specifieke maatregel van bekendmaking heeft voorzien of nog dat hij niet noodzakelijkerwijs ‘alle personen die getroffen zijn door de in de wet bepaalde procedures, bij die procedures' heeft willen betrekken, kan niet worden afgeleid dat het voornoemd artikel 56 op een andere manier moet worden gelezen.

Bijgevolg moet alleen nog worden bepaald of de zaak betreffende de homologatie van het gerechtelijk reorganisatieplan een onsplitsbaar geschil vormt", een vraag waarop het arrest om de verschillende, daarin vermelde redenen, bevestigend antwoordt.

Het bestreden arrest, dat derhalve artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek toepast, beslist aldus dat het hoger beroep niet ontvankelijk is, met name om de volgende redenen :

"De naamloze vennootschap BNP Paribas Fortis Bank, de naamloze vennootschap ING België en de naamloze vennootschap Fortis Lease hebben, door hun verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst en door hun positieve stem tijdens de vergadering van de schuldeisers, doen blijken van hun tegengesteld belang ten aanzien [van de eiseres en van de verweerder], die in de zaak zijn tussengekomen om de homologatie van het plan te verhinderen en een negatieve stem uitgebracht hebben. Het tegengesteld belang vereist niet dat de tussenkomende partijen een vordering hebben ingesteld tegen [de eiseres en de verweerder] - wat voor het overige nauwelijks verenigbaar is met het voorwerp van die procedure -, daar het bestaan van een onderliggend geschil tussen de partijen, zoals blijkt uit, enerzijds, de tussenkomst van de voormelde vennootschappen om het plan goed te laten keu-ren (met een voorbehoud dat door de eerste rechters niet is aangenomen) en, anderzijds, een tussenkomst [van de eiseres en de verweerder] om de homologatie van het plan te verhinderen, wat dat betreft volstaat.

Die tussenkomende partijen werden in hoger beroep niet bij de zaak betrokken.

Dat zou ook niet meer tijdig kunnen gebeuren : de termijn van hoger beroep bedraagt immers acht dagen vanaf de kennisgeving van het vonnis (artikel 56, tweede lid, van de wet), die te dezen is geschied door de in artikel 55, vijfde lid, bepaalde bekendmaking van het vonnis van homologatie, met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de wet. Aangezien het vonnis bekendgemaakt werd in het Belgisch Staatsblad van 15 september 2010, is de termijn van acht dagen verstreken".

Grieven

Artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt weliswaar dat, "wanneer het geschil onsplitsbaar is, hoger beroep gericht moet worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep".

Uit de artikelen 5 en 7 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen vloeit evenwel voort dat de rechtsmiddelen tegen de beslissingen die gewezen worden in het kader van de bij die wet voorgeschreven procedures, slechts aan de in het Gerechtelijk Wetboek bepaalde regels van gemeen recht onderworpen zijn, voor zover die wet daarvan niet afwijkt.

Welnu, artikel 56 van die wet bepaalt :

"Tegen het vonnis dat oordeelt over de homologatie staat geen verzet open.

Het hoger beroep ertegen wordt ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof van beroep, binnen acht dagen na de kennisgeving van het vonnis, en wordt gericht tegen de schuldenaar of tegen de schuldeisers, naar gelang van het geval. De griffier van het hof van beroep geeft bij gerechtsbrief kennis van het verzoekschrift aan de geïntimeerden en, in voorkomend geval, aan hun advocaat, uiterlijk op de eerste werkdag na de neerlegging ervan.

Als het vonnis de homologatie verwerpt, schort het hoger beroep de uitspraak op".

Uit die tekst volgt dat het hoger beroep tegen het vonnis dat uitspraak doet over de vordering tot homologatie "gericht is tegen de schuldenaar of tegen de schuldeisers, naar gelang van het geval", dat wil zeggen naargelang de eiser in hoger beroep schuldeiser dan wel schuldenaar is.

Zo bepaalt die bepaling uitdrukkelijk dat wanneer de eiser in hoger beroep de schuldenaar is, het hoger beroep gericht moet worden tegen alle schuldeisers in de zaak, maar dat de eiser in hoger beroep die, zoals in dit geval, schuldeiser is, zijn beroep alleen tegen de schuldenaar hoeft te richten.

Artikel 56 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen wijkt zodoende uitdrukkelijk af van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek in geval van een onsplitsbaar geschil, daar het bepaalt tegen wie de schuldeiser zijn hoger beroep moet richten, te dezen de schuldenaar, en hem dus vrijstelt van de verplichting om de andere schuldeisers die in de zaak tus-senkomen, bij het geding te betrekken.

Het bestreden arrest, dat beslist dat het hoger beroep van de eiseres niet alleen gericht moest worden tegen de schuldenaar, te dezen de [verweerster], maar ook tegen de andere schuldeisers die in eerste aanleg zijn tussengekomen, te weten de naamloze vennootschap ING België, de naamloze vennootschap Fortis Lease en de naamloze vennootschap BNP Paribas Fortis Bank, terwijl artikel 56 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, door dat niet verplicht te stellen afwijkt van de in artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde regel, schendt aldus artikel 56 van de voormelde wet van 31 januari 2009 en, voor zover nodig, de artikelen 5 en 7 van die wet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het door de verweerster tegen het cassatieberoep aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid : het cassatieberoep is laattijdig omdat het meer dan drie maanden na de kennisgeving, door de griffie, van het bestreden arrest is ingesteld :

Artikel 5, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen bepaalt dat, behoudens andersluidende bepalingen, tegen de beslissingen van de rechtbank rechtsmiddelen kunnen worden aangewend vol-gens de in het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven regels en termijnen.

Artikel 7 van de voormelde wet bepaalt dat zij, behalve wanneer een wijziging of een uitzondering voortvloeit uit een uitdrukkelijke tekst van die wet, niet tot strekking heeft oudere wetten te wijzigen of hierop uitzonderingen aan te brengen.

Volgens artikel 55, laatste lid, van die wet wordt de homologatie bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, door toedoen van de griffier.

Die bepaling is ook van toepassing op het arrest dat uitspraak doet over het hoger beroep tegen dat vonnis.

De artikelen 5, derde lid, en 6, tweede lid, van dezelfde wet bepalen dat, wanneer de voormelde wet bepaalt dat beslissingen bij uittreksel worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, die bekendmaking als kennisgeving geldt en dat de ter-mijnen beginnen te lopen vanaf de dag van de bekendmaking.

Die bepalingen wijken niet uitdrukkelijk af van artikel 1073 Gerechtelijk Wetboek, volgens hetwelk de termijn om cassatieberoep in te stellen, behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt, drie maanden bedraagt te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.

Hieruit volgt dat de kennisgeving of de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het arrest dat uitspraak doet over het hoger beroep, de termijn voor het cassa-tieberoep doet ingaan, maar dat zulks niet geldt voor de kennisgeving door de griffie, die overigens door geen enkele wettelijke bepaling is voorgeschreven.

Het bestreden arrest is nooit in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en is bete-kend op 19 oktober 2011.

Het cassatieberoep dat op 19 januari 2012 is ingesteld, is dus niet laattijdig.

Het tweede, door de verweerster tegen het cassatieberoep aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid : het cassatieberoep is niet gericht tegen de be-streden beslissing :

De verweerster, die aanvoert dat uit de redenen van het arrest alvorens recht te doen van 12 mei 2011 volgt dat het hof van beroep reeds definitief zou hebben beslist dat artikel 56 van de wet van 31 januari 2009 niet afwijkt van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek, voert geen middel van niet-ontvankelijkheid tegen het cassatieberoep aan maar betwist de gegrondheid van het middel.

De middelen van niet-ontvankelijkheid kunnen niet worden aangenomen.

Het middel

Het bestreden arrest, dat op dat punt niet wordt bekritiseerd, beslist, dat het ge-schil over de homologatie van het plan onsplitsbaar is.

Artikel 1053, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, wanneer het geschil onsplitsbaar is, het hoger beroep gericht moet worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep. Dat hoger beroep moet bovendien de andere niet in het beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van het debat in de zaak betrekken.

Artikel 5, tweede lid, van de wet van 31 januari 2009 bepaalt dat, behoudens an-dersluidende bepalingen, tegen de beslissingen van de rechtbank rechtsmiddelen kunnen worden aangewend volgens de in het Gerechtelijk Wetboek voorgeschre-ven regels en termijnen.

Krachtens artikel 56 van die wet wordt het hoger beroep tegen het vonnis dat uit-spraak doet over de vordering tot homologatie gericht tegen de schuldenaar of te-gen de schuldeisers, naar gelang van het geval. Die bepaling wijkt niet af van het voornoemde artikel 1053.

Hieruit volgt dat wanneer het hoger beroep tegen een dergelijk vonnis wordt inge-steld door een andere partij dan de schuldenaar, de eiser in hoger beroep zijn ho-ger beroep moet richten tegen alle partijen wier belang strijdig is met het zijne en bovendien de andere niet in het beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet-opgeroepen partijen in de zaak moet betrekken.

Het middel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de verweerster in de kosten van de memorie van antwoord en de eise-res in de overige kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsnvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout en Michel Lemal, en in openbare terecht-zitting van 8 november 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Collectief akkoord

  • Vordering tot homologatie

  • Vonnis

  • Hoger beroep

  • In hoger beroep gedagvaarde partijen

  • Niet in het beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet-opgeroepen partijen

  • Betrekking van die partijen in de zaak