- Arrest van 19 november 2012

19/11/2012 - C.09.0379.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 1385, van het Burgerlijk Wetboek impliceert dat de bewaarder van het dier ten tijde van het schadelijke feit niet alleen het meesterschap erover had, maar ook recht van leiding en toezicht, zonder medewerking van de eigenaar, alsmede van gebruik, zoals de eigenaar (1) (2). (1) Zie de conclusie van het openbaar ministerie in Pas. nr. ... (2) Verg. Cass. 25 nov. 2001, AR C.09.0415.F, AC 2011, nr. 645.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0379.F

LA SANDRY bvba,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. L. L,

2. L. L.,

3. C. M.,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

4. C. D. e.a.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 9 oktober 2008 van het hof van beroep te Luik.

De eerste voorzitter heeft de zaak bij beschikking van 2 oktober 2012 naar de der-de kamer verwezen.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 2 oktober 2012 een conclusie neergelegd op de griffie.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot werd in zijn conclusie gehoord.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard af-schrift aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Middel

Luidens artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek is de eigenaar van een dier, of degene die zich ervan bedient terwijl hij het in gebruik heeft, aansprakelijk voor de schade die door het dier is veroorzaakt, hetzij het onder zijn bewaring stond, dan wel verdwaald of ontsnapt was.

Die bepaling impliceert dat de bewaarder het meesterschap over het dier had op het moment waarop de schade werd veroorzaakt, waardoor hij in niet-ondergeschikte orde, zonder tussenkomst van de eigenaar, er leiding en toezicht over had, en hetzelfde gebruik ervan had als de eigenaar.

Hoewel de bodemrechter feitelijk oordeelt dat een persoon de bewaring heeft van een dier, staat het evenwel aan het Hof na te gaan of die rechter uit de vastgestelde feiten wettelijk het bestaan van een bewaring heeft mogen afleiden.

Het arrest stelt vast "dat toen het paard in de pas naar de manege terugkeerde, het zijn tred begon op te drijven en is beginnen galopperen"; dat "de oorzaak van de schade dus bij het paard ligt aangezien het zijn tred tweemaal heeft gewijzigd zonder dat het hiertoe enige aansporing had gekregen".

Het stelt ook vast dat, "niet betwist wordt dat de bewaring van het dier door een dressuurovereenkomst is overgegaan naar G.W., [de uitbater van manege La Sandry], maar dat, aangezien laatstgenoemde het paard bereden had tijdens de uitvoering van die overeenkomst en in de exacte omstandigheden van de zaak, het kwestie is te weten of de bewaring daardoor niet is overgegaan naar C.D., [het slachtoffer]"; dat niet kan worden afgeleid "uit het onderzoek van de gegevens van de zaak; dat [G.] W. op de dag van de litigieuze feiten alle initiatieven heeft genomen om het paard te dresseren: hij berijdt het paard als eerste en verzoekt vervolgens C.D. om het paard in de manege te berijden en dan de manege te ver-laten, hij houdt zelfs het paard vast om langs de poort te gaan en raadt de paard-rijdster aan wat verder te gaan (de verkeersdrempel over te steken) om de eento-nigheid te doorbreken en zo te verhinderen dat het paard mogelijk zenuwachtig wordt".

Het arrest oordeelt dat "tegen die bijzondere achtergrond, het loutere feit dat [G.] W., die nog steeds de opdracht had het paard te dresseren, niet het fysieke mees-terschap over het dier had op het ogenblik van het ongeval, niet volstaat om een wijziging van bewaring van het dier in de zin van artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek aan te nemen".

Met het geheel van die vermeldingen, beslissen de appelrechters naar recht dat de aangestelde van de eiseres de bewaring van het dier had in de zin van voornoemd artikel 1385.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mi-reille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 19 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bewaarder

  • Recht van leiding en toezicht