- Arrest van 15 november 2012

15/11/2012 - C.11.0523.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een motorrijtuig is betrokken bij een verkeersongeval wanneer het een of andere rol heeft gespeeld in dat ongeval (1). (1) Zie Cass. 28 april 2011, AR C.10.0492.N, AC 2011, nr. 286.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0523.F

AXA BELGIUM nv,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

AG INSURANCE nv,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 14 januari 2011.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepaling

- Artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres om aan de verweerster het provisionele bedrag van één euro op een hoofdbedrag van 100.000 euro te betalen en veroordeelt haar daarenboven in de kosten van de beide aanleggen, om de volgende redenen :

"De (verweerster) grondt haar vordering op artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.

Artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 bepaalt dat ‘bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, (...) alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels (...) hoofdelijk vergoed wordt door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen (...) dekken'.

De (verweerster) moet, in haar hoedanigheid van eiser, aantonen dat de wettelijke voorwaarden voor het genieten van de aan de zwakke weggebruikers toegekende vergoedingsregeling te dezen zijn vervuld. De bewijslast rust op haar (artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek).

Het voornoemde artikel 29bis bepaalt dat het van toepassing is op de verzekeraar van elk bij het ongeval betrokken voertuig.

Hoewel de wetgever het begrip ‘betrokkenheid' niet heeft omschreven, staat het vast dat artikel 29bis ruim moet worden uitgelegd, zodat het strookt met de wil van de wetgever, die erin bestaat een automatische vergoedingsregeling voor zwakke weggebruikers in te voeren zonder dat ingegaan hoeft te worden op de vraag van de aansprakelijkheid.

Het begrip betrokkenheid van een voertuig betreft de feitelijke oorzaak van de aanwezigheid van dat voertuig, dat wil zeggen ‘de feitelijke rol van het voertuig bij het ontstaan van het ongeval maar niet van de schade' (...).

Het voertuig is bij het ongeval betrokken in alle gevallen waarin is bewezen dat het ongeval zich niet of althans niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan indien dit voertuig niet aanwezig was geweest op de plaats waar het ongeval zich heeft voorgedaan (...).

Dus ‘is een motorrijtuig in de zin van die wetsbepaling bij het ongeval betrokken indien het een of andere rol in het verkeersongeval heeft gespeeld' (...).

Uit de gegevens van het dossier blijkt te dezen dat de vuilniswagen wel degelijk een rol heeft gespeeld in het ongeval, daar bewezen is dat de heer B., zonder die vuilniswagen, niet aanwezig zou zijn geweest op de plaats van het ongeval, dat zich bijgevolg niet zou hebben voorgedaan.

In tegenstelling tot wat de (eiseres) voorhoudt, hoeft niet te worden aangetoond dat de heer B. zijn voet heeft verstuikt op het exacte ogenblik dat hij van de trede van de vuilniswagen stapte en niet toen hij op het trottoir stapte. Er hoeft alleen maar te worden aangetoond dat het ongeval, zonder de aanwezigheid van de vuilniswagen op de plaats van dat ongeval, zich niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan.

De betwistingen van de (eiseres) met betrekking tot de verklaringen van de heer B. en van de getuige V. doen te dezen niet ter zake, aangezien voor het overige niet wordt betwist dat het ongeval zich heeft voorgedaan tijdens de ophaling van de vuilnis door de heer B., die door de vuilniswagen werd vervoerd.

De (eiseres) voert subsidiair aan dat er geen verkeersongeval heeft plaatsgevonden in de zin van artikel 29bis, maar slechts een bedrijfsongeval waarbij de vuilniswagen werd ingezet als voertuig-werktuig.

Een verkeersongeval veronderstelt dat het voertuig een vervoermiddel is, ook al hoeft het voertuig op het ogenblik van het ongeval niet noodzakelijkerwijs in beweging te zijn (...). Met andere woorden, ‘om van een verkeersongeval te kunnen spreken, is het vereist maar voldoende dat één van de actoren in het ongeval zich, in algemene zin, verplaatst door gebruik te maken van de wegen' (...).

Het feit dat een voertuig niet uitsluitend is ontworpen om personen of zaken te vervoeren maar ook als een machine of een werktuig dat voor andere doeleinden kan dienen, sluit daarenboven niet uit dat het betrokken kan raken bij een verkeersongeval.

Integendeel, het functioneel criterium is slechts een grond om artikel 29bis niet toe te passen wanneer het ongeval is veroorzaakt door een voertuig-werktuig dat werk verricht waarbij verplaatsingen uitgesloten zijn (...).

Te dezen blijkt uit de gegevens van het dossier dat het ongeval zich heeft voorgedaan op het ogenblik dat de vuilniswagen ingezet werd als een instrument waarmee personen verplaatst worden en afval vervoerd wordt. De heer B. werd immers door de vuilniswagen op de openbare weg vervoerd, ook al maakt die verplaatsing deel uit van zijn werk.

De (verweerster) voert dus terecht aan dat het ongeval een verkeersongeval is in de zin van artikel 29bis."

Grieven

Wanneer een motorrijtuig zich verplaatst op de openbare weg of op een terrein in de zin van artikel 2, § 1, van de gemeenschappelijke bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966, en schade veroorzaakt op een wijze die kenmerkend is voor schade die veroorzaakt wordt door motorrijtuigen in het wegverkeer, kan het feit dat het motorrijtuig tegelijkertijd wordt ingezet als machine niet verhinderen dat de schade is veroorzaakt in het wegverkeer.

Er kan evenwel niet worden beslist dat zulks het geval is wanneer de verplaatsingen van het motorrijtuig redelijkerwijs alleen kunnen worden aangemerkt als een onderdeel van de manoeuvres die verband houden met het gebruik van het motorrijtuig als machine en de schade niet werd veroorzaakt op een wijze die, voor het overige, kenmerkend is voor schade die veroorzaakt wordt door de mo-torrijtuigen in het wegverkeer.

Om de toepassing van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 uit te sluiten, is niet vereist dat het ongeval "is veroorzaakt door een voertuig-werktuig dat werk verricht waarbij verplaatsingen uitgesloten zijn". Het bestreden vonnis dat erop wijst dat "(de verweerster), in haar hoedanigheid van eiser, moet aantonen dat de wettelijke voorwaarden voor het verkrijgen van de aan de zwakke weggebruikers toegekende vergoedingsregeling te dezen zijn vervuld" en vaststelt dat "de heer B. zijn voet heeft verstuikt" en dat "niet wordt betwist dat het ongeval zich heeft voorgedaan tijdens de ophaling van de vuilnis door de heer B.", beslist vervolgens dat "uit het geheel van de voorgaande overwegingen volgt dat de (verweerster) haar uitgaven op de (eiseres) kan verhalen op grond van artikel 29bis".

Het bestreden vonnis, dat vaststelt dat het ongeval zich heeft voorgedaan tijdens de vuilnisophaling en dat de vrachtwagen bijgevolg werd ingezet als werktuig en dat het slachtoffer zijn voet heeft verstuikt, een omstandigheid die niet kenmerkend is voor de schade die wordt veroorzaakt door motorrijtuigen in het wegverkeer, schendt artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 doordat het vonnis het voornoemde artikel toepast terwijl de voorwaarden voor de toepassing ervan niet waren vervuld.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Artikel 29bis, § 1, eerste lid, WAM 1989 verplicht de verzekeraars die, overeen-komstig de wet, de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorijtuigen dekken, om de schade te vergoeden die is geleden door de slachtoffers bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen op de openbare weg of de terreinen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet, betrokken zijn.

De omstandigheid dat het motorrijtuig niet, of niet uitsluitend, is ontworpen om personen of zaken te vervoeren over wegen of terreinen maar al dan niet uitslui-tend dient voor andere doeleinden dan een dergelijk vervoer, en dat dit motorrij-tuig, op het ogenblik van het ongeval, tevens als werktuig wordt ingezet, neemt niet weg dat het als een deelnemer aan het wegverkeer kan worden aangemerkt. Inzonderheid wanneer het motorrijtuig zich verplaatst op een openbare weg of op een terrein in de zin van artikel 2, § 1, van de wet, en schade veroorzaakt op een wijze die kenmerkend is voor de schade die veroorzaakt wordt door motorrijtui-gen in het wegverkeer, kan het feit dat het voertuig tegelijkertijd als werktuig wordt ingezet in de voormelde zin, niet verhinderen dat ervan wordt uitgegaan dat de schade wordt beschouwd in het wegverkeer te zijn veroorzaakt.

Een motorrijtuig is betrokken bij een verkeersongeval in de zin van die wetsbepa-ling wanneer het een of andere rol heeft gespeeld in dat ongeval.

Het bestreden vonnis stelt vast dat B. zijn voet heeft verstuikt toen hij vuilnis op-haalde op de openbare weg met een vuilniswagen, dat hij tijdens het ophalen werd vervoerd door de vuilniswagen en dat deze, op het ogenblik van het ongeval, in-gezet werd als een instrument om personen en afval te vervoeren. Het beslist dat de vuilniswagen een rol heeft gespeeld in het ongeval.

Het bestreden vonnis dat door die vermeldingen, waaruit volgt dat de vuilniswa-gen, motorrijtuig dat een rol heeft gespeeld in het ongeval, op het ogenblik van dat ongeval rondreed op de openbare weg om personen en zaken te vervoeren, ver-antwoordt naar recht zijn beslissing dat de schade van het slachtoffer werd ver-oorzaakt door een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig was betrokken in de zin van artikel 29bis, § 1, eerste lid, WAM 1989.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terecht-zitting van 15 november 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Betrokken voertuig