- Arrest van 20 november 2012

20/11/2012 - P.12.0203.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die de gevorderde rechtsplegingsvergoeding ambtshalve herleidt en berekent a rato van het percentage van de toegekende vordering 'om het doelbewust verhogen van een vordering om hogere rechtsplegingsvergoeding te bekomen tegen te gaan', zonder de partijen in de gelegenheid te stellen hieromtrent standpunt in te nemen, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (1). (1) Zie Cass. 22 april 2010, AR C.09.0270.N, AC 2010, nr. 274 en Cass. 17 nov. 2010, AR P.10.0863.F, AC 2010, nr. 681.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0203.N

B. V.,

burgerlijke partij,

eiser,

met als raadsman mr. Gerard Soete, advocaat bij de balie te Brugge,

tegen

P. C. C. L.,

beklaagde,

verweerder,

met als raadsman mr. Rik Ascrawat, advocaat bij de balie te Veurne.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Veurne van 21 december 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters miskennen bij de begroting van de vergoeding voor de blijvende arbeidsongeschiktheid het feitelijke gegeven dat de eiser door de letsels een grotere krachtinspanning moet leveren; zij ant-woorden niet op het argument dat de eiser geen carrière meer kan maken.

2. Met de redenen die het bestreden vonnis vermeldt (p. 4-5), beantwoorden de appelrechters het verweer van de eiser dat hij door de blijvende letsels meerin-spanningen moet leveren en geen carrière meer zou kunnen maken.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

3. In zoverre het opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat de blijven-de arbeidsongeschiktheid van de eiser enkel bestaat uit een vermindering van zijn waarde op de arbeidsmarkt, verplicht het onderdeel het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters laten na vast te stellen dat de materiële schade voor de blijvende arbeidsongeschiktheid onmogelijk op een andere wijze dan in billijkheid kan worden bepaald.

5. De appelrechters oordelen dat:

- de eiser bij dezelfde werkgever is blijven werken maar minder lastig werk uit-voert gelet op zijn verminderde arbeidsgeschiktheid;

- er geen concrete derving van inkomsten bewezen is;

- er geen noodzaak van een grotere krachtinspanning bewezen is ingevolge het gemakkelijker werk;

- de blijvende arbeidsongeschiktheid enkel bestaat in een vermindering van de waarde op de arbeidsmarkt.

6. Met hun oordeel dat in deze omstandigheden een vergoeding van 1.200 euro per punt billijk en passend is, geven de appelrechters te kennen dat de schade niet op een andere wijze kan worden bepaald en verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters antwoorden niet op de door de eiser aangebrachte gegevens voor de begroting van de vergoeding voor de ma-teriële schade voor blijvende arbeidsongeschiktheid.

8. Met de redenen die het bestreden vonnis vermeldt (p. 4-5), beantwoorden de appelrechters het verweer van de eiser dat de materiële schade voor blijvende arbeidsongeschiktheid moet begroot worden op basis van het loon van de eiser.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

9. In zoverre het opkomt tegen de toekenning van een forfaitaire vergoeding voor de materiële schade voor blijvende arbeidsongeschiktheid, verplicht het on-derdeel het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede middel

10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het oordeel van de appelrechters dat de eiser voor zijn postprofessionele schade zijn activiteiten na oppensioenstelling moet bewijzen, is onduidelijk en tegenstrijdig; het slachtoffer moet dat bewijs niet leve-ren.

11. De appelrechters oordelen met betrekking tot de postprofessionele schade dat de eiser niet het concrete bewijs levert van de activiteiten die hij na zijn op-pensioenstelling zou uitvoeren.

Dit oordeel is niet onduidelijk, noch tegenstrijdig.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

12. Met hun oordeel dat de eiser voor postprofessionele schade moet bewijzen welke activiteiten hij na zijn oppensioenstelling nog zou hebben uitgevoerd, ver-antwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Derde middel

Eerste onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgelijk Wetboek: de appelrechters laten na vast te stellen dat de materiële schade huis-houder onmogelijk op een andere wijze dan in billijkheid kan worden bepaald.

14. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, heeft de eiser zijn schade forfai-tair begroot. De appelrechters dienden bijgevolg niet vast te stellen dat de schade onmogelijk op een andere wijze kon worden bepaald.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: de eiser heeft op nauwkeurige wijze de post "materiële schade huishouder" begroot; de appelrechters beantwoorden eisers ar-gumenten niet; door de enkele toekenning van een willekeurig forfaitair bedrag vergoeden zij eisers schade slechts onvolledig.

16. Met de redenen die het bestreden vonnis vermeldt (p. 5), beantwoorden de appelrechters het verweer van de eiser met betrekking tot de begroting van de ma-teriële schade huishouder.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

17. In zoverre het opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat de materi-ele schade huishouder niet volledig werd vergoed, verplicht het onderdeel het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is en is het mitsdien niet ontvankelijk.

Vierde middel

18. Het middel voert schending aan van artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: de appelrechters berekenen de aan de eiser toekomende rechtsplegingsvergoeding a rato van het percentage van de toegekende vordering om het doelbewust verhogen van een vordering om een hogere rechtsplegingsvergoeding te verkrijgen tegen te gaan; er was hiervoor geen verzoek van partijen; de appelrechters hebben tevens nagelaten partijen hieromtrent te ondervragen.

Artikel 1022, derde lid, bepaalt dat op verzoek van een van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, de rechter de vergoeding ofwel kan verminderen, ofwel kan verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden.

Hieruit volgt dat de vergoeding, bij ontstentenis van een conclusie dienaangaande, wordt vastgesteld op het basisbedrag, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 en slechts van dit basisbedrag kan worden afgeweken, indien een van de partijen hierom verzoekt.

Niettemin kan de rechter de rechtsplegingsvergoeding berekenen op basis van het toegekende veeleer dan op basis van het gevorderde bedrag, wanneer dit laatste bedrag volgt ofwel uit een klaarblijkelijke overwaardering die de normaal be-dachtzame en zorgvuldige justitiabele niet zou hebben begaan, ofwel uit een te kwader trouw verrichte verhoging die als enig doel had op kunstmatige wijze het bedrag van de vordering op te trekken tot een hogere schijf van de rechtsplegings-vergoeding.

De rechter kan de gevorderde rechtsplegingsvergoeding op deze grond niet ambtshalve herleiden zonder de partijen in de gelegenheid te stellen hieromtrent standpunt in te nemen.

19. De appelrechters die de door de eiser gevorderde rechtsplegingsvergoeding ambtshalve herleiden en berekenen a rato van het percentage van de toegekende vordering "om het doelbewust verhogen van een vordering om hogere rechtsple-gingsvergoeding te bekomen, tegen te gaan", zonder de partijen in de gelegenheid te stellen hieromtrent standpunt in te nemen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de door de eiser gevorderde rechtsplegingsvergoeding.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Veroordeelt de verweerder tot een vierde van de kosten en laat de overige drie-vierden ten laste van de eiser.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Brugge, zete-lend in hoger beroep.

Bepaalt de kosten op 489,36 euro waarvan 109,89 euro verschuldigd is.

K. Vanden Bossche

E. Francis P. Hoet

G. Jocqué L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Rechtsplegingsvergoeding

  • Ambtshalve herleiding door de rechter