- Arrest van 19 november 2012

19/11/2012 - S.11.0098.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 102, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 volgens hetwelk de vordering tot terugbetaling door particulieren van de kosten van maatschappelijke dienstverlening door verloop van vijf jaren verjaart overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, doet geen afbreuk aan artikel 26 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering volgens hetwelk de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade, met dien verstande dat zij niet vóór de strafvordering kan verjaren (1). (1) Zie de conclusie van het openbaar ministerie in Pas. nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0098.F

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ELSENE

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

M. M. B.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 12 mei 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 2 oktober 2012 een conclusie neergelegd op de griffie.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot werd in zijn conclusie gehoord.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Krachtens artikel 102, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1978 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, verjaart de vordering tot terug-betaling door particulieren overeenkomstig artikel 2277 Burgerlijk Wetboek, na vijf jaar.

Volgens artikel 26 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering, verjaart de burgerlijke rechtsvordering vol-gend uit een misdrijf volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bij-zondere wetten die van toepassing zijn op de vordering tot schadevergoeding maar kan zij niet verjaren vóór de strafvordering.

Die bepaling, waarvan artikel 102, eerste lid, van de wet van 8 juli 1976 niet af-wijkt, is volgens artikel 28 van de wet van 17 april 1878 van toepassing in alle door bijzondere wetten geregelde zaken behalve voor de bijzondere bepalingen die de invordering van fiscale rechten of van fiscale geldboeten regelen.

Nadat het arrest heeft vastgesteld dat "bewezen is dat [de verweerder] [de eiser] omtrent zijn reële toestand wou voorliegen om steun te trekken waarop hij geen recht had" en dat, "[de eiser] zich zodoende beroept op een gedrag geregeld bij het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen; [dat] dat strafrechtelijk strafbare gedrag heeft voortgeduurd tot [de eiser] zich rekenschap heeft gegeven van het bedrieglijk karakter van zijn verklaringen/zijn verzuim (juli 2007)", en beslist dat "de vordering van de [eiser] om de bedragen van maatschappelijke dienstver-lening te mogen recupereren niet gegrond is voor de periode vóór 27 december 2002" omdat "het feit [de eiser], via de burgerlijke rechtsvordering voortvloeiend uit een misdrijf, toe te staan bedragen te recupereren buiten de bij de wet van 8 juli 1976 bepaalde invorderingstermijn, strijdig is met een wettelijke bepaling van openbare orde", en bijgevolg schendt het de artikelen 26 en 28 van de wet van 17 april 1878 en 102 van de wet van 8 juli 1976.

Het middel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de vordering van de eiser verjaard verklaart voor de periode van 1 juli 2001 tot 26 december 2002 en uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mi-reille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 19 november 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Maatschappelijke integratie

  • Maatschappelijk leefloon

  • Toekenning

  • Valse verklaring

  • Misdrijf

  • Herziening

  • Onverschuldigde betaling

  • Terugvordering van de onverschuldigde betaling

  • Verjaring